Herrnhutters stempelden Lehning

Morgen viert Arthur Lehning zijn honderdste verjaardag. Bert Altena, universitair docent geschiedenis industriële samenlevingen aan de Erasmusuniversiteit, zoekt naar de wortels van deze denker en schrijver, die in mei de P. C. Hooftprijs 1999 ontving.

Bert Altena

Arthur Lehning groeide op bij de Herrnhutters te Zeist. Zijn stiefvader, J. F. Muller, behoorde tot de rijkste leden van deze broederschap, die ooit 'een klein stil kerkgenootschap' genoemd is. Piëtistisch geïnspireerd was het en eenvoudig, maar blijmoedig. De gemeenschappelijkheid van de Broederschap droeg nog iets van de vroege christengemeenten mee.

Schrijvend over zijn jeugdvriend Hendrik Marsman keek Lehning in 1954 met nostalgie terug naar de kerk van zijn jeugd, maar hij bestrijdt dat de Broederschap zijn verdere ontwikkeling beïnvloed heeft. Dat klopt misschien voorzover het om de leer van de Herrnhutters in engere zin gaat, maar niet wanneer we onderzoeken hoe de religiositeit van de jonge Lehning in zijn anarchisme doorwerkt.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog leefde Lehning intens mee met de Duitsers. Kennelijk had hij ook geen bezwaren tegen het leger. Terwijl het aantal dienstweigeraars in Nederland sterk opliep, zou hij in 1918 negen maanden dienstplicht in Amersfoort vervullen. Binnen een jaar bleek hij echter een overtuigd antimilitarist en revolutionair bovendien. De kiem van zijn latere anarchisme was gelegd. Wat was er gebeurd? Dat is onduidelijk. Misschien hebben de enthousiaste verhalen van zijn broer, die in Duitse dienst de loopgravenoorlog had meegemaakt, tot die verandering bijgedragen .

In deze overgangsjaren naar het anarchisme van Bakoenin hebben de religiositeit en levensinstelling van de Herrnhutters een rol gespeeld. Het ging niet om eenvoudig ommunten van oude leerstellingen. Lehning had al niet belijdenis gedaan. Het lezen van geschriften van de atheïst Haeckel en de geloofstwijfel zaaiende Nietzsche had daarvoor teveel twijfels opgeworpen. Lehning ontwikkelde een kosmisch pantheïsme, waarin hij hartstochtelijk de stem van God trachtte te horen en religieuze inspiratie vond. Een piëtistische geloofshouding had hij niet volkomen afgelegd.

Het Interbellum staat in het teken van de oorlog en de massa. Beide thema's dwongen ook Lehning tot precisering van zijn ideeën. Sommigen in zijn kennissenkring, zoals Marsman en de kunstenaar Erich Wichman, uitten hun angst en dédain voor de massa in verheerlijking van heldengedrag en geweld, later in bewondering voor Mussolini en het fascisme. Lehning volgde in 1920 echter de theoloog Bart de Ligt en de criminologe Clara Wichmann, zus van de kunstenaar. Zij veroordeelden oorlog en geweld, waren niet bang voor de massa, en formuleerden een eigen steeds vrijzinniger en anarchistischer protestantisme dat perfect aansloot bij Lehnings denkrichting. Zij leerden hem dat de mensen tot ware menselijkheid gebracht moeten worden; dat voor handelen inspiratie en geestelijke waarden van beslissend belang zijn; dat daarom geweld en gewelddadigheid bestreden moeten worden; dat middelen en doel innig verbonden zijn en dus met geweld geen geweldloze maatschappij gevestigd kan worden. Lehning behield daarbij een zeer sociale mensopvatting; het idee van de Hegeliaan Stirner dat de mens van nature egoïst was, wees hij af: 'ware menschelijkheid' uitte zich in mensenliefde en geweldloosheid.

Hij meende in een tijd van grote omwenteling te leven en in zijn zendingsdrang riep hij op tot voorbereiding op een revolutie die de grondslagen zou leggen voor 'een menschelijker samenleving, voor een gelukkiger menschheid, de basis die in zich draagt het embryo van nieuwe beschaving, van nieuwe cultuur'. Antimilitarisme, bestrijding van oorlog en geweldloosheid bepaalden Lehnings denken tot in de late jaren twintig en ze wortelden in een religieuze inspiratie die tot handelen drong.

Een rede van Henriëtte Roland Holst maakte in juni 1920 de wil om zijn idealisme uit te dragen 'standvastiger'. Hij wist, 'dat deze vrouw voor ons belichaamt alle liefde, die wij uit willen dragen, en ons gedurig drenkt in haar milde licht en in haar onwankelbare geloof ons schragen zal (sic) in schokkende dagen van wankeling'. Hij kwam echter in aanraking met de Bond van Revolutionair Socialistische Intellectueelen, eind 1919 opgericht door Clara Wichmann en Bart de Ligt. Naast een libertair alternatief voor Roland Holsts communisme kreeg hij hier voorgeschoteld wat hij als student kon doen. De Ligt toonde hoezeer de wetenschap betrokken was bij de moderne oorlog. De zedelijke overtuiging van de wetenschapper was dus van groot belang. Hij behoorde de zedelijke vooruitgang van de maatschappij te dienen. Als student zou je al in volkshuizen aan volkskinderen je idealen kunnen uitdragen, opperde Lehning, maar ,,ik geloof dat degene die leeft uit en daden doet naar den geest van Christus (en dat is de volmaakte mensch) maar ook degene die naar die volmaking streeft wél moet staan revolutionair tegenover deze samenleving, die 't beste in de menschen knot, en 't hoogste in den mensch verstikt en opstandig moet zijn tegenover deze wereld met zijn 'christelijke' regeering en 'christelijke' kerk incluis''. Iemand die aldus schrijft, bereidt zich duidelijk niet voor op een carrière in de zakenwereld. In 1921 zou Lehning de studie economie in Rotterdam verruilen voor sociologie, filosofie en geschiedenis in Berlijn.

De Ligt heeft Lehning sterker beïnvloed dan Clara Wichmann. De voormalig predikant zou hem in aanraking brengen met de ideeën van Bakoenin, die had begrepen dat 'een meer-dan-menschelijke drift naar menselijke en cosmische solidariteit altijd de diepste bron van alle anarchisme en socialisme is geweest'. Lehning vertaalde de brochure waar dit citaat uit komt in het Duits. Bakoenin ondersteunde Lehnings overtuiging, dat menselijk handelen er in de geschiedenis toedoet en vertaalde zijn zweverige, christelijk-idealistische mensenliefde in sociaal anarchisme. 'Menschenliefde' werd 'solidariteit'. God verdween langzamerhand, want Bakoenin leerde ook 'de samenhang van goddelijke en menschelijke autoriteit, van God en den Staat'.

Lehnings geweldloosheid bleek tijdens de Spaanse burgeroorlog verdwenen. In zijn Spaans Dagboek contrasteert het droog registreren van aantallen vermoorde geestelijken met de zorg om vernielde kerken en kunstschatten. Clara Wichmanns verband tussen middel en doel is daarmee problematisch geworden. Anarchistisch, romantisch idealist bleef Lehning, maar de utopie ('een maatschappij gekenmerkt door een minimum aan gezag en macht') die hem nu inspireert, lijkt de gloeiende ijver van weleer te ontberen. Is dat schijn? In 1976 zei hij over de utopie: ,,Wat onbewust en als droom in de mensheid leeft, wordt door het utopicum bewust gemaakt, niet als een eschatologische heilsverwachting, maar als een cultuurscheppende kracht, een proces dat inspireert tot handelen. De utopie is in laatste instantie dat wat aan de geschiedenis haar zin geeft.'' Laten we wel zijn: alleen Bakoenin zou op die leeftijd nog naar de barricades gerend zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden