Het afscheid (1)

Nog een maand en we zijn hier niet meer. Terug naar Nederland. Inmiddels bekijk ik de hele omgeving met toenemende buikpijn. Wat moet ik zonder de buurvrouw waar ik bijna dagelijks even binnen loop om de dag door te nemen. Wat gebeurt er als we niet meer kunnen genieten van deze rijkdom aan groen en speelplaatsen, in onze directe omgeving toch een stuk of zes?

Vanmorgen groette de kapper als gewoonlijk toen ik voorbijfietste. Hij knipte gewoon door maar knikte me lachend toe door de ruit. Dat doet ineens pijn, al die gewone dingen. Hoe vertel ik het de postbode die me altijd een paar straten verder bij het boodschappen doen alvast vertelde dat er een pakje uit Holland was?

Wat doen we met Melle die bij de voetbalwedstrijd Nederland-Duitsland zo oprecht gelukkig was dat zijn lievelings-Mannschaft gewonnen had. In het Duitse team zitten voetballers uit Bayern-München, de club waar hij het strijdlied van zingt. Met Ajax en Feyenoord heeft hij niet veel op. Lastige tegenstanders die Amsterdammers, maar eens zullen we ze verslaan, denkt de zesjarige die weliswaar de Nederlandse taal beheerst maar in het Duits zijn emoties uitdrukt.

Op het gezicht van de vrouw die drie dagen per week de kleine Jim onder haar hoede neemt, zag ik mijn eigen tranen. Ze kan niet geloven dat we haar dit aan doen. Ik ook niet. Ze zal het zonder Jim moeten stellen. En ik zonder haar.

Opeens tref ik mezelf aan met vijf potten appelstroop in het boodschappenmandje. Dit merk hebben ze niet in Nederland en die eet Jim zo graag. Hamsteren als compensatie.

Hoe meer zon, hoe moeilijker het wordt. Het café, waar ik 's morgens de kranten lees, heeft de stoelen weer buiten. De man die bedient, draagt zelfs een nieuw overhemd. Sinds hij weet dat ik weg ga, serveert hij weemoedig. Maar dat weet ik natuurlijk niet zeker want zijn gezicht verraadt zelden iets. Als ik binnen kom vraagt hij discreet: Milchkaffee? en kijkt me daarbij stralend in de ogen. Ik knik, sla de kranten open en lees. Nooit vraagt hij iets persoonlijks, een afwijkende bestelling neemt hij zonder commentaar op. In Amsterdam zou ik 'stamgast' zijn en allang een voornaam gekregen hebben. Hij zou Henkie of Petertje heten en steeds 'Hoe gaat ie?' gebruld hebben en me met je of jou hebben aangesproken. Voor deze jonge Berlijnse ober ben ik nog steeds 'U' en hij voor mij ook.

Eens vroeg ik hem of hij misschien met vakantie was geweest. Hij zag er zo bruin uit. Hij mompelde iets over 'zonnebank' en daarmee was het gesprek beëndigd. Ik betreurde mijn vrijpostigheid. Maar toen ik hem zei dat ik weg ging, liet hij zich gaan: “Jammer!”, riep hij luidkeels, “u was zo'n aardige gaste”. Alsof we ooit meer dan een blik hadden gewisseld. Sindsdien kijkt hij anders. Of is het mijn eigen verdriet?

Al weken loop ik te bedenken hoe deze rubriek afscheid zou moeten nemen van Berlijn. Allerlei grote gedachten schoten voorbij. Maar niets is sterker dan de pijn van het verlies. Daar heeft de Grote Geschiedenis het nakijken. Over twee weken onderneem ik een laatste poging.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden