Het Achterhuis van Rotterdam

Twee Joodse families zaten ondergedoken in de Breepleinkerk in Rotterdam. De beheerders van nu willen hun verhaal bekend maken en het gebouw inclusief onderduikruimtes behouden.

Tot 2005 waren er vooral geruchten in de buurt. Men wist dat er Joden in de Breepleinkerk ondergedoken hadden gezeten, maar hoeveel het er waren en waar in de kerk ze zaten, was onbekend. Ook ging het verhaal dat een vrouwelijke onderduiker bevallen zou zijn van een kind. Met het 75-jarig bestaan van de kerk in aantocht, besloten kerkhistoricus Jaap van Gelderen en Henk den Haan daarom een oproep in een lokaal krantje te plaatsen.

Tot hun verbazing belde nog diezelfde middag Rebecca Andriesse op. De tachtigjarige vrouw vertelde dat zij vanaf mei 1942 met haar echtgenoot en schoonouders in de kerk ondergedoken had gezeten. En dat zij in 1944 bevallen was van haar zoon Emile.

Rebecca Andriesse had 63 jaar gezwegen over haar tijd in de Breepleinkerk. Ook tegen Emile (nu 71 jaar) was zij altijd 'gesloten als een oester' geweest. "Ik heb er vaak naar gevraagd, maar mijn moeder zei nooit iets. Mijn vader vertelde af en toe een verhaal, opa en oma zwegen ook." Zijn grootouders doken na hun zoon en schoondochter ook onder in de kerk, in de zomer van 1942.

Rebecca Andriesse en haar echtgenoot Maurice Kool doken onder op 29 mei 1942. Dat was één dag na hun bruiloft. De grootvader van de bruid had koster Jacobus de Mars van de Breepleinkerk benaderd voor een onderduikadres. De Mars bouwde een schuilplek op de zolder achter het orgel en bracht het jonge echtpaar onder in zijn kerk, nadat hij op dag één symbolisch hun Jodensterren verbrandde. Rebecca Andriesse verwachtte dat zij en haar man zes weken zouden onderduiken. Het werden 34 maanden.

In 1943 dook ook een ander Joods echtpaar onder in de kerk, Hendrik en Sophie de Zoete. Zij betrokken de zolder aan de andere kant van het orgel. Hun drie dochters hadden zij al op andere adressen in Rotterdam ondergebracht.

Als zijn moeder Emile Kool al iets vertelde over haar tijd op de orgelzolder, dan ging het over de kou. "Vooral in de winter van 1944 was het steen- en steenkoud. Ze hadden een conservenblikje met een kaarsje voor wat licht, dat was alles." Omdat er dagelijks vergaderingen en catechisaties waren, en de houten vloeren kraakten, moesten de onderduikers het grootste deel van hun dagen liggend en in stilte doorbrengen.

Rebecca Andriesse had alleen contact met de buitenwereld wanneer zij tijdens diensten door gaatjes in de muur de kerk in keek. Zo kon zij de preken volgen, maar als de organist speelde was het geluid oorverdovend op de zolder. De orgellessen op woensdagmiddag waren voor de onderduikers een nog grotere beproeving.

Toen Jaap van Gelderen en Henk den Haan het verhaal van de Breepleinkerk eenmaal aan de vergetelheid hadden ontrukt, meldden zich steeds meer mensen bij hem die wisten van de onderduikers in de kerk. Zoals het meisje - inmiddels 81 - dat eens na de kerkdienst haar tasje was vergeten en op maandag terugkwam om het op te halen. In de kerk zag ze een groepje mensen naar Radio Oranje luisteren. De aanwezige koster drukte haar op het hart daar nooit met iemand over te praten.

Ook ontmoette Den Haan de zes dochters van de groenteboer die altijd groente en fruit naar de kerk bracht. "Achteraf blijken veel buurtgenoten ervan geweten te hebben. Het was zo gevaarlijk, de onderduikers moeten talloze beschermengelen hebben gehad." Emile Kool verwondert zich er ook vaak over dat de Joodse families nooit zijn verraden. "Mensen die een Jood verrieden, kregen zevenenhalve gulden. Dat was een hoop geld."

Oogarts Lashley

Een van die beschermengelen was oogarts Leo Lashley. De dokter uit Suriname zat in het artsenverzet. Hij hielp de onderduikers aan eten. Toen Rebecca Andriesse op het punt van bevallen stond, benaderde koster De Mars zijn huisarts. Die durfde de zwangere onderduiker niet te ondersteunen. Daarop ging De Mars naar Lashley. De oogarts assisteerde op 6 januari 1944 in de kosterswoning bij de geboorte van Emile.

Omdat zijn vader en moeder op de orgelzolder niet voor hem konden zorgen, werd de baby in eerste instantie verzorgd door de koster en zijn vrouw. Maar omdat buurtgenoten vragen zouden hebben bij een huilende baby van het oude echtpaar, kwam dochter Annie met haar man en hun kleine kind weer inwonen.

Emile werd naar de koster genoemd: zijn derde naam is Jacobus. Tot zijn zesde jaar kwam hij nog regelmatig in de kerk en bij Jacobus de Mars en zijn vrouw Annigje. "Ik had zo'n goede band met die mensen. Ik noemde ze steevast 'pa en moe'." Het contact werd minder toen Emile Kool naar een ander deel van de stad verhuisde.

De gereformeerde kerk in Rotterdam-Zuid maakt geen gebruik meer van de Breepleinkerk. Op zondagen huurt een pinkstergemeente het gebouw. Het orgel wordt nog bespeeld tijdens zangavonden en voor cd-opnamen.

Het religieuze belang van de kerk neemt af, maar de interesse in de oorlogsgeschiedenis neemt toe. Elk jaar leidt Henk den Haan weer meer schoolklassen rond in de Breepleinkerk. Daarom wil hij een museum van de kerk maken. Maar voor het zover is, moet er nog een hoop gebeuren. Het duurt al gauw twintig minuten voordat alle leerlingen de orgelzolders gezien hebben. Ze moeten één voor één een stalen trapje op. Den Haan kijkt met een architect of het mogelijk is om de kerk zo te verbouwen dat bezoekers van bovenaf de schuilplaatsen in kunnen kijken.

De orgelzolder waar de familie De Zoete lag, werd geopend in 2013, acht jaar na de eerste zolder. Wie er wil komen, moet eerst een voorraadkast door en dan ook weer een stalen trappetje op. Henk den Haan heeft nog kratjes vol voorwerpen die hij op de zolders vond. Kleren, pakken matzes, snoeppapiertjes. Het zou allemaal in vitrines moeten, maar daar is geen geld voor.

Om aan geld te komen, is een stichting opgericht. Er is een flink bedrag nodig. Alleen al een reparatie van het lekkende dak kost 90.000 euro. Vanwege het achterstallig onderhoud en omdat de kerk nauwelijks nog toeloop heeft, vreest Den Haan dat het gebouw binnen enkele jaren gesloopt zal worden. "De afgelopen jaren zijn al verschillende kerken van de gereformeerde kerk Rotterdam-Zuid gesloopt."

Enigszins geruststellend voor Den Haan is dat de kerk een beschermheer heeft in burgemeester Ahmed Aboutaleb. Die noemt de kerk steevast 'het Achterhuis van Rotterdam'. Aboutaleb vertelt tijdens herdenkingen regelmatig over de geschiedenis van de onderduikers. Het essay dat de burgemeester schrijft voor de Maand van de Geschiedenis in oktober zal gaan over de Breepleinkerk. Ook theologe Anja Matser schrijft een boek over de kerk.

Wapens

Met de onderduikers ging het drie weken voor de bevrijding nog bijna mis. Een aangehouden verzetsstrijder bekende tijdens martelingen dat er wapens onder de kerk lagen, wat toen al niet meer het geval was. Den Haan vermoedt dat de verzetsman daarvan op de hoogte was en dat hij de Duitsers op het verkeerde been wilde zetten.

Bij de inval wisten de onderduikers nog net hun schuilplekken te bereiken. Hendrik de Zoete kon net op tijd de ladder naar zolder naar binnen schuiven en het luik sluiten. Maurice Kool was ook niet in zijn schuilruimte en dook vlak voordat een Duitse soldaat de kamer binnenstormde, achter een bed. De kleine Emile was bij de familie van de koster, een nietsvermoedende soldaat nam hem nog op schoot om met hem te spelen.

Emile Kool verwondert zich erover hoeveel geluk hij en zijn ouders die dag hebben gehad. "Soms denk ik dat het geholpen heeft dat de soldaten die de inval deden Oostenrijkers waren. Het was misschien anders gelopen als het Duitse soldaten waren geweest."

Alle Joodse onderduikers in de Breepleinkerk haalden ongeschonden de bevrijding. Voor de nog maar kort getrouwde ouders van Emile was de periode te intensief geweest; zij scheidden niet lang na de oorlog. De familie De Zoete vertrok naar Israël om daar een nieuw leven op te bouwen.

Emile komt ongeveer één keer per jaar in de kerk. Afgelopen jaar was hij er door herdenkingen drie keer. Hij neemt altijd een kijkje op de zolder waar zijn ouders hebben gelegen, maar makkelijk is het niet. "Elke keer is het weer emotioneel als ik me bedenk wat ze hebben meegemaakt, daar in de kou."

Rebecca Andriesse kwam nog één keer in de kerk, toen in 2006 het 75-jarig bestaan gevierd werd, de aanleiding om het verhaal van de onderduikers opnieuw te onthullen. De moeder van Emile Kool wilde de zolder niet meer zien. Kool: "Ze zei: 'Ik heb daar 34 maanden gezeten, laat een ander daar maar gaan kijken'."

Op diezelfde dag sprak Henk den Haan met Annie, de dochter van het kostersechtpaar. Tijdens de oorlog hielp zij haar ouders met de boodschappen en het legen van de toiletemmers. Den Haan: "Ik vroeg haar waarom zij en haar ouders hun leven gewaagd hadden door onderduikers in huis te halen." Annie was een hele tijd stil. "Toen zei ze: 'Dat doe je toch, als het op je weg komt'."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden