Herfkens aan leiband

Landen die oorlog voeren, moeten eigenlijk geen ontwikkelingshulp krijgen. Rwanda en Oeganda steunen rebellen in Congo, maar staan waarschijnlijk toch op het lijstje van landen die minister Herfkens wil blijven steunen. De minister volgt te blindelings het Wereldbankbeleid.

Nico Dekker

Het lijstje van minister Herfkens met de landen die ontwikkelingshulp krijgen wordt vandaag door de ministerraad vastgesteld. Alles wijst er op dat de Afrikaanse landen Rwanda en Oeganda ook in de komende jaren mogen blijven profiteren van Nederlandse omtwikkelingshulp. Tegen de achtergrond van het optreden van deze landen in hun regio vind ik dit zeer bedenkelijk.

Op 9 februari werd bekend dat de Wereldbank een lening van 75 miljoen dollar heeft toegekend aan Rwanda. Volgens een econoom van deze bank geschiedde dit ,,op voorwaarde dat aan de oorlog in Congo een einde komt''. De Rwandese regering beloofde dit plechtig, ,,en dat bevredigde ons'', aldus dezelfde woordvoerder. De Wereldbank liet zich gemakkelijk om de tuin leiden. Op 17 februari zijn er de eerste meldingen van een grootschalig offensief van buitenlandse troepen in Congo, waarvan die van Rwanda de kern uitmaken.

Al eerder was een soortgelijke samenloop van omstandigheden vast te stellen. Op 11 december vorig jaar kwam het bericht dat de donorenconferentie in Oeganda onder voorzitterschap van de Wereldbank aan dit land een bedrag van ruim twee miljard dollar zal verstrekken, gespreid over de komende drie jaren.

Natuurlijk had de charmante president Museveni van Oeganda voor dit gewichtige gezelschap de passie gepreekt. De donoren, vooral die van de Europese Unie, waren er niet helemaal gerust op geweest. Oeganda is nauw betrokken bij de oorlog tegen Congo, zogenaamd om de veiligheid van zijn grenzen zeker te stellen. Hoewel een EU-afgevaardigde op de conferentie opmerkte dat de aanwezigheid van Oegandese militairen tot zevenhonderd kilometer binnen Congo niet bepaald op 'beveiliging van de grens' duidde, prevaleerden blijkbaar hogere belangen, want Oeganda kreeg zijn miljoenen dollars.

De oorlog op Congolees grondgebied, onder dekmantel van een 'rebellie van Congolezen tegen Kabila' was tot dan, naar het scheen, door Rwandese en Oegandese militairen in goede harmonie gevoerd. Maar op 27 december kwam plotseling een ernstig meningsverschil aan het licht. Er vond een schotenwisseling plaats tussen Rwandese en Oegandese militairen, nadat bekend was geworden dat Oeganda voortaan steun zou verlenen aan een nieuwe rebellenformatie in het noorden van Congo. Die werd geleid door een zekere Jean Pierre Bemba, zoon van een zakenman die onder Mobutu's regime steenrijk geworden is. Vanaf dat moment werden uit Noord-Congo zware oorlogshandelingen gemeld tussen het leger van Bemba, die zich openlijk beroemde op zijn goede samenwerking met Museveni, en troepen die de Congolese regering steunen.

Het leger van Bemba bestond naar zijn zeggen uit echte Congolezen, in tegenstelling tot het leger van de rebellenregering in Kivu, dat gedomineerd werd door Rwandezen. Bemba's leger vormde een van de drie hoofdformaties van het offensief dat door het veroveren van de centra Mbandaka (noord-west), Mbuji-Mayi (midden) en Lubumbashi (zuid) een einde wilde maken aan het door hen verfoeide regime van Kabila. Deze geschiedenis is, dunkt me, een goed voorbeeld van het verschil tussen theorie en praktijk als het gaat om internationale hulpverlening aan landen in een oorlogssituatie. De landen Oeganda en Rwanda zijn, zeker naar Afrikaanse maatstaven, klein en arm aan grondstoffen, maar toegerust met sterke goed-getrainde legers. Bij uitstek ten aanzien van Rwanda geldt, dat voor het regime omvangrijke internationale hulp van levensbelang is.

Het geven van ontwikkelingshulp aan landen die bij een oorlog betrokken zijn wordt echter beschouwd als een van de hoofdzonden tegen de algemeen beleden ontwikkelingsfilosofie. Misschien is een gevoel van schaamte over de gang van zaken er mede de oorzaak van, dat over het drama in Congo zo weinig wordt bericht; zeker als men dit vergelijkt met de berichtgeving over Kosovo of zelfs over het grensconflict tussen Ethiopië en Eritrea. Wat er in Congo gebeurt is ten hemel schreiend.

De belangrijkste stem ter plaatse die, sinds de VN en veel internationale hulporganisaties het gebied verlaten hebben, het lijden van de bevolking in het door de 'rebellen' bezette gebied verwoordt, is die van de katholieke kerk. Zij maakt er geen geheim van wie de onderdrukkers en agressoren zijn. Vertegenwoordigers van de civil society, die half januari bijeen waren in Antwerpen, drukken zich in dezelfde termen uit: ,,Door de aanwezigheid van deze buitenlandse troepen (van Rwanda, Oeganda en Burundi) worden de interne conflicten van die landen geëxporteerd naar Congo, wat een ernstige humanitaire, sociale en economische crisis teweegbrengt waarvan de lokale Congolese bevolking het voornaamste slachtoffer is.''

Tegen deze achtergrond vraag ik mij af wat de humanitaire waarde van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid onder Herfkens en van Aartsen voorstelt. Of mag die vraag niet meer gesteld worden en varen we eenvoudigweg mee in het kielzog van Herfkens' vroegere werkgever, de Wereldbank?

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden