Hermetici van toen en nu, letterballet, frisse muzemeiden en stramme winkeldochters

Waarom eindigen dichtbundels zo dikwijls als oude vrijsters? Zij beginnen als frisse muzemeiden op de schappen van de boekhandel om daar na luttele jaren als stramme winkeldochters in het stof te bijten. Dat is jammer en tegelijk ook vreemd omdat de belangstelling voor poëzie anderzijds juist groter lijkt dan ooit.

Het aantal poëziemanifestaties is niet meer te tellen en de zalen lijken wel altijd vol. Waarom kómen de mensen wel en kópen zij niet? Hoeveel echte liefhebbers zitten er tussen die drommen? En voor hoevelen is dit poëzietoerisme de cultureel correcte invulling van een ouderwets avondje stappen? Want iéts van een pantoffelparade heeft dit alles toch wel en het moet gezegd: het paraderen gaat ze beter af dan een kuiertje naar de boekwinkel. Wat dat betreft lijkt er sinds de middeleeuwen weinig veranderd. Ook toen al fungeerde de poëzie in bepaalde kringen voornamelijk als kwetterbehang rond standsbewust vertier. En dat je er niet rijk van wordt wist de middeleeuwer ook: Van dichten comt mi cleynen bate.

Spreken we dus niet van slechte tijden. De poëzie heeft in sommige opzichten altijd al in de marge van de marge geopereerd. Dat geconstateerd hebbende mogen we het huidige tijdvak voor de poëzie gerust als goed bestempelen. Er heerst op dit moment een zeldzaam tolerant, pluriform en vruchtbaar poëzieklimaat in Nederland. Vijftien jaar geleden vlogen Raster-, Maatstaf- en Revisor-dichters elkaar nog weleens in de haren, maar dat is inmiddels volkomen passé. Ook de kritiek uit die jaren, in soortgelijke kampen verdeeld, is gaandeweg geheel gepacificeerd. Welbeschouwd was die driedeling al niet meer zuiver op de graat. Daarvoor waren de onderlinge verschillen binnen de afzonderlijke kampen te groot. Ook waren zij geen van drieën ontstaan uit een samenbindend verzet tegen een dominante stroming vóór hen, zoals bij de Vijftigers (tegen Forum en Criterium) en de Tachtigers (tegen de domineeslyriek) nog wel het geval was. Het waren dan ook geen 'stromingen', hooguit 'richtingen'.

Het proces van ontzuiling in de dichtkunst begon al in de jaren zestig en is midden jaren tachtig bijna onopgemerkt voltooid. Al zo'n jaar of wat heerste er nu een vredige anarchie. Alles kan en mag. Iedere dichter is zijn eigen stroming. Zowel de oude als de nieuwe lichting heeft daarvan geprofiteerd. Traditie en experiment, niet langer door clangeest gemuilkorfd, groeiden naar elkaar toe. Hermetische dichters als Hamelink, Ten Berge, Beurskens, Faverey zijn gaandeweg steeds persoonlijker gaan schrijven. Omgekeerd maakte iemand als Kopland een aantal verworvenheden van de autonome dichtkunst tot de zijne. Er hebben kruisbestuivingen plaatsgevonden die vijftien jaar geleden nog ondenkbaar waren. De poëzie is daar niet eenvormiger door geworden, zij is juist diverser dan ooit. Zij is erdoor verrijkt. Niet dat er nu opeens magistrale oeuvres bezig zijn te ontstaan - het gaat net als voorheen met veel vallen, ook wel door de mand vallen, en opstaan -, maar de poëzie in haar totaliteit is spannender en verrassender geworden.

Bij ontstentenis van een dominante stroming maken nieuwe stromingen momenteel weinig kans. Vandaar dat enkele geforceerde pogingen tot bentvorming (De Maximalen, De Nieuwe Wilden en - vrij recent - de kunstgroep rond MillenniuM) op niets zijn uitgelopen. Het Uur U van de millenniaristen moet wellicht nog komen, maar persoonlijk zie ik ook in 2000 de voorhang niet scheuren. En zo kan men zich de huidige poëzie nog het best voorstellen als een op topdrukte draaiend subtropisch zwemparadijs waarin iedere dichter, wanneer er toevallig niet één net even een criticus kopje onder duwt, een andere kant uitzwemt. De meest vreemdsoortige slagen zie je daar, door geen badmeester ooit onderwezen. Soms klit er een groepje bij elkaar en men zwemt ook weleens samen een stukje op, maar dat duurt nooit lang. Het is een mer à boire die ons postmodern doet duizelen.

Het is daarom verre van eenvoudig om van dit water- en letterballet een gestructureerd beeld te geven. De oude vertrouwde kapstok van stromingen en groepen is ons uit handen geslagen. Om het althans enigszins overzichtelijk te houden zal ik mij hier beperken tot degenen die in de afgelopen vijf à zeven jaar hebben gedebuteerd, en dat gebeurt dan nog zeer schetsmatig en onvolledig. De oudere dichters blijven dus, op één uitzondering na, buiten beschouwing, al zal iedereen begrijpen dat hun werk nog steeds het hart en de ruggegraat vormt van de moderne poëzie.

Laat ik met die uitzondering beginnen, om een ijkpunt te hebben voor het werk van de jongeren. In de vorig jaar verschenen bundel 'Dooltuin' van good old Willem van Toorn staat het prachtige gedicht 'moeder':

Dit is haar laatste tuin. Dit het uitzicht waarin haar dagen zijn samengevat: geschoren hagen langs het strak grindpad, de witte duiven om de zonnewijzer die zonder tijd is in het najaarslicht.

Ziet ze dit wel? Of wordt het in haar hoofd de vroegste tuin, waarin het stille meisje de duiven voerde voor haar tocht naar school, woordjes neuriënd die mensen niet begrijpen zoals nu tegen de kastanjeboom waar haar stoel onder staat. Als jij haar hand pakt glimlacht ze. Geen droom ben je maar dochter, vrouwen eigen, voor haar oog groter dan haar eigen zoon die taal zoekt waar zij nog in blijven kan.

Dit is een stil gedicht, bijna een stomme film, met veel uitzicht en buitenkant, maar van een sublieme intimiteit. Drie prenten: de laatste tuin - de oude vrouw in het zicht van de dood; de vroegste tuin - dat wat zij mogelijk ziet, een jeugdtafereel geprojecteerd op het scherm van haar oude dag; tot slot wederom de laatste tuin, die nu echter op het punt staat taaltuin te worden. Zo raakt dit gedicht met beheerste emotie aan de eerste en laatste dingen in de blijvende taal van de poëzie. Het slot suggereert een mooie cyclische wending. De zoon zoekt de taal nog waarin de moeder moet blijven, alsof het gedicht dat we zojuist gelezen hebben nog moet beginnen.

Een totaal ander type dichter, maar in aanleg misschien een even grote meester als Van Toorn, is Tonnus Oosterhoff. Voor zijn debuut, 'Boerentijger', ontving hij in 1991 de Buddingh-prijs, voor zijn tweede bundel, 'De ingeland', de Gorterprijs. Zijn poëzie heeft een volstrekt unieke toon. Zij maakt de gekste capriolen, lacht, huilt en hompelt in een surreële wereld die niettemin volstrekt aards is. Er spreekt een diep mededogen uit zijn burleske strapatsen. Het volgende gedicht, 'Ongevraagde aanwijzing', komt uit 'De ingeland':

Er is iets met uw manier van lopen niet goed Die klutsende gang maakt een goedje dat nood heet. Het kleeft: laat zich niet inslikken, maar even- min uitspugen. En het trekt; maar lenigende handen tasten naar structuur: schaamte bij alle betrokkenen. U kunt ermee doorsporten maar naast het sportveld ligt het kerkhof, dat weet u.

Een 'goedje dat nood heet', gediagnosticeerd en beschreven in een taal die aan een morsige plattelandsdokter doet denken, koddig en daardoor beangstigend intens. Zó heb ik de stroperiger onontkoombaarheid van het noodlot niet vaak beschreven gezien. Oosterhoff beheerst vele registers en is een absolute aanwinst.

Vaag met hem verwant zijn K. Michel en Arjen Duinker, beiden gedebuteerd in de late jaren tachtig. Ook hebben zij wel iets gemeen met Elma van Haren en Huub Beurskens. Zij hebben een barokke zwier in onze poëzie teruggebracht, al is die nooit helemaal weggeweest. Michel blijft in zijn lange, fragmentarische gedichten meer aan de oppervlakte dan Duinker. Hij heeft oog voor het bizarre en weet van sommige gedichten echt stuntnummers te maken. Op zijn zwakke momenten maakt hij zich er met een al te gemaakte chaos vanaf. Hij mist de natuurlijke brille van Oosterhoff, maar ik lees hem graag. Duinkers werk lijkt sterk op dat van Michel, maar achter zijn clownerieën schuilt meer ernst. Ondanks zijn postmoderne camouflagepak is hij ouderwets op zoek naar wezen en samenhang. Hij heeft iets van een mysticus die daar niet voor uit wil komen en daarom maar voor de trapeze heeft gekozen. In zijn laatste bundel 'De gevelreiniger en anderen' dolt hij onder meer met het begrip 'uitnemende onduidelijkheid', dat bij hem iets onmiskenbaar transcendents krijgt. Dezelfde bundel bevat een kolderieke persconferentie over de kakkerlak die je ook als een grotesk dichterlijk zelfportret zou kunnen lezen: “Zelfbeklag is er niet bij, zijn universum / Is getructer dan men zou denken / En op onbegrip voorbereid.”

Bij Esther Jansma is het kolderieke ver te zoeken. Zij vertegenwoordigt een soort neo-variant van het kosmisch-expressionisme. Uit haar laatste bundel 'Waaigat':

Aarde, onderkant. Daar ruggelings aan vastgekleefd. De melkweg in de kijker druppelt licht tot oude zonnen op het doek van het verstand.

Jansma's vers is hard, vaak pijnlijk en toch ontroerend. Haar taal is soms ondoorgrondelijk, maar er zit een fascinerende, nauwelijks getemde spanning op vrijwel elke regel die zij schrijft.

Hoewel de hermetici van weleer naar wij eerder zagen steeds toegankelijker werden, moeten we in F. van Dixhoorn, Lucas Hüsgen en Marc Kregting toch drie representanten zien van het nieuwe hermetisme. Zij schreven elk tot nog toe één bundel. Kraak noch smaak trof ik aan in de bleke, onwelluidende en volstrekt onbegrijpelijke taalarrangementen in Van Dixhoorns 'Jaagpad'. In mijn bespreking indertijd heb ik deze poëzie 'autistisch' genoemd en ik zou het nu niet beter kunnen zeggen. Wat de jury van de Buddingh-prijs 1994 bezield heeft om deze 'innerlijke monoloog' te bekronen zal wel eeuwig in de hogere jurynevels blijven gehuld. Nevelig is ook, tot in de titel aan toe, Lucas Hüsgens 'Nevels orgel', maar Hüsgen toont tenminste een baldadige, epaterende en zangerige kern die het gehel toch wel body geeft. Een willekeurig fragment:

(...) majesteit en columnist en reservist en hatenpaten en hegemoneer en fabuleer en redeneer en waterhang dan ledersterk en kanoklaren legerwaaiend wagenpark dat telly melly wande hant in poesta reutel kater vaak wak wak hale male hein wak wak vinger bosse bos wak wak.

Enzovoort. U hoort mij niet klagen, maar Jan Hanlo's 'Oote oote boe' vond ik iets origineler. Marc Kregting blijkt in 'De gezel' iets minder rabiaat hermetisch dan de andere twee. Hij lijkt mij ernstig door het deconstructie-virus aangetast, maar ontegenzeggelijk twinkelt er iets in zijn taal: “Pothelm trilt, klapt het vizier dicht. Stom / hoofd, man van. Groet priemgetal. Schietkans / voor iemand, een ware. Daklood aan een boog / wie a zegt. Zo verwezen kijkt hij niet vaak.”

De Limburger Jan Roeven debuteerde in 1992 met 'Rebel is oude kous', een titel die opzichtig lonkt naar de cultfilm 'Rebel without a cause' met in de hoofdrol James Dean. Hij schrijft moeilijke, maar geen ondoordringbare poëzie, van een zeer agressieve soort. Zijn gedichten zijn lange, smalle woordlinten, waarin schuttingtaal, scheldwoorden en wanhoopskreten in een soort house-dreun over de lezer wordt uitgestort. Dat er in zijn spraak- en braakwaterval allerhande angsten bezworen worden lijkt wel zeker. Hij gooit, zoals het in zijn onlangs verschenen tweede bundel 'Van de Hak en de Tak' heet, “de hele gore zooi (er)uit/ tot de laatste adem / dood op het veld ligt / uitgestrekt en braak.” Ik weet eerlijk gezegd nog niet goed wat ik van deze rauwe en furieuze poëzie moet vinden. Het is geschreeuw dat uit een totaal andere wereld lijkt te komen dan de geserreerde, nuchter-bevlogen subtiliteiten van bijvoorbeeld Willem van Toorn. En tegelijk voel je dat het nog iets meer is dan dat. Maar wat? Ik hoop daar later in een aparte bespreking van zijn tweede bundel nog achter te komen.

Met Anna Enquist zijn we terug in traditioneler vaarwater. Haar debuut 'Soldatenliederen' uit 1991 is, meen ik, zes keer herdrukt, terwijl ook de twee bundels die zij daarna schreef enkele herdrukken beleefden. Zij schrijft weerbarstige, weerbare maar ook gevoelige gedichten over de harde feiten van het leven: afscheid, teloorgang, dood. Naar de vorm zijn het rustige, regelmatig gestrofeerde woordschilderijen, maar daarbinnen broeit en bruist en brult het. Zij schrijft poëzie van het innerlijk verzet die, hoewel haar gedichten lang niet altijd gemakkelijk zijn, door een groter publiek kennelijk als essentieel en existentieel is herkend. Haar werk werd aanvankelijk door de kritiek met klaroengeschal binnengehaald, maar haar laatste bundel kreeg ook een paar uitgesproken negatieve kritieken. Men verweet haar vooral haar overstatement, het pathetische gebaar, het al te heftige taalgebruik. Ik zal niet ontkennen dat deze elementen in haar werk aanwijsbaar zijn, juist iets toe te voegen dat ze ook meteen voortreffelijk maakt. Dat zij overigens ook zonder grote woorden goed uit de voeten kan bewijst het volgende korte gedicht 'Winterdag' uit haar laatste bundel 'Een nieuw afscheid':

Mijn zoon was zeven jaar; zijn schaatsen waren veel te groot. Wij zagen vissen en een kikker onder ijs, suisden langs riet, langs elf verzonnen steden, aten bevroren chocola en zaten op de wal. Wij vonden in het veen een potscherf. Heel de wereld lag helder en droog aan onze voeten.

Dit overzicht moet als gezegd onvolledig blijven. Er is met geen woord gesproken over de gestrenge Maria van Daalen, de lispelende Herman Leenders, de degelijke Margreet Schouwenaar, de geparfumeerde Peter Ghyssaert, de klassieke Hester Knibbe, de slaperige Serge van Duijnhoven, de clevere Joke van Leeuwen, de brave L. F. Rosen, de interessante Antoine Uitdehaag, de blije Peter van Lier, de sobere Theo Verhaar, de huiselijke Bernard Dewulf, de maximale Arthur Lava. En ook deze opsomming is bij lange na niet volledig. Over de oude en middelbare garde hebben we het helemaal niet gehad.

Hoewel? Willem van Toorn dus. Hij lijkt misschien een willekeurig ijkpunt, maar is dat toch niet. Van Toorn is de typische representant van een grof gezegd beschouwelijke, redelijk vormvaste, ernstige en concieze dichtersgeneratie die in de jaren zeventig en tachtig de toon heeft gezet. Géén stroming, laat staan een dominante, maar wel een duidelijke trend. Daartegenover is de nieuwe lichting die hierboven aan bod is gekomen bepaald spontaner, baldadiger, 'gekker', emotioneler en rumoeriger te noemen. Ik generaliseer schaamteloos en besef heel goed dat er talloze uitzonderingen zijn op dit generatiemodel. Er zijn genoeg baldadige, spontane en gekke ouderen (Ouwens, Ter Balkt, Harten etc.) en ook heel wat beschouwelijke en vormvaste jongeren (Dewulf, Leenders, Hester Knibbe e.a.). Ook is de 'spontaniteit' van jongeren vaak bedachtzamer in elkaar gezet dat het lijkt en put de 'bedachtzaamheid' van de ouderen veelal uit een spontaan klaterende ondergrondse bron. Maar in grote lijnen durf ik dit schema tot nader order wel overeind te houden; een criticus zit nu eenmaal graag met zijn vingers aan de etiketteermachine.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden