Hermans maakte mij schrijver

Deze week verscheen Willem Otterspeers biografie van W.F. Hermans. Volgens Thomas Heerma van Voss (23) lezen zijn generatiegenoten Hermans' romans nauwelijks meer. Hij legt uit wat ze missen. 'Zonder zijn werk zou ik nooit zijn gaan schrijven, of veel later.'

Thomas Heerma van Voss (1990) is schrijver. In 2009 debuteerde hij met 'De Allestafel'. In april 2013 verscheen zijn tweede roman, 'Stern'.

De portier is een invalide. Het zijn de beroemde eerste woorden uit 'Nooit meer slapen' (1966), een verhaal over de 25-jarige geologiestudent Alfred Issendorf, die naar Noorwegen is getrokken voor promotieonderzoek. Al gauw blijkt dat er van dat onderzoek weinig terecht zal komen: Issendorf raakt steeds meer bevangen door de hitte, heeft eigenlijk geen idee in welk gebied hij moet zijn, verstaat vrijwel niets van wat de mensen om hem heen zeggen, en keert uiteindelijk uitgeput en gedesillusioneerd terug naar Nederland. En eigenlijk is die hele tragedie al voelbaar in de eerste zin. De portier, Issendorfs eerste contact met Noorwegen, in zekere zin de poortwachter van zijn hele avontuur, is fysiek gezien gebrekkig - blind, zo blijkt een paar regels later. Ofwel: hij ziet Issendorf niet, er blijft dus een onoverbrugbare afstand bestaan tussen de Noorse portier en de ongeziene, inwisselbare Nederlandse student.

Het is natuurlijk niet voor niets dat Hermans van alle personages uitgerekend deze man blind laat zijn. Zelf omschreef hij zijn literaire universum als een wereld waar 'geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft' - een beeld dat in reflecties op Hermans' werk uitentreuren herhaald wordt, terwijl het niet zo interessant is. Want laten we eerlijk zijn, welke auteur laat nou werkelijk zonder reden een mus van het dak vallen?

Het krachtige aan Hermans' werk is niet dat hij een wereld beschrijft waarin alles een gevolg heeft, zijn kracht ligt in de kernachtige, tot op het bot uitgebeende en paradoxaal genoeg tegelijk rijke manier waarop hij die wereld vorm geeft.

Die portier van de openingszin, je weet niet meteen van hem dat hij indirect verband houdt met de rest van de roman. Hij is namelijk ook een gewoon personage - een gemankeerde man bij een deur, niets geks aan. En op die manier kan naar vrijwel al Hermans' werk worden gekeken: het zit vol met vooruitwijzingen, terugblikken en gelaagdheid, zeker ook op freudiaans niveau, maar de rode draad wordt nooit uit het oog verloren. Als je wilt, kun je zijn romans gewoon als spannende, bevreemdende verhalen lezen. De dubbele lagen of symbolen staan nooit in de weg van de rode draad. Er zijn geen raven die onheil voorspellen, geen grote spiegels die opstapjes vormen voor zelfreflectie. Nee, bij Hermans gaat het juist om het kleine, uiterst subtiele detail, dat vaak pas bij herlezing opvalt - een haperend kompas dat naderende desoriëntatie voorspelt, opmerkingen die aan het eind van de roman dubbelzinniger blijken dan aanvankelijk vermoed.

Eveneens uit het begin van 'Nooit meer slapen', als Issendorfs expeditie op het punt staat werkelijk te beginnen: "Pas een uur later ben ik in het hotel terug en het is nog altijd geen avond. Op mijn kamer bestel ik een whisky. Sorry sir, dat mogen wij niet doen." Drie zinnen, zonder benoemde gevoelens of ingewikkelde zinsconstructies, en er wordt een hele wereld mee opgeroepen - eentje van desillusie, eenzaamheid, een wereld waarin zelfs de verdoving van alcohol niet meer voorhanden is.

Jaloersmakend, zoals Hermans zijn verhaal met zulke efficiënte, schrijnende zinnen voortstuwt, iedere bladzijde opnieuw. Alsof je, al lezende, geleidelijk omsingeld wordt door de zinnen, een taalkundige insluiting die je genadeloos meevoert naar de onvermijdelijke afgrond. Ook als Hermans een filosofisch zijpad inslaat, blijft de hoofdlijn altijd zichtbaar - het wordt nooit een intellectuele kruiswoordpuzzel, de gedachten staan in dienst van het verhaal. Dat maakt hem ook fundamenteel anders dan veel andere Nederlandse auteurs. Waar bijvoorbeeld Mulisch en Nooteboom de wereld met hun proza juist groter proberen te maken, en veelvuldig schrijven over het universele, over kosmische verbanden en tijdloze mechanismen, gaat Hermans juist steeds dieper in op het individu, op het kleinste leed dat toch het persoonlijke ontstijgt. En nooit probeert hij - in tegenstelling tot voornoemde auteurs - met kennis te pronken: zijn wijsheden zitten verstopt in bijzinnen en kleine observaties.

Voor mij persoonlijk is Hermans zonder twijfel de belangrijkste schrijver aller tijden.

Hij was degene die mij als verveelde zestienjarige liet inzien hoeveel er mogelijk was met literatuur.

Tot die tijd had ik al wel romans gelezen - Reve, Claus, Boon, maar die gingen vrijwel anoniem langs me heen. En toen las ik 'Nooit meer slapen'. Een roman die me overrompelde. Er school een existentiële leegte in, een gevoel van verdoemenis dat tot aan de slotzin blijft, maar alleen onder de oppervlakte: de roman zelf bestaat hoofdzakelijk uit compacte, observerende zinnen, die me steeds opnieuw dwongen naar de volgende pagina te gaan. Alsof deze roman speciaal voor mij geschreven was, alsof Hermans in de jaren zestig al wist dat ik, uitgerekend ik, ooit zijn werk zou bestuderen en al snel daarna zelf zou gaan schrijven.

Onafwendbaarheid. Dat is het eerste woord dat me te binnen schiet om het werk te typeren, en ook wat mij persoonlijk zo in Hermans' schrijven aanspreekt: de manier waarop hij zijn hoofdpersonages keer op keer bij de hand neemt en een pad van illusieloosheid en ontgoocheling opstuurt. In dat opzicht is hij voor mij een literair ideaal. De onafwendbaarheid is in zijn werk tot een kunst verheven. Zodra hij schrijft, denk je: het kan niet anders, dit is de enige manier waarop het verhaal zich kan ontvouwen - en dat getuigt van een stijlbeheersing en doordachtheid die ik in mijn eigen werk altijd nastreef. Vroeg of laat dient het noodlot zich aan, en Hermans' hoofdpersonen kunnen niet anders dan erin meegaan. Maar tegelijk zijn ze nooit zomaar een schlemiel, eerder een slachtoffer - zelden wordt helemaal duidelijk wie er nou echt gek en onbetrouwbaar is, de buitenwereld of de hoofdfiguren zelf - zoals ook prachtig wordt geïllustreerd in 'Paranoia' (1953), een van de beste Nederlandse verhalenbundels die ik ken.

Er zijn mensen die Hermans' werk eenzijdig vinden. Te veel desillusie, te weinig variatie qua plotopbouw en hoofdpersonen. De schrijver Oek de Jong zei, tijdens de Frans Kellendonk-lezing van 1998: "Er is geen balans tussen hemel en hel, engelen en monsters, licht en donker, de mannelijke en de vrouwelijke wereld, de verstandelijke en de gevoelsmatige benadering van de dingen." Volgens mij had het woord 'balans' daar geschrapt kunnen worden: als Hermans de lezer iets duidelijk maakt, is het dat goed en fout holle termen zijn, eerder gevolgen van afspraken en overleving dan van intrinsieke waarden. En nee, hij was geen schrijver die zichzelf bij ieder boek opnieuw probeerde uit te vinden - wat ik sowieso een gevaarlijke houding vind, krampachtig zoeken naar literaire verandering - maar zijn werk wordt nooit een herhalingsoefening. Nog even daargelaten dat hij tal van messcherpe essays en bij vlagen ronkende polemieken schreef, verschillen zijn romans onderling genoeg, wat betreft setting, ontwikkeling, climax.

De overeenkomst is de scherpzinnige, compacte toon, die stimuleerde mij als puber me nader in literatuur te verdiepen, die probeer ik in mijn eigen werk ook te hebben. Als ik vastzit bij het schrijven van een roman, een verhaal of zelfs een artikel, loop ik regelmatig naar mijn boekenkast en trek er een werk van Hermans uit. Meer dan een halve bladzijde lees ik meestal niet. Het gaat op zulke momenten niet om de inhoud, maar om het ritme, de toon, de onontkoombaar dwingende manier waarop het verhaal verteld wordt. Ik ken geen enkele andere auteur die met zoveel precisie en empathie een gedoemd personage kan volgen, een hele roman lang.

Toch merk ik dat Hermans steeds minder een rol van betekenis speelt. De afgelopen jaren studeerde ik Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij incidenteel werd behandeld. Leeftijdgenoten lezen zijn werk nauwelijks nog. Onder collega-auteurs valt zijn naam weinig, terwijl bijna iedereen, in het huidige aanbod van middelmaat, veel van hem zou kunnen leren. In Nederland wordt sowieso - initiatieven als Nederland Leest of het Letterkundig Museum daargelaten - relatief weinig aandacht besteed aan de eigen literaire geschiedenis. Dat is altijd al zo geweest: toen in Frankrijk en Duitsland begin negentiende eeuw al tig heruitgaven van oude teksten verschenen, beschouwden Nederlanders historische literatuur als overbodig, hooguit interessant voor taalkundig onderzoek.

Ook tegenwoordig worden, op kortstondige aandachtsgolven voor bijvoorbeeld Couperus of Carmiggelt na, oude werken weinig gelezen.

Is dat erg? Soms allerminst. Dan blijkt de tijd een zeldzaam efficiënt filter om kortstondig succesvolle middelmaat voorgoed naar de anonimiteit te verbannen. Maar zo'n filter werkt alleen als andere schrijvers juist wel herinnerd worden - en Hermans is zo'n auteur die dat verdient. Niet vanwege één boek, maar vanwege zijn hele oeuvre.

Zijn romans zijn actueler en dwingender dan veel van de boeken die tegenwoordig verschijnen. Vermoedelijk zou ik zonder zijn werk nooit zijn gaan schrijven, of in elk geval pas vele jaren later. Als ik iets van hem heb geleerd, is het dat de krachtigste dingen gezegd kunnen worden in compacte, heldere taal. Dat literatuur niet per se draait om beeldspraak of ingewikkelde zinsconstructies.

Hoe meer je je in zijn werk verdiept, hoe meer blinde portiers je tegenkomt. Hermans zoomt in, ieder verhaal opnieuw, voorbij de haperende interacties, voorbij de onbetrouwbare omgeving, voorbij de barmedewerker die geen alcohol mag serveren, net zolang tot er maar één individu overblijft, zoals wij dat uiteindelijk allemaal zijn: alleen in een wereld die we nooit helemaal kunnen doorgronden.

De recensie van Otterspeers Hermansbiografie 'De mislukkingskunstenaar' staat op pagina 32

Thomas Heerma van Voss:
"Bijna alles wat je leest beïnvloedt je, maar niemand heeft mij zo geïnspireerd als Hermans. Zonder hem had ik onderstaande passages uit mijn roman 'Stern' - die ik absoluut niet op één lijn wil stellen met werk van Hermans zelf - nooit zo kunnen schrijven."

Hij kocht een camera. Een grote, rechthoekige Polaroid. Tijdens zijn wandelingen vroeg hij aan passanten of ze hem wilden fotograferen. De meesten liepen gehaast verder, krant onder de arm, aktetas in de ene en paraplu in de andere hand. Maar uiteindelijk was er altijd wel iemand bereid mee te werken. (...) Door heel Londen liet Hugo zich vastleggen. Zolang het er maar druk was en er geen toeristen door het beeld liepen. De foto's hing hij op een prikbord in zijn kamer. En iedere ochtend keek hij er ingespannen naar, soms vijf minuten, vaak langer. Dit waren geen onbeduidende straten in een willekeurig dorp. Dit waren typische plekken voor een metropool.

¿

Afhankelijkheid was toch een vorm van zwakte, dat begreep hij inmiddels. Je hechten betekende: je verdediging laten gaan. En dus besloot hij voortaan te zwijgen. Zijn verhalen zou hij voor zich houden, tot iemand het vertrouwen echt waard was, tot hij zeker wist: nu gaat het allemaal losbarsten. Tegen medestudenten zou hij alleen het hoogstnoodzakelijke zeggen. Wanneer ze hem weer eens iets oppervlakkigs vroegen, zou hij beleefd antwoorden, maar hij zou geen wedervraag stellen, en als hij onverhoopt werd uitgenodigd voor een feest of een kop koffie, was het zaak een smoes te verzinnen of binnen vijf minuten te vertrekken. Kennelijk was dit de manier waarop hij het best functioneerde. Niets verwachten, dan kon er tenminste ook niets meer tegenvallen.

¿

Op de achtergrond begint de omroepster weer te praten. Stern hoort haar woorden niet, alleen haar stem, die geleidelijk opgaat in het geroezemoes om hem heen. Links, rechts, overal gebeurt hetzelfde. Vliegtuigen vertrekken, vliegtuigen landen, mensen nemen afscheid of komen samen, en Stern kijkt en kijkt, wachtend op wendingen die niet zullen plaatsvinden, tranen die niet zullen komen, levenslopen die hij niet meer kan volgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden