HERSENTRANSPLANTATIES

Ooit dachten we dat de ziel in het hart huisde, nu zoeken we onze geest in de hersenen. Dat roept de vraag op wat er met de geest gebeurt als we stukjes van de hersenen overplanten. Hoeveel hersencellen kan de chirurg wegsnijden zonder de persoonlijkheid aan te tasten? Hersentransplantaties lijken nog toekomstmuziek, maar Parkinson-patiënten krijgen al vreemde hersencellen ingespoten en in de Verenigde Staten heeft zich de eerste kandidaat voor zo'n hoofdverhuizing gemeld. Eén ding is duidelijk: de grens ligt bij het hoofd. In een vreemd pakhuis voelt de geest zich niet thuis.

Hier lijken de verantwoordelijkheden scherp te liggen. Maar veronderstel dat de ziel - we lezen geest tegenwoordig - van de schoenlapper zich maar voor de helft terugtrekt en de prins zich er dus met een halve geest naar zal moeten schikken: aan wie adresseer je dan de verwijten? Beiden zijn half baas half knecht in het hoofd, beschouwen elkaar als vreemde kostgangers, die elkaar voortdurend vermanen maar soms ook begrip tonen. Ga in dit nare sprookje dan eens op de stoel van de rechter zitten.

Een sprookje? Tot de millennium-wende zeker, maar zal het lancet van de hersenchirurgen onze geest in de volgende eeuw misschien kunnen versleutelen tot een gedaante met meer gezichten? Dat lijkt vandaag nog dwaas gespeculeer, en morgen zijn we er zelf bij om zulke monsterlijke scenario's te verbieden. Toch lenen sommige veelvuldig voorkomende mankementen in de hersenen zich mogelijk voor een soort geest-lift, voorop de ziekten van Parkinson en Alzheimer.

Het gebrek bij Parkinson-patiënten aan de stof dopamine, een voor de prikkeloverdracht in de hersenen onmisbare koerier, kan door het inspuiten van dopamine-producerende hersencellen van een ander enigszins worden ondervangen. Het maskergelaat, de schuifelgang en het beven verdwijnen niet, maar een lichte verbetering is al een zegen.

Veel moeilijker wordt een effectieve strategie tegen de ziekte van Alzheimer: het voortschrijdende verlies van jezelf herstel je vrijwel zeker niet met het implanteren van hersencellen. Misschien wel ooit met stukjes kwab of wellicht zelfs hele kwabben.

Nogmaals, we zijn hier de tijd ver vooruit, maar vergeet niet dat bij apen al radicale (hersen)transplantaties zijn verricht, met als afgrijselijk dieptepunt enkele decennia geleden het overzetten van een apenhoofd op een andere romp. Het in klemmen gefixeerde kopje kwam uren na de operatie nog even bij, het bekje smakte wat, de ogen gingen even open. . .

Zelf sluit je ze maar op dat moment. “Goh”, stamel je bij het zien van zo'n weerloos proefkonijn, maar het absurde experiment opent kennelijk nieuwe wegen: een Amerikaanse dwarslaesie-patiënt verzekerde onlangs voor de tv dat hij zich voor zo'n 'hoofdverhuizing' beschikbaar stelt als zijn organen het over een aantal jaren zouden begeven. Past hier hoon of medelijden? Of de gerustellende gedachte van de psycholoog William James dat onze kennis wel in een waterdruppel gaat, onze onwetendheid nog niet in een zee?

Hippocrates kijkt zorgelijk: met zo'n afschrikwekkende transplantatie dreigen we ver over de grens van de geneeskunde te reiken. Of passeerden we die grens eigenlijk al eerder, met het simpel injecteren van dopaminecellen in de hersenen? In het vaktijdschrift Journal of medical ethics (nr. 22, pag. 174-180) ontleedt de psychiater Georg Northoff van de universiteit van Frankfurt de argumenten voor en tegen meer of minder gewaagde hersentransplantaties. Ethici kunnen zich schrap zetten.

Verdedigers van transplantaties in ons commandocentrum tillen niet zo zwaar aan het inspuiten van losse hersencellen: je vervangt gedegenereerde cellen en herstelt functies. Felle tegenstanders kijken ook nu al met argusogen toe: je sleutelt toch aan de hersenen en daarmee aan de persoonlijke identiteit, menen zij. Luister maar naar het commentaar van ons immuunsysteem, dat op alles wat vreemd is, of het nu een hele kwab betreft óf een enkele losse cel, reageert met 'Wegwezen!'.

De tegenstanders van dergelijke ingrepen gaan uit van een strikt verband tussen hersenen en persoonlijke identiteit, voorstanders houden het op een minder strakke relatie. Chirurgie mag zeker wel, merken laatstgenoemden op, terwijl de identiteit na het wegsnijden van hele kwabben - in het geval van een tumor bij voorbeeld - soms rigoureus is veranderd. Veranderd ja, werpt de opponent tegen, maar anders dan bij het inspuiten met hersencellen krijgt de patiënt niet een beetje 'nieuwe identiteit' mee. Voor de goede orde: tot nu toe voelen Parkinson-patiënten zich na de transplantatie eerder weer enigszins de oude dan een beetje een 'nieuwe'.

Neurofysiologen halen de schouders op in deze controverse. Je kunt volgens hen moeilijk beweren dat de persoonlijke identiteit in elke hersencel een eigen kamertje heeft. Nee, de frontale kwab en het limbische systeem, dat zijn de regio's waar het 'ik' huist. Het transplanteren van hersencellen verderop, in een specifiek gebied met een dopamine-tekort, is in wezen niet anders dan een orgaantransplantatie elders in het lichaam. Kijk naar het resultaat: er worden louter motorische functies hersteld, geen psychische.

Het gelijk van die deskundigen is betrekkelijk, stelt psychiater Northoff vast. Want wie zegt dat motorische en psychische functies zich strikt laten scheiden? Onze gezichtsuitdrukking, de melodie in onze stem, al dat spierwerk sluipt dwars door ons psychisch manifesteren heen. Emoties vereisen een mimiek, met spieren die soms juichen, soms treuren. Stel je voor dat je in een mismoedige bui niet meer het juiste gezicht kunt trekken, veroordeeld bent tot verdriet met een stalen uitdrukking.

Welke invloed heeft zo'n bescheiden transplantatie met hersencellen trouwens op de hormonale en immunologische wisselwerkingen tussen de hersenen en het lichaam? Klachten hoor je niet van patiënten, maar overtuigde tegenstanders opperen dat er vanuit een vernieuwde verkeerstoren toch anders tegen het lichaam wordt gepraat. Er heerst per definitie een andere sfeer daarboven, en hoe gering ook de verschillen, ze moeten hun weerslag hebben op de geestelijke gesteldheid.

Niet uit te sluiten, erkent Northoff. De tegenstanders doen er nog een schepje bovenop: misschien herstel je met deze ogenschijnlijk niet al te rigoureuze transplantaties inderdaad psychische functies, bij voorbeeld het geheugen, maar verstoor je tegelijkertijd de psychische continuïteit: geef je een herinnering van de buurman mee, mocht dat de donor zijn. Misschien moet je dan wel verder met diens kwade gedachte over jouzelf, over die lawaaierige nietsnut van ginds over de schutting.

Zo'n kinderlijke opvatting als zouden herinneren en voelen op een een specifiek plekje in de hersenen zijn gestald, is natuurlijk volkomen achterhaald, weten neurofysiologen stellig. Alsof je iemand met een brokkie brains zijn geheugen terug kan geven. Of andermans vroegere ervaringen, die vermoedelijk wijdvertakt over de hersenen liggen opgeslagen, in een portie neuronen naar een andere gastheer kunt overbrengen.

Hou die stelligheid toch maar voor je, meent Northoff, want minuscule veranderingen in hersengebiedjes, die ogenschijnlijk los staan van de persoonlijke identiteit, kunnen per individu totaal verschillend uitpakken. De balletdanser, herkenbaar geworden in de meest verfijnde bewegingen, heeft in zekere hersenregio's veel meer van zichzelf, van die onbegrepen verwevenheid van motoriek en emotie te verliezen dan een filosoof, geschoold in abstract denken.

Zo lopen we voortdurend tegen de grenzen van de neurologische kennis aan. En het is niet alleen onze onwetendheid die de grenzen trekt, we trekken ze zelf ook, begrijp je uit een begeleidend commentaar in het Journal of medical ethics. Mocht het ooit, ver voorbij een nu zichtbare horizon, komen tot een transplantatie van volledige hersenen - de prins die bij de schoenmaker intrekt -, laten de neurologen dan nu al vast beloven dat de overlevende hersenen in letterlijke zin hun gezicht behouden. Ons gezicht maakt deel uit van onze persoonlijke identiteit, het woord 'persoon' stamt uit het Latijn en had daarin de betekenis van het masker dat acteurs op het toneel hanteerden om een karakter, een personage uit te beelden.

Zo raakt de problematiek van hersentransplantaties aan de filosofie van het gelaat. Emmanuel Levinas, een Joods filosoof, wijdde er indringende beschouwingen aan. Hij graaft veel dieper in het gelaat dan wij dagelijks tegen al die neuzen en monden aankijken. Of denken aan te kijken, zou Levinas zeggen, want de verschijning van de Ander bestaat natuurlijk niet uit een haakneus of een paar flaporen: iemand die er zo naar staart verkilt het gezicht, en de geest die er achter schuilgaat, tot een object. Het is de naaktheid van het gelaat waarin de ander verschijnt, een weerloze blootstelling, een wezenlijke schamelheid, die hij soms tracht te maskeren door poses, betoogde Levinas eens in een interview. Die weerloosheid roept van meet af aan een ethische houding op van 'dit gelaat zult gij niet doden'. Terzijde: daarom kijken beulen liever de andere kant op en concentreerden uitvoerders van de holocaust zich op het verbeteren van hun vernietigingsstrategieën, om zichzelf niet de tijd te gunnen hun slachtoffers in de ogen te zien, beweren sommige psychologen.

Zo belangrijk is dus het gezicht: als het door een aandoening of ingreep in de hersenen verstrakt, lijken we al iets van de persoon kwijt te raken. Er is daarom alle reden om niet alleen vanwege de hiaten in de neurologische kennis te huiveren voor gewaagde ingrepen, maar ook omdat de uniciteit van een mens niet bij zijn hersenen ophoudt.

Daar zit de prins van John Locke mooi mee. Geen mens kan zijn ontboezemingen rijmen met het vertrouwde gezicht van de schoenmaker. Ook al begint hij te praten met de bekaktheid van het hof, iedereen blijft de schoenlapper aanstaren.

Is dat gezicht dan niet een tikje naar de nieuwe bovenkamer in te richten, iets voornamer met wat koninklijke gedistingeerdheid? Misschien, maar het gezicht van de prins zullen we er nooit in terugzien, het is te uniek.

Ons uiterlijk is een ongrijpbare configuratie van afzonderlijke gezichtsfragmenten, schreven neurobiologen van de University of Texas onlangs in het Journal of cognitive neuroscience (vol. 8, nr. 3). Dat geheim wordt enigszins zichtbaar als door een ziekte, een ongeluk of een ingreep in de hersenen een merkwaardig masker over het gezicht valt. Ook zonder een drastische verandering van de afzonderlijke organen, die kale neus en oren, kan het gezicht van weleer verdwijnen: het kijkt anders.

Aan de andere kant herkennen we mensen nog na tientallen jaren, terwijl ze dan behoorlijk zijn veranderd. De neurobiologen vermoeden dat die herkenning uniek is voor het menselijk gezicht, er ligt iets in verborgen dat andere primaten minder hebben. Zelfs apen zien die specifieke trek in ons, terwijl ze weinig oog lijken te hebben voor de uniciteit van andere apenkoppen.

Dat toonden de neurobiologen aan met een experiment waarbij mensen en apen moesten aangeven of twee foto's van een landschap, aap of mens wel of niet aan elkaar gelijk waren. De foto-paren werden of rechtop of op z'n kop gepresenteerd. De aapjes moesten enige tijd met behulp van beloningsproeven worden getraind, maar op den duur slaagden ze er in om over de foto's te oordelen.

Noch voor de menselijke proefpersonen noch voor de aapjes bleek het veel uit te maken of ze de foto's van landschappen en apen rechtop of op z'n kop zagen, de herkenning was er toch wel. Maar mensengezichten horen rechtop. Ook de deelnemende resus- en doodshoofdaapjes moesten erkennen: “Er zit iets in dat gezicht van jullie, wat je maar heel moeilijk ziet als jullie op je kop gaan staan.”

Ook duidelijke verschillen als wel of geen bril of twee totaal verschillende coupes ontsnapten aan de aandacht als de mensengezichten ondersteboven stonden. Zelfs met het geslacht schijnen we bij omgekeerde foto's enige moeite te hebben. De deelnemers kwamen er uiteindelijk wel uit, maar met aanzienlijke vertraging.

Natuurlijk opperden de neurobiologen onmiddellijk dat aapjes hun soortgenoten net zo gemakkelijk rechtop als ondersteboven herkennen omdat ze zelf in beide standen door het leven gaan. Maar die verklaring doet het niet, want resusapen hangen zelden op hun kop.

Nee, dit is werk van de evolutie, concluderen zij tenslotte. Er is iets in ons gezicht geslopen, een unieke trek die door een speciale vaardigheid in het waarnemingsvermogen van primaten wordt opgemerkt. Een bewijs daarvoor zou zijn dat lijders aan prosopagnosie - mensen die geen gezichten herkennen - dikwijls een specifieke beschadiging hebben in de rechter hersenhelft.

De commentator in het Journal of medical ethics zei het al: mocht het in een verre toekomst tot volledige hersentransplantaties komen, hoe absurd we dat nu ook vinden, dan moet in elk geval het gezicht mee verhuizen. Dat mensengezicht is uniek en onlosmakelijk verbonden met de persoonlijke identiteit. Ooit dachten we dat de ziel in het hart huisde, de begeerte in de buik, nu kennen we de hersenen als basis en het gelaat als de verschijning van de ziel. Zonder dat eigen uiterlijk zullen we de prins van John Locke moeten verzoeken om de rest van zijn leven op zijn kop te slijten, zodat we in hem niet langer de schoenmaker hoeven te zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden