Herman Pleij 'Mijn spontaniteit is goed voorbereid'

Herman Pleij (Hilversum, 1943) is emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde. Op 6 juli is hij te zien op het festival De Wereld Draait Buiten, dit najaar verschijnt zijn boek over Hollandse mentaliteiten.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Ik weet niet waartoe we hier op aarde zijn; ik ben er vooral in geïnteresseerd hoe ánderen omgaan met die vraag. Het is dus in feite mijn fascinatie voor iets waar ik zelf geen raad mee weet."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Het eerste hoofdstuk van het boek dat ik net heb voltooid gaat over kapsones, over verbeelding, en hoe sterk dit in Nederland leeft. Wij houden niet van hiërarchie. Als je hier een hoge positie hebt bereikt, dan geef je al snel blijk van verbeelding. Wie denk je dat je bent? Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg! Het intrigeerde mij al langere tijd: hoe kan het dat een gewoon woord - iets in beeldvorm overbrengen - zo'n bijbetekenis heeft gekregen? En waarom alleen in Nederland? Ik volgde het spoor terug en kwam uit bij middeleeuwse teksten van moderne devoten die allemaal inhaakten op dit gebod - ook Ruusbroec (Jan van Ruusbroec of Ruysbroeck, mysticus, 1293-1381, AV) maakte die verbinding al - waardoor de verbeelding niet alleen het omzetten in beelden, maar ook de betekenis van ijdelheid, vanitas, hoogmoed heeft gekregen. Kapsones dus. Die kan je maar beter niet hebben.

Natuurlijk denk ik daar ook zo over. Dat is zo'n grappig misverstand: mensen denken vaak dat ik op grote afstand sta van de Hollandse mentaliteiten - poldermodel, oranjegevoel - die ik beschrijf, maar ik sta er middenin. Ik kijk de kat uit de boom, ik ben down to earth en ik verbeeld me niks. Ja, nou, goed, als ik word aangekondigd als de man die ooit een scriptie over carnaval heeft geschreven, wil ik dat wel even rechtzetten: het was een proefschrift, 'Het gilde van de Blauwe Schuit, literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen', zó'n dik boek dat in 1979 werd uitgegeven. Maar over het algemeen kan ik wel lachen om de manier waarop ze soms van alles op een hoop gooien. Soms noemen ze een titel van een boek dat nog nooit is verschenen of wordt het werk van Johan Huizinga of Frits van Oostrom aan mij toegeschreven.

Misschien ga ik nog eens een essay schrijven over de aankondigingen die ik in de afgelopen dertig jaar voorbij heb horen komen. 'Dames en heren, wij zijn buitengewoon trots dat hij vanavond in ons midden is, bereid om helemaal hiernaartoe te komen, we kennen hem natuurlijk allemaal, van de radio en van de televisie waar hij niet weg te slaan is, een naam die op ieders lippen ligt, ik presenteer u... professor... Herman van der Plein!'"

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Een paar maanden geleden werd ik gevraagd een feestrede te houden ter ere van het zoveel jarig bestaan van een categoraal gymnasium in Gorinchem. Ze hebben er een zeer gemengd publiek: zowel rijke, moderne westerlingen uit vrijgevochten milieus, als mensen uit de Bible-belt, maar dat hadden ze me van te voren niet verteld. 's Middags had ik voor de leerlingen al flink uitgepakt, 's avonds sprak ik voor de ouders. Niet spottend of zo, maar wel met speelse verbindingen tussen heden en verleden. Na afloop kwam er een stel naar me toe. Zeer klassiek, bijna Amish-achtig gekleed, enfin, keurige mensen, die me vertelden dat ze veel hadden opgestoken van mijn verhaal, complimenten, maar dat ze toch wilden weten waarom ik de naam van de Here zo vaak had gebruikt. Ik zei al bijna: 'God, daar heb ik helemaal niet over nagedacht!' maar ik hield me op tijd in.

Het raakte me ook oprecht. Als het vulgaire, onnadenkende types waren geweest, had ik het me waarschijnlijk minder aangetrokken, maar nu kon ik niets anders dan mijn excuses aanbieden. Ik vind het moeilijk te begrijpen dat ik mensen op die manier pijn kan doen, maar wil er graag rekening mee houden. Daar heb ik helemaal geen moeite mee."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Ik ben een moralist, maar ik waak ervoor dat expliciet te laten blijken. Dus: ik vind dat mensen enorm hun best moeten doen, maar ik ben de eerste om iemand te prijzen die zijn leven zo inricht dat hij minimaal arbeid verricht en maximaal genot uit zijn leven haalt. Ik heb, op een of andere manier, toch nog iets meegekregen van de streng gereformeerde achtergrond van mijn vader want ik werk, altijd, ontzettend hard. Terwijl ik dat eigenlijk helemaal niet wil. Wat ik echt wil, is lezen. Fictie, voor mijn plezier. Ik heb enorme stapels boeken liggen en ik weet precies welke route ik wil nemen van het ene naar het andere boek. Het probleem is echter dat ik vind dat ik er eerst hard voor moet werken. Anders kan ik niet van mijn beloning genieten. Hoe harder ik werk, des te groter de beloning. Maar doordat ik zo hard werk... enfin, je begrijpt het al, kom ik nauwelijks aan die beloning toe."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader verliet Twente en trok naar het westen. Zeggen dat hij met het geloof brak klinkt iets te zwaar, maar hij kon in elk geval niet omgaan met de beperkingen die hem daar werden opgelegd. Hij kon zich niet ontplooien, daar komt het op neer. Het waren de crisisjaren, maar hij vond toch werk in een fabriek in Hilversum, ging in pension en trouwde met de dochter van de pensionhoudster: mijn moeder. Zij was van katholieke afkomst, maar deed er helemaal niets meer mee. Ze werden samen een soort roze socialisten. Toch hebben ze mijn zusje en mij (ik werd in de oorlog geboren, zij kort erna) naar zondagsschool laten gaan. 'Die verhalen,' zei mijn vader, 'moet je kennen.'

En inderdaad, het waren mooie oude verhalen die door een dominee, met gebruik van zo'n vilten doek waarop hij Jozef en kamelen kon plakken, aan ons werden doorgegeven. Ik hield van die bijbellessen, ik was een leergierig kind. Ik wou zoveel mogelijk weten, in het wilde weg. Mijn ouders waren niet geletterd, we hadden alleen een encyclopedie in huis, en ze hadden een enorm ontzag voor mijn honger naar kennis. Toen ik naar een middelbare school moest, vroegen ze het hoofd van de lagere school om raad; ze hadden er geen idee van hoe dat allemaal in zijn werk ging. Dankzij een beurs, daar kwam ik pas later achter, kon ik naar een lyceum waar vooral rijkeluiskinderen uit Blaricum en Laren naartoe gingen.

Ik maakte kennis met een nieuwe wereld. Wij woonden met twee gezinnen in één twee-onder-één-kap-woning, over het spoor. We hadden geen auto, geen telefoon. Mijn schoolgenoten hadden al die luxe wel, ze gaven feesten, gingen naar hockey of uit eten in chique restaurants. Ik vond het enig, dat hele nieuwe milieu bevorderde mijn nieuwsgierigheid enorm.

Ik kan mij geen ongemakkelijkheid herinneren. Ook niet toen ik erachter kwam dat ik voor de schoolreis naar Trier als enige geen vijftig gulden hoefde mee te brengen, omdat alles voor mij werd betaald. Ik maakte er zelfs grappen over. Ik voelde me als een vis in het water. Misschien hebben mijn ouders zich wél geschaamd, daar heb ik geen herinnering aan. Ze waren heel lief, empathische knuffelouders, iets wat in die tijd helemaal niet zo vanzelf sprak. We werden verwend, als kinderen. Niet in materiële zin, maar wel met aandacht en liefde. Misschien kon ik me daarom ook zo makkelijk aanpassen op die school en in andere milieus; ik had totaal geen last van argwaan.

Mijn moeder is oud geworden, 86, maar mijn vader is vrij plotseling, op zijn 73ste verjaardag, overleden. De hele familie was erbij. Ineens zakte hij in elkaar. Er was vrij snel een dokter bij, een jonge vent nog, die ontzettend geëmotioneerd raakte - wat ik wel fijn vond; dat móest wel een goede arts worden later - en die mij onmiddellijk betrok bij wat er gebeurde. 'We kunnen niets meer doen,' zei hij, 'maar kijk, je kunt zien dat je vader nu rustiger wordt.'

Hij had angina pectoris, iets wat hij al heel lang wist en waarover hij ook wel eens met zijn huisarts had gesproken, maar hij had het voor ons volkomen verborgen gehouden. Daar zag je die gereformeerde mentaliteit terug: ten eerste heeft hij zich letterlijk doodgewerkt - hij had zich van de fabriek opgewerkt tot vertegenwoordiger bij een drukkerij, maar was alleen op zaterdagmiddag en op zondag vrij - en hij vond ook dat je niet met je ziektes of je zwakke kanten te koop mocht lopen. Niet klagen, maar dragen en bidden om kracht, ja.

Als hij dit zou kunnen lezen, zou hij zich er onmiddellijk van distantiëren maar in wezen was dat het, exact. Ik bedoel: je kunt wel afstand nemen van zo'n kerk, maar bepaalde mentaliteiten, daar kom je nooit vanaf."

VI Gij zult niet doodslaan

"Ik bezie met argusogen de acties die deze tijd worden gevoerd om de slachtoffers van een misdrijf inbreng te geven bij de rechtsgang want hoe begrijpelijk ook - als iemand mijn dochter verkracht, zal ik hem ook doodslaan - het is toch gevaarlijk, verkeerd om zelf wraak te nemen. Het is een van de verworvenheden van onze moderne rechtsstaat is dat doodslag en vergelding geanonimiseerd zijn, in een rechtssysteem zijn ondergebracht en dat er niet door, maar namens ons gewroken wordt."

VII Gij zult niet echtbreken

"Mijn vrouw en ik zijn al zo'n 45 jaar samen, geloof ik. We hebben de roerige jaren zeventig overleefd waarin alle instituten, ook het huwelijk, ter discussie werden gesteld. Als het tussen ons even niet zo lekker liep, gingen we daar nogal pragmatisch mee om. De oplossing was meestal een feest; ik kan me herinneren dat we altijd wel ergens een feestje hadden. Als ik nu de vrienden en vriendinnen van onze kinderen hoor - volgens mij zijn er zo langzamerhand meer mensen van die generatie gescheiden dan getrouwd - voel ik me een naiëveling die zijn mogelijke relatieproblemen domweg uit de weg is gegaan. Zij gaan niet zomaar uit elkaar, nee, ze komen met goed gedocumenteerde betogen over wat er misging in hun relatie. Ze lijken in die zin volwassener dan wij destijds, maar schrikbarend blijft het, vooral omdat er vaak kleine kinderen bij betrokken zijn voor wie een echtscheiding altijd de grootste opdonder is."

VIII Gij zult niet stelen

"Ik durf helemaal niet te stelen. Dat komt, denk ik, doordat ik het ontzettend vervelend vind om betrapt te worden. Ik wil niet in situaties terechtkomen die ik niet kan beheersen of overzien. Wist je trouwens dat men in de katholieke kerk tot in de twintigste eeuw tégen lachen was? Ik heb het teruggevonden in de reglementen van de nonnen. Het was namelijk een truc van de duivel: zodra je de slappe lach krijgt, wordt hij jou de baas. Dat concept begrijp ik heel goed. Controleverlies. Mensen denken vaak dat ik nauwelijks dingen voorbereid, wat ik op zich wel een compliment vind, maar het tegendeel is waar. Ik denk lang na voordat ik iets opschrijf. Ik ben ook geen spontane spreker. Die spontaniteit is voorbereid. Jazeker, dat kan. Alles om te voorkomen dat ik onaangenaam word verrast."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Eerlijkheid en waarheid zijn van die containerbegrippen; praktisch onhanteerbaar. Ik zal over essentiële dingen niet liegen, maar ik sta ook bekend als iemand die heel erg kan overdrijven. Soms weten mensen, door mijn ene luie oog, niet goed waar ze aan toe zijn. Ik kan iemand niet langdurig aankijken. Ik krijg een dubbel beeld. Met mijn linkeroog zie ik nu één hoofd scherp, maar met dat wegwapperende oog zie ik de vage contouren van dat andere hoofd. Tegen mijn studenten zei ik altijd al: 'Ik bedoel degene die naast jou zit.' Ik heb er zelf geen last van. En volgens mij is het wel duidelijk dat ik niemands blik probeer te ontwijken, maar dat er gewoon sprake is van een technisch mankement."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"We hadden heel weinig thuis, maar het heeft me nergens aan ontbroken. Ik heb op het vlak van materie nooit enige jaloezie ontwikkeld, maar wat eigenschappen betreft moet ik eerlijk zeggen dat ik weleens mensen benijd die makkelijk contact leggen. Mijn vrouw spant, wat dat betreft, de kroon. Ze weet op een volkomen natuurlijke manier, op de juiste momenten, aandacht aan anderen te besteden. Ik wil liever niet gestoord worden. Dat had ik vroeger al. Om mezelf tegen de eenzaamheid te beschermen, werd ik lid van allerlei clubs, maar áls ik dan mee ging doen, werd ik al snel de aanvoerder waardoor ik alsnog in een positie kwam waarin ik me afzijdig kon houden, leiders hebben zelden vrienden. Ik vermoed dat ik mijn vrouw op haar contactuele eigenschappen heb uitgekozen; ik had haar nodig, ik sloot mezelf te veel op. Ze houdt mij erbij. Ik weet wel hoe het moet hoor, ik beheers de theorie, maar in de praktijk vind ik het best moeilijk om contacten te onderhouden. Mensen denken dat ik een leuke, gezellige man ben, maar in feite ben ik helemaal niet zo sociaal. Ik doe wel mee, maar intussen bedenk ik hoe lang ik nog moet wachten voor ik er met goed fatsoen tussen uit kan piepen om lekker een eindje te fietsen. Alleen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden