Herdenking Hamburg / Een vuurstorm voor de vrijheid

Zestig jaar geleden werd Hamburg met de grond gelijk gemaakt. Voor het eerst ontstond bij een bombardement een vuurstorm. De herdenkingen zijn dit jaar omvangrijker dan voorheen. Een overlevende: ,,Toch zag ik die piloten als bevrijders''.

Hamburg is een fijne stad, vooral als je met de auto komt. Dwars door de binnenstad, die nu city heet, loopt een zesbaansweg, heel raak Ost-West-Strasse genaamd. In 1939 al gepland, kon deze doorbraak na de oorlog makkelijk worden aangelegd. De huizen die ooit in de weg hadden gestaan, waren er niet meer.

Zestig jaar geleden, van 24 juli tot 3 augustus, ging Duitslands tweede stad ten onder in Operatie Gomorrha. In vier nachtelijke aanvallen van de Britten en twee Amerikaanse aanvallen overdag werd het grootste gedeelte van de stad verwoest. Weliswaar was Hamburg al 137 keer eerder gebombardeerd, maar pas in 1943 brachten de geallieerden hier voor het eerst een vuurstorm tot stand.

Door een combinatie van explosieven en fosfor, gevoegd bij zeer warm zomerweer, lukte het hier in de nacht van 26 op 27 juli in een gebied met een doorsnee van vier kilometer alle brandhaarden aaneen te laten groeien tot een vuurzee die met orkaanachtige snelheid zuurstof uit omliggende buurten aanzoog. Mensen die te lang in de kelders bleven, liepen het gevaar te stikken of te verbranden, mensen die wel bijtijds de kelders verlieten, liepen het risico het vuur te worden ingezogen, spontaan te ontbranden, te stikken of te verschrompelen in de droge, verzengende orkaan. In het centrum van de vuurstorm, in Hamburg-Hammerbrook, ontstond een natuurlijke schoorsteen, die tot op acht kilometer hoogte rook en as uitspoot.

Nu staat daar eethuisje 'Lekker Ding' -sommige Nederlandse uitdrukkingen klinken in Duitse oren onweerstaanbaar grappig. Deze ooit dichtbevolkte arbeiderswijk bestaat nu alleen nog uit autogarages, snackbars en vage import-exportbedrijfjes. Er is weinig meer van te merken dat hier ooit het centrum van een vuurstorm was, of het moet zijn dat het hier zo nietszeggend is.

Hamburg herdenkt zijn verliezen zestig jaar later opmerkelijk intens. In de Nikolaikirche in het centrum van de stad verzamelen zich honderden mensen voor een herdenking. Het regent, en dat is jammer want de kerk heeft geen dak meer. Bovendien loopt hier sinds 1962 de brede Ost-West-Strasse pal langs de kerk. Toch heerst temidden van het verkeersgeruis een serene sfeer in de Nikolai.

,,Een Gomorrha van mensenhand'', noemt burgemeester Ole von Beust de verwoesting van zijn stad. Deze herdenking vergt van hem voorzichtige formuleringen, want hier waren Duitsers slachtoffer. ,,Wie wind zaait, zal storm oogsten'', zegt Von Beust. Maar hij kritiseert ook de geallieerden: ,,Alle landen hebben al in de jaren twintig een luchtoorlog tegen de burgerbevolking gepland''.

Dan neemt de Hamburger schrijver Ralph Giordano het woord. ,,Ik heb alle inferno's van de luchtoorlog doorgemaakt, van de dreiging te verbranden of te stikken, van het ingesloten zitten tot het weggebombardeerd worden, van de berging van lijken uit verkoolde resten van huizen, tot en met de op het laatste moment gelukte vlucht uit de gloeiende oven van de wijk Barmbek.'' Eén van de inferno's die Giordano noemt, het bergen van lijken, bleef de meeste Hamburgers die overleefden echter bespaard. Lijken bergen was een taak die het nazi-regime had gereserveerd voor joden en andere mensen die het tot vijand had bestempeld.

Voor Giordano brachten de Britse piloten dan ook zowel angst als hoop. ,,Het gevaar gedood te worden uit de lucht hebben we destijds 'het tweede gevaar' genoemd. Het eerste gevaar was en bleef de Gestapo. In deze vreselijke wedloop tussen Endlösung (holocaust, red.) en eindoverwinning van de geallieerden heb ik de piloten daarboven steeds als ambassadeurs van mijn bevrijding gezien. Hoe vaak heb ik niet naar boven gekeken en ze gesmeekt: kom naar beneden, neem me mee naar de vrijheid.''

Zeker, de vraag of de luchtoorlog niet anders gevoerd had kunnen worden, met minder aanvallen op woonwijken, vindt Giordano terecht. En ook hij vraagt zich af waarom in Duitsland nu pas zoveel aandacht voor de bombardementen op de eigen steden mogelijk blijkt. Zelf verwijt Giordano zich lange tijd voor de slachtoffers van de bombardementen minder verdriet te hebben gevoeld dan voor de slachtoffers van de concentratiekampen. Dat is nu echter voorbij, zegt Giordano. ,,Ik weet niet meer wanneer het vacuüm zich precies heeft gevuld. De grenzen zullen vloeiend zijn geworden.''

Dat hun stad aan de beurt was, zagen de Hamburgers in 1943 aankomen. 'Dit was waarop iedereen had gewacht', schreef Hans Erich Nossack enkele maanden na de verwoesting in zijn boek 'Der Untergang'. Zo vergaderde het stadsbestuur bijna ononderbroken van 6 tot 12 juli 1943 over hoe te reageren op de verwachte grote aanval uit de lucht. Om de Britten te misleiden, legden de Hamburgers zelfs vlotten op het water van de Binnenalster, omdat grote waterpartijen de piloten immers konden helpen bij hun oriëntatie. Maar het was vergeefs, de Britten hadden de truc allang doorzien. In mei 1943 besloot Arthur Harris, de commandant van de Britse luchtvloot, Hamburg te verwoesten.

In de avond van 24 juli stegen de eerste vliegtuigen op, om vanuit Zuid-Engeland naar Hamburg te vliegen. Tien dagen later was de helft van de stad, met toen 1,8 miljoen inwoners, geheel verwoest, nog eens dertig procent van de huizen was beschadigd. Bijna een miljoen Hamburgers verliet na het bombardement de stad, vluchtte het platteland op. De industrie bleef echter grotendeels werken, en de post werd half augustus al weer bezorgd.

Ook de deportaties gingen door, roept Ralph Giordano in herinnering. Het laatste transport van Hamburger joden, waaraan Giordano maar net ontkwam, vertrok pas in februari 1945. ,,Niets functioneerde meer, behalve Eichmanns deportatiemachine.''

Ook verwarde mensen werden gedeporteerd, en daarvan waren er na de bommennachten meer dan voorheen. Zo werden er vier dagen na het einde van de bombardementen, op 7 augustus 1943, 97 'geesteszieke' vrouwen uit Hamburg op transport gesteld naar Hadamar, waar zij werden gedood. In zeker twintig gevallen is bekend dat het daarbij vrouwen betrof, de meesten bejaard, die de bombardementen hadden overleefd maar daarbij de kluts kwijt waren geraakt. In de kelder van de Nikolaikirche hangen brieven van de zoons van een van die vrouwen, de toen 83-jarige Marie Annemarie R. 'Waarom werd geen zoon geroepen toen ze op sterven lag?', vragen zij tijdens de oorlog voorzichtig aan de bevoegde instanties. 'Een moeder kan toch niet zomaar verdwijnen?', schrijven zij, inmiddels na de oorlog: 'Wij, alle vijf zonen, verlangen rekenschap'.

Burgemeester Von Beust heeft het zestig jaar later druk, want overal in zijn stad wordt momenteel herdacht. In het raadhuis opent hij 's ochtends een fototentoonstelling, in aanwezigheid van de Britse ambassadeur. Het is druk, mensen verdringen zich rond de beelden van verwoesting, niet alleen in Hamburg, maar ook in Londen en Coventry, want het stadsbestuur wil niet de indruk wekken dat Hamburg zomaar werd gebombardeerd. Een heel klein jongetje krijgt zijn eerste les Duitse geschiedenis en vraagt zijn vader volkomen verbaasd: 'Hebben wíj verloren?'

's Middags opent de burgemeester weer een fototentoonstelling, ditmaal in de Deichtorhallen. Von Beust worstelt opnieuw met het feit dat hier Duits leed wordt herdacht, benadrukt dat het ging om leed dat ,,door de Duitsers in Duitse opdracht is ontketend''. Het meest onder de indruk toont de burgemeester zich van een foto waarop een kuil vol lijken is te zien. Daar is hij zojuist geweest, op die begraafplaats, om een krans te leggen. Maar op deze foto ziet het er anders uit dan nu op de inmiddels aangeharkte begraafplaats Ohlsdorf. Bij de verwoesting van Hamburg zijn 35000 tot 45000 doden gevallen, van wie velen hier anoniem liggen begraven. Als laatste identificatie staan er alleen bordjes met de naam van de wijk waar ze zijn gevonden.

Foto's van verkoolde, gestikte, in de vuurstorm tot halve grootte verschrompelde mensen vullen de wanden van de Deichtorhallen. Maar er hangen ook foto's van overlevenden, die in parken en plantsoenen liggen te wachten of op vrachtwagens worden geladen om de stad te verlaten. ,,Kijk, het zijn allemaal kinderen en bejaarden'', zegt een man tegen zijn vrouw, ,,het was oorlog tegen de burgerbevolking.''

,,Een tentoonstelling is geen rechtbank'', benadrukt curator Ingo von Münch, die deze tentoonstelling in de Deichtorhallen heeft opgezet. Ook hij denkt deze aandacht voor Duits leed te moeten rechtvaardigen, komt daarbij niet uit zijn woorden, vertelt als kind talloze nachten in schuilkelders te hebben doorgemaakt. ,,Toen ik aan deze tentoonstelling werkte, heb ik vaak mensen dingen horen zeggen als: 'Het was oorlog', 'Wie wind zaait, zal storm oogsten', of 'Je mag niet leed met leed verrekenen'.'' Maar Von Münch weigert de verwoesting van Hamburg zo makkelijk ter zijde te schuiven. ,,Ik kan me geen volk voorstellen dat zo'n catastrofe als Gomorrha in juli/augustus 1943 wil vergeten.'' Om voor alle zekerheid toe te voegen: ,,Dit is geen aanklacht''.

Vlak bij de Deichtorhallen begint nu de grote Ost-West-Strasse. Wat weggedrukt staat hier nog een groot bakstenen kantoor uit de jaren twintig, stevig genoeg gebouwd om het bombardement te overleven. Bij de ingang hangt een bordje: 'Hier zat de firma Tesch en Stabenow, die Zyklon B-gas leverde aan Auschwitz, Majdanek, Sachsenhausen, Ravensbrück en Neuengamme. Bedrijfsleider en eigenaar zijn door het Britse militaire gezag in 1946 berecht en terechtgesteld.'

Verder naar het westen, vlak achter de Nikolai-ruïne, staan aan het water van de Nikolaifleet Hollands aandoende grachtenpanden en pakhuizen. Toeristen verdringen zich om het laatste dozijn huizen van vóór 1800 te bezichtigen, er is speciaal voor hen een voetgangersbrug over de Ost-West-Strasse gebouwd om hier te kunnen komen.

In de ruïne van de Nikolai is intussen Günter Pingel nog aangedaan van de herdenking. Hij wil wel zijn verhaal doen, maar zoekt eerst een rustig hoekje. In de beschutting van een modern kantoor, vertelt hij zich weinig te herinneren, maar toch steeds vol te schieten. ,,Ik was vier jaar. We woonden in Altona.'' Altona, het Schiedam van Hamburg, werd in de nacht van 24 op 25 juli verwoest, net als de Nikolaikerk overigens. ,,Ik was met mijn grootvader en grootmoeder. Ik herinner me alleen dat ik bij mijn grootvader op de schouders zit en dat we tussen brandende huizen doorrennen.'' Pingel vertelt vaker terug te denken, de laatste tijd. ,,Gisteren ben ik weer in die straat geweest, ik heb gekeken waar het huis waar wij woonden moet hebben gestaan. Dan vraag je je af waarom je bij de overlevenden hoort en waarom je bent geworden wie je bent.'' Nu woont hij in de binnenstad, in een flat uit de jaren vijftig; strokenbouw met licht en lucht en uitzicht op gazons. Pingel: ,,Zo heb ik ook baat bij het bombardement gehad''.

Ralph Giordano vertelt na de verwoesting van Hamburg niet meer te hebben geloofd dat zijn stad zou worden opgebouwd. ,,Destijds dacht ik: nog over honderd jaar zullen hier ruïnes staan. Dat Hamburg als een fenix uit de as zou herrijzen, heb ik toen niet voor mogelijk gehouden.'' Giordano's troost is het Hamburg van nu. ,,Ik kan niet ophouden te bezingen hoe mooi het is geworden.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden