Herman Bavinck

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd H. Bavinck op te nemen in een serie over theologen van de twintigste eeuw. Herman Bavinck werd geboren in 1854 en stierf al in 1921. Hij was een typisch kind van de Afscheiding van 1834, de eerste uittocht uit de Nederlandse hervormde kerk van de negentiende eeuw. De eerste druk van zijn hoofdwerk, de Gereformeerde dogmatiek, verscheen in 1897 en in de geschiedenis van de gereformeerde kerken wordt Bavinck altijd in één adem genoemd met Abraham Kuyper, leider van de Doleantie (1886), de tweede exodus uit de hervormde kerk.

Wat de voormannen bond was dat beiden teruggrepen op het onvervalste calvinisme van de zestiende eeuw én het wilden moderniseren. Om hen aan te halen: ze wilden het calvinisme 'in rapport brengen' met de tijd. Daarmee waren ze progressief en behoudend tegelijk, met Bavinck als de minst radicale van de twee.

Door zijn rol als politicus en journalist is Kuyper bij de massa veel bekender dan Bavinck, maar voor de gereformeerde theologie kan de betekenis van Bavinck nauwelijks worden overschat. Generaties theologen groeiden op met zijn Dogmatiek, waarvan de vijfde druk verscheen in 1967. Door zijn voorzichtige, maar open stellingname op velerlei gebied bleef Bavincks werk bruikbaar; ook vernieuwers van de gereformeerde theologie putten eruit.

Al tijdens de bouw van het gereformeerde bolwerk begin deze eeuw, pleitte hij voor open deuren en vensters. Dat die combinatie spanningen moest veroorzaken heeft Bavinck zijn leven geweten, en ervaren ook zijn gereformeerde kerken 'tot in hun grijze dagen'.

Kenmerkend voor Bavinck is zijn Schriftvisie. Hij beschouwt de Bijbel als de geïnspireerde, geopenbaarde waarheid over God en tot die openbaring behoort dat de Schrift het Woord van God is. Toch ziet hij de Bijbel niet als een dictaat van de Heilige Geest; Bavinck is geen biblicist. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen wat de bijbelschrijvers zeggen en wat zij ermee bedoelen. Hij heeft oog voor de noodzakelijke ruimte voor een andere uitleg van bepaalde gedeelten, zonder die ruimte overigens al te groot te maken. Hij laat echter de traditionele uitleg en het inzicht dat die niet op alle fronten houdbaar is, rustig naast elkaar bestaan. De rechtlijnigheid waarmee latere generaties gereformeerden elkaar te lijf zouden gaan is geen vrucht van Bavincks dogmatiek.

Wat Bavinck ook tot twintigste-eeuwer stempelt, is zijn rol als inspirator van de 'beweging der jongeren'. Na de Eerste Wereldoorlog, die Nederland weliswaar niet rechtstreeks trof, maar Europa toch voorgoed veranderde, vonden jonge theologen dat de gereformeerde kerken zich moesten vernieuwen. Er moest een antwoord komen op de crisis waarin de wereld verkeerde, vonden zij. De kerk was te veel naar binnen gericht en ook te zeer gefocust op de antithese: het calvinistische geloof tegenover de wereld. Zij verzetten zich tegen het isolationisme en zochten samenwerking.

Bavinck was er de man niet naar om zich aan het hoofd te stellen van een beweging, maar zijn daden lieten zien waar hij stond: positief tegenover samenwerking met andere christenen (bijvoorbeeld in de NCSV, de christelijke studentenbeweging), en toen de gereformeerde synode zich in 1920 wilde uitspreken tegen wereldse geneugten als kaarten, dansen en bioscoopbezoek was hij daar ongelukkig mee. Hij maakte zich er sterk voor dat zij dan ook woekerhandel en oorlogswinsten zou veroordelen. Hoewel dat inderdaad gebeurde, was het zogeheten Getuigenis van de synode van Leeuwarden niettemin vooral een signaal aan de jongeren: tot hier en niet verder.

In deze spanningen, onder meer rondom de zaak-Netelenbos - een leerling van Bavinck die in 1919 afgezet werd als predikant omdat hij een dienst in de hervormde kerk had geleid - sloegen velen hoopvol het oog op de nog volop in het leven staande Bavinck. Van hem, die bekendstond als 'de lankmoedigste onder de lankmoedigen' verwachtte men een uitweg uit de tegenstellingen. Midden in de kerkelijke misère werd Bavinck echter ziek en hij stierf in 1921. In zijn nalatenschap bevonden zich niettemin de onvoltooide aantekeningen voor een brochure waarin hij inging op de actuele situatie.

Zoals gewoonlijk hoedde hij zich daarin voor al te stellige uitspraken, maar uit de notities (in 1994 uitgegeven onder de titel 'Als Bavinck nu maar eens kleur bekende', bezorgd door G. Harinck e.a., VU-uitgeverij Amsterdam) blijkt toch wel degelijk waar hij stond. Hij staat dankbaar stil bij de zegeningen in kerk, school en maatschappij (wat wil een mens nog meer), maar stelt tegelijk vast dat het denken vanuit vaste beginselen zijn grenzen heeft. In de politiek zijn principiële opvattingen over lijkverbranding, vrouwenkiesrecht, armenzorg en zondagswet stuk voor stuk onhoudbaar gebleken. Zo vergaat het ook de theologie: wetenschappelijke ontdekkingen trekken zich van hun strijdigheid met beginselen niets aan. De 'zoete illusie' van de verzoening tussen Christus en de cultuur waarin we een tijdlang leefden is niet houdbaar, stelt hij nuchter vast.

Hoewel de nagelaten aantekeningen summier zijn, is helder in welke richting Bavincks gedachten gaan: ,,Wij moeten ons verwijden. Breeder horizon zien. Heel de wereld binnen onze gezichtskring trekken.''

Uiteindelijk zouden de gereformeerde kerken dat ook doen, maar toen waren ze al twee kerkscheuringen verder (Geelkerken 1926, Vrijmaking 1944).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden