Herman Bianchi

Herman (Thomas) Bianchi (Rotterdam, 1924) is schrijver, dichter en emeritus hoogleraar criminologie. In 1994 schreef hij ’Justice as Sanctuary: Toward a New System of Crime Control’ waarin hij, onder andere, zijn bezwaren tegen het hedendaags strafrecht uiteenzette. Sinds zijn pensionering wijdt Bianchi zich aan ’de schone letteren’ en mystiek en publiceert hij gedichten onder een nieuwe voornaam – Thomas.

Foto Mark Kohn.

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Laatst ben ik bij de promotie geweest van een vriend die een proefschrift schreef over de ’Amplexio Dei’; de omarming Gods. Daar hebben middeleeuwse vrouwelijke mystici vaak over gemediteerd, soms zelfs in erotische termen: met God naar bed gaan, in zijn armen liggen, ga zo maar door. Mannelijke mystici mediteerden eerder over de ’Ambulatio Dei’: het wandelen met God. Mozes wandelde met God. Henoch wandelde met God. Elia en Jesaja wandelden met God. Ik herinner mij die teksten uit de Bijbel letterlijk. Dat wilde ik ook wel: wandelen met God, als met een goede vriend. Ik kan er inmiddels verstandiger over praten, maar het gevoel van toen is gebleven: God, mijn vriend. Ja, ik was een vrome jongen, hoor. In mijn familie was het bepaald geen gebruik om kinderen naar een gymnasium te sturen, maar mijn moeder – die een goed gereformeerde vrouw was – vond het zo mooi dat haar zoon op tien-, elfjarige leeftijd over die zaken nadacht, dat ze ervan overtuigd raakte dat ik dominee moest worden. De bovenmeester zei: ’Ja, ’t is een intelligent jongetje, laten we hem naar het gym doen’. Zo kwam ik, na de gereformeerde kleuterschool en de gereformeerde lagere school, uiteindelijk bij het gereformeerde Marnixgymnasium terecht. Ik leefde heel christelijk, maar keerde me af van de kerk – hoe dat kwam, zal ik zo zeggen. Eerst moet ik iets anders vertellen: de oorlog brak uit en ik bracht, voor een vriend uit het verzet, pakjes met de trein naar Amsterdam. Ik wist niet wat erin zat, ik wist helemaal niets. Ik deed het omdat ik het wel leuk vond: even met de trein heen en weer. Bovendien hadden die verzetslui altijd lekker eten. Het was 1944 en je begrijpt: ik had wel zin in bruine bonen met spek. Ik had het al een paar keer gedaan toen ik op een avond niet meer terugkon naar Rotterdam. Er was iemand doodgeschoten en ze vonden het beter als ik in Amsterdam bleef slapen. Die nacht is het huis overvallen. Iedereen werd meegenomen. Geen van de mensen van toen heb ik ooit nog teruggezien. Ik werd naar de Euterpestraat in Amsterdam – de huidige Gerrit van der Veenstraat – gebracht. Daar werd ik in de kelders van het schoolgebouw ondervraagd door een SS’er, die zei: ‘Du werdest Pein haben, mein Lieber’. Maar ik wist echt niets, dat hadden ze wel in de gaten. Ik werd naar de gevangenis in de Havenstraat overgebracht – met z’n achten in één cel – en twee maanden later in het concentratiekamp van Amersfoort opgesloten. Steeds hoorde ik: ’Je gaat naar Dachau!’ maar er gebeurde niets. Achteraf denk ik: er was gewoon een beschermengel, dat kán niet anders. Toen het kamp werd leeggemaakt, lag ik in de ziekenzaal. Een van de twee doktoren, een door God gezonden man, schreef in mijn dossier dat ik van alles mankeerde: tbc, tyfus, noem maar op. In werkelijkheid leed ik aan dysenterie. Ik was helemaal uitgeteerd, zodat het me zelfs niet lukte het slechte eten binnen te houden. Afijn, toen het Zweedse Rode Kruis de ernstig zieken weg mocht halen, zat ik erbij. Zo ben ik aan de dood ontsnapt.

Na de oorlog* tja, enkele jaren na de oorlog had ik nog altijd het gevoel dat ik mij beter uit de wereld terug kon trekken. Ik ben zelfs ter kennismaking naar het klooster in Egmond gegaan, maar mijn peetvader, Piet Meertens, die ik eerder had leren kennen – onthoud dat ik daar straks op terugkom – raadde mij dit ten strengste af. Hij zei: ’Dat moet je niet doen. Jij bent voorbestemd om hoogleraar te worden.’ Ik ben dus niet ingetreden, maar het verlangen om mij bij de R.K. moederkerk aan te sluiten is nooit verdwenen. Een jaar of vijf geleden is het er dan toch eindelijk van gekomen. Ik ben naar de jezuïeten gegaan. Ze hebben iemand aangewezen om mij te begeleiden – een leeftijdgenoot met wie ik inmiddels zeer bevriend ben geraakt – die na een paar weken al zei: ’Die vorming heb je helemaal niet nodig, je weet veel meer dan ik!’ Een paar weken later kreeg ik het vormsel en werd ik eindelijk katholiek.”

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Nog niet zo lang geleden vroeg een jongeman die katholiek wilde worden of ik hem kon helpen. Zijn ouders waren niet religieus en ze begrepen niets van zijn verlangen. Op een dag schreef hij mij een brief waarin hij verschrikkelijk tekeer ging tegen zijn vader. ’Goddomme’, schreef hij, ’mijn vader móet met mij praten!’ Die brief maakte mij razend. Ik schreef hem terug dat hij de naam van God ijdellijk had gebruikt en dat hij Hem om vergeving moest smeken. Weet je wat ik het ergst vond? Dat hij zo over zijn vader had geschreven. Eer uw vader en uw moeder. Je móet met elkaar blijven omgaan. Misschien op afstand, omdat de relatie niet goed is, maar je móet je als zoon toch de mindere tonen.”

Gij zult de dag des heren heiligen

„O, maar ik contempleer de hele week. Daar heb ik de zondag niet voor nodig. Ik heb in de tuin van mijn huis in Friesland een meditatiekluis laten neerzetten – zo’n klein houten huis dat je tegenwoordig bij het Tuincentrum kunt kopen. Daar heb ik tien boeken neergezet. Zo hoort dat. Spinoza had ook tien boeken. Dante, natuurlijk, maar ook de Bijbel en de Koran en* ja, weet je welk boek er ook staat? ’The Pilgrim’s Progress’ van John Bunyan. Zo calvinistisch als wat. Ik mag dan katholiek zijn geworden, maar verhalen over het smalle en het brede pad spreken mij nog altijd aan.”

Eer uw vader en uw moeder

„Nu zal ik je iets over die gereformeerden vertellen. Mijn moeder was, zoals ik je zei, goed gereformeerd. Niet Kuyperiaans hoor, o God nee, ze kon er goed mee leven dat mijn vader katholiek was. Ze hadden vaak ruzie, maar nooit over het geloof. Mijn vader was een vrolijke Frans die naar andere vrouwen keek en ermee naar bed ging ook. Als hij weer eens wegbleef van huis, nam mijn moeder mij mee naar Rotterdam – die gevaarlijke, zondige stad – om hem te zoeken. Uiteindelijk vonden we hem meestal in een of ander danscafé in de armen van een vreemde vrouw. Mijn moeder liep dan op hem af en riep: ’Dit is mijn echtgenoot, hij zit hier met een ander!’ Waarop de kroegbaas mijn vader snel verzocht op te stappen omdat hij geen stennis wilde in zijn zaak. Na een paar keer weigerde ik nog met haar mee te gaan. Ik vond het vreselijk, vreselijk!

Op een dag kwamen er een paar ouderlingen op bezoek. Mijn moeder vertelde hun over de problemen in haar huwelijk en hoorde hen toen, tot haar ontzetting, zeggen dat ze niet langer mocht aanzitten aan het Heilig Avondmaal. Die vrouw heeft daar verschrikkelijk onder geleden. Uit protest is ze naar de kerk gegaan om zich links en rechts te laten passeren door mensen die wél naar voren mochten. De dienst duurde, doordat er slechts twintig mensen per keer konden aanschuiven, bijna drie uur. En natuurlijk had mijn moeder mij – een jongen van zes of zeven jaar – weer meegenomen. Ik voel de schaamte nog. En de boosheid. Ik heb het die kerk nooit vergeven.

In de oorlog heeft mijn vader nog een paar jaar ergens anders gewoond, om maar van de ruzies af te zijn. Na de oorlog kwam hij terug. Mijn moeder was inmiddels erg in zichzelf gekeerd. Friedrich Rückert had daar een mooie term voor – op muziek gezet door Mahler – hij dichtte: ’Ich bin der Welt abhanden gekommen’. Dat gold voor mijn moeder ook: ze had zich uit de wereld teruggetrokken. In 1950 is ze, op haar zestigste, aan kanker overleden. Mijn vader en ik hebben haar begraven. Wij hielden contact, maar ons contact was niet goed. Wil je weten waarom ik zo furieus reageerde toen die jongeman zo akelig over zijn vader schreef? Ik had het heel moeilijk met mijn vader. Hij was totaal onintellectueel. Hij vond het maar raar: zijn zoon naar het gymnasium. Gekkenwerk. Mijn vader dacht ook nooit na over het goddelijke – ’t zei hem allemaal niets. Maar in zijn hart was hij een lieve man. Hij heeft mijn studie betaald; als ik een of ander boek zocht, wist hij het wel ergens voor mij op te duikelen. En toen ik professor werd, was hij reuze trots.

Hij is hertrouwd met de vrouw met wie hij al omging toen mijn moeder nog leefde. Zij had al twee kinderen. Af en toe ging ik bij hen langs, ze woonden in Breda. Toen ik mij op een dag bemoeide met de manier waarop hij met haar kinderen omging, hebben we vreselijke ruzie gehad. Na een paar maanden heb ik opgebeld. Niet om mijn excuses te maken, maar om de eerste stap te zetten. Je kunt niet níet met je vader omgaan. Dat is verkeerd. Hoe moeizaam onze relatie ook was, ik ben mijn vader blijven opzoeken.

In 1974 – hij was toen 79 – belde zijn tweede vrouw op en zei: ’Het is zo ver met je vader. Een derde hartaanval’. Ik schoot in mijn auto en reed naar het katholieke ziekenhuis van Breda. Zijn vrouw had de goede smaak om weg te gaan. Ze zei: ’Jullie hebben elkaar nog wat te zeggen’. En dat was waar* Hij lag daar te sterven, ik zag de monitor, dat hart* het ging ermee ophouden. Plotseling zei mijn vader: ’Ik heb een heerlijk leven gehad’. Ik dacht: Godsakker, nu ben je nóg alleen met jezelf bezig! Maar nee, hij* nu ga ik huilen hè* hij ging door en zei: ’Ik heb het met je geprobeerd, maar je was te moeilijk voor me’. Dat begreep ik. Dat wás ik ook! Ik heb hem gekust. Ik heb hem gestreeld. En hij is in mijn armen gestorven. We zijn als lieve vrienden uit elkaar gegaan.”

Gij zult niet doden

„Zeg, mag ik hier het zevende gebod, over de diefstal, ook bij betrekken en voor een laatste keer, heel beknopt, mijn theorieën over het strafrecht lanceren? Ik ben aanstaande december vijftig jaar gepromoveerd. Ik zei tegen René van Swaaningen, een van mijn geliefde studenten, thans docent in mijn vak, dat ik graag een symposiumpje wilde houden. ’Beste jongen’, zei hij, ’dat moet je niet doen. Ze vinden jouw opvattingen nu voorwereldlijk!’ Ik zei: ’Dat weet ik wel, maar Montesquieu heeft ook tweehonderd jaar op zijn parlementaire democratie moeten wachten, dus daar heb ik vrede mee’.

Ik weet zeker dat ze mijn theorieën in 2300 zullen toepassen en het strafrecht zal zijn vervangen door het recht der gerechtigheid. Kijk, het strafrecht – iemand een dreun geven – is waarschijnlijk een stiefkindje van de Inquisitie. Als je voor, laten we zeggen het jaar 1200, een edelman doodsloeg, kostte je dat honderd ossen. Voor een vrije burger werden tien ossen gerekend, voor een slaaf één os. Bij de Romeinen ging het net zo. Gevangenissen kenden ze niet. Gevangenisstraf is nog altijd een domme straf. Een jongeman die in de gevangenis terechtkomt leert de kneepjes van het vak van een oudere crimineel. Het is een opleidingsinstituut voor criminaliteit! Ik ben voor het systeem van wedergoedmaking. Laat iemand die een ander een rolstoel heeft ingeslagen een contract tekenen waarin hij belooft vijfentwintig jaar lang voor die man te zorgen. En als hij dat niet doet, is er altijd nog de gevangenis. Weet je wie daar thuishoren? Alleen de mensen die een gevaar vormen voor de samenleving. Tbs-ers. De rest niet. De rest mag het goed gaan maken. Wat als een slachtoffer niet op de hulp van een dader zit te wachten? Dan kan hij nog altijd zeggen: ik ga boete doen in een leprozenkolonie. Ik geloof in loutering, jazeker. En in berouw. Justitie gelooft niet in berouw. ’Dat wordt gefingeerd’, roepen ze. Nee! Berouw komt voor. Het is een godsgeschenk als iemand berouw toont. Mensen willen graag goedmaken. De samenleving zou er een stuk op vooruitgaan als hun die kans gegeven zou worden.”

Gij zult geen onkuisheid doen

„Ik ben lange perioden seksueel behoorlijk geagiteerd geweest, heb zowel met mannen als vrouwen relaties gehad. Met jonge mensen heb ik het moeilijk gehad, maar ik verzeker je: ik ben een Platonicus. Altijd geweest. Plato en Socrates zeiden het al: je mag van alles voor een jongeman betekenen, maar hou je handen thuis. Hands off! Daar heb ik mij altijd aan gehouden. Als ik nu nog onkuis ben, ben ik het alleen nog in mijn gedachten. Als verontschuldiging voor al mijn onkuisheid zou ik willen opvoeren: wie is het niet?

Ik moet nog vaak denken aan het psalmversje dat er vroeger bij mij is ingebeukt: ’Zo Gij in ’t recht wilt treden, o Heer’, en gadeslaan, onz’ ongerechtigheden; ach, wie zou dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving, altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, Heer’, met beving, recht kinderlijk gevreesd.’ Ik heb geen angst. Ik heb, meer nog dan vroeger, een kinderlijk geloof in God en ik ben niet bang voor Zijn oordeel.”

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Goed, hier komen wij over Meertens te spreken die in ’Het Bureau’ van Han Voskuil wordt opgevoerd als Anton P. Beerta. Ik ben in dat boek Karel Ravelli. Ik vind het afschuwelijk dat ik erin voorkom, maar belangrijker is: hij had met zijn poten van Piet Meertens af moeten blijven.

Ik ontmoette Meertens op een socialistisch zomerkamp. Ik kwam net uit het concentratiekamp Amersfoort en was ten einde raad. Waar moest ik heen? Niet naar dat afschuwelijke ouderlijk huis* Ik ging naar Amsterdam en zag een aanplakbiljet over die bijeenkomst. Daar kwamen allerlei vooraanstaande mensen bijeen, je hoefde er als student niet voor te betalen dus ik dacht: daar ga ik heen.

Eerst kwam ik Jef Last tegen, bekend homoseksueel. Die probeerde wat met me, maar ik zei: ’Nee, daar heb ik geen zin in’. Hij zei: ’Weet je wat, ik stel je voor aan Piet Meertens, die houdt zijn handen wel thuis’. Meertens en ik zijn toen gaan wandelen. Ik had hulp nodig en Meertens was hartstochtelijk op zoek naar een zoon. Ik geloof nog altijd dat God ons bij elkaar heeft gebracht.

Jij vertelt me nu dat in ’Het Bureau’ een homoseksuele relatie tussen Beerta en Ravelli wordt gesuggereerd – ik heb dat boek nooit willen lezen – maar de waarheid is dat Meertens mij met geen vinger heeft aangeraakt. Het enige lichamelijke contact dat ik met Meertens heb gehad, bestond uit een kus op mijn voorhoofd als ik jarig was. We hebben wel in hetzelfde huis gewoond, maar ik zat boven en hij beneden.

Ik weet waarom Han op deze manier heeft geschreven over het instituut waar hij nota bene vijfendertig jaar lang heeft gewerkt: hij was gewoon jaloers. Dat ik de aangenomen zoon was en hij niet.

Ik heb me heel erg boos gemaakt over zijn boek, ik merkte dat ik Han ging haten. Daarom heb ik hem op een dag opgebeld en gezegd: ’Ik heb het je vergeven’. En weet je wat hij zei? ’Ik dacht wel dat je dat zou doen’.”

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Hoor eens hier, laten we nu maar een keer ophouden over die onkuisheden van mij. Schrijf daar maar over als ik dood ben.”

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik ben door God zo gezegend dat alleen de gedachte aan de begeerte mij al walgelijk voorkomt. Ik heb alles, alles! Ik heb een paar spaarcenten overgehouden voor het geval ik nog eens een nieuwe auto moet kopen, ik bezit twee huizen – allebei hypotheekvrij – en ik ga één keer per jaar, samen met een goede vriend, een maand naar La Palma – wat zal ik nog begeren?

De toekomst? De jeugd? Integendeel! Ik ken, bijvoorbeeld, enkele jonge advocaten die juist heel aardig voor mij zijn. Ze komen hier eten – of brengen het zelf mee – en wassen dan nog af ook. Zij genieten ervan om mijn literaire en wijsgerige wijsheden aan te horen en ik vind het heerlijk om al die kennis over te dragen. Dan hoef ik het tenminste niet allemaal mee te nemen in mijn graf.“

Alle afleveringen zijn terug te vinden op www.trouw.nl/tiengeboden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden