’Herdenken wordt een allegaartje’

Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam. (ANP)

Sociologe Jolande Withuis verdiepte zich in de cultuur van herdenken. Ze vindt dat de Dodenherdenking te breed is geworden. „Je moet die niet aanpassen aan de waan van de dag.”

Jolande Withuis keek vorig jaar op vier mei thuis voor de televisie naar de Dodenherdenking op de Dam toen ze tot haar eigen verbazing geëmotioneerd raakte. „Ik zag hoe Pim Reijntjes , ex-gevangene van de kampen Natzweiler en Dachau een krans legde bij het monument en even steun zocht bij een medekampgevangene. De tranen liepen me over de wangen. En vervolgens een tweede keer toen burgemeester Cohen zei blij te zijn met de aanwezigheid van de koningin na het drama van 30 april, waarop het publiek begon te applaudisseren. Ook zo’n aangrijpend moment.”

Ze heeft een republikeinse inborst dus louter aan de verschijning van de koningin kan het niet hebben gelegen. Het moment drukte voor haar een vorm van gezamenlijkheid uit die de sentimentaliteit oversteeg. „Cohen refereerde expliciet aan de vrijheid en de rechtsstaat. Daarmee werd de Dodenherdenking concreet. Hij verwees niet louter naar iets ’ergs’, maar maakte duidelijk wat er op het spel stond en staat.”

Withuis, die zich grondig verdiepte in de cultuur van het herdenken, signaleert aanmerkelijke verschuivingen in de loop der decennia. Zo was er, meteen na de bevrijding, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, veel belangstelling voor de oorlog. Er verschenen brochures met kampherinneringen die gretig werden gekocht en gelezen.

Rond 1948 kwam daar een einde aan. De aandacht voor de oorlogsjaren verslapte en leefde pas eind jaren zestig weer op, mede dankzij de verschijning van het monumentale boek ’Ondergang’ van Jacques Presser over de vervolging en vernietiging van de joden. De decennia daarna verdween de oorlog niet meer uit de schijnwerpers. Vijftig jaar bevrijding werd uitbundig gevierd, tot in het kleinste dorp en de verste uithoek van het land.

Vandaag de dag is de belangstelling onverminderd groot. „Je zult, anders dan in de jaren vijftig, niet snel iemand horen zeggen: ’Die oorlog hebben we nu wel gehad’.”

Ook inhoudelijk vonden er tal van verschuivingen plaats. Vlak na de bevrijding ging de aandacht uit naar de verzetsstrijders en de voormalig politieke gevangenen. In de jaren vijftig was Dachau, waar het nationaal-socialistische regime zijn politieke tegenstanders had opgesloten, het kamp dat de oorlog symboliseerde. Later kwam het accent te liggen op Auschwitz, de plaats waar de nazi’s systematisch de joden uitroeiden. Door een combinatie van factoren is dat lang onderbelicht gebleven. Withuis: „Eén verklaring is dat de weinige joden die terugkwamen niet zo georganiseerd waren als het verzet. Een andere dat wij als natie het gevoel hadden dat wij ons ferm teweer hadden gesteld tegen onze aanvallers. Daarmee kwam de nadruk op het verzet te liggen, en niet op het falen van de staat in het beschermen van haar burgers.”

Vervolgens kreeg de jodenvervolging opnieuw niet de aandacht door de koude oorlog. Aan de oosterse horizon doemde een nieuwe vijand op. De rode fascisten, oftewel de communisten. Daar waren alle ogen op gericht. „De grote verzetsorganisaties en politieke partijen – van de sociaal-democraten tot de liberalen – zagen de strijd tegen het communisme als een logische voortzetting van de geallieerde strijd tegen het nazisme. De communisten op hun beurt maakten geen onderscheid tussen politieke en joodse slachtoffers. Daarmee ontkenden ze dat de nazi’s joden niet vermoordden om politieke redenen maar om wat ze waren, of werden genoemd te zijn: een raciale categorie.”

Het laatste decennium is er sprake van een verbreding van de Dodenherdenking. Inmiddels worden ook de slachtoffers van vredesmissies herdacht. Geen goede ontwikkeling, vindt Withuis. Het leidt tot vaagheid en vervuiling van het begrip slachtoffer. „In de eerste jaren na de oorlog had je duidelijk omschreven groepen: het verzet, de Indische repatrianten, de joodse slachtoffers. Toen in de jaren zeventig de nadruk meer op psychologische factoren kwam te liggen en het begrip oorlogstrauma zijn intrede deed, verwerd het herdenken tot een allegaartje: de term oorlogsgetroffenen kwam in zwang. Maar als je iedereen tot slachtoffer bombardeert, zonder te kijken naar wat iemand precies heeft gedaan, meegemaakt, of geleden, relativeer je bijvoorbeeld het leed van de joden of de ex-politieke gevangenen.”

Dit jaar is het thema van Nationaal Comité 4 en 5 mei ’vrijheid wereldwijd’. Centraal staat de vraag hoe wij kunnen bijdragen aan de vrijheid van de ander.

Withuis heeft haar twijfels over deze benadering. „Te stichtelijk. De oorlogsherdenking is geen opbouwwerk. Het is de kunst om recht te doen aan de historische werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog zonder te verstenen en zonder te vervagen. Je moet de herdenking niet aanpassen aan de waan van de dag, maar er tegelijkertijd voor waken om er een slag van het Merelveld van te maken. Het is toch van de gekke om een veldslag van zes eeuwen geleden aan te halen als rechtvaardiging voor hedendaags mythisch nationalisme. Daarmee fixeer je de geschiedenis. We komen nu op een punt dat er geen directe overlevenden van de oorlog meer zijn. Ik vind het geen goed idee om het Comité Vrouwen van Ravensbrück voort te laten zetten door hun kleinkinderen. Die kleinkinderen hebben niet meer met Ravensbrück dan willekeurig wie.”

Wel bepleit ze een plaats voor de vele genocides die na de Tweede Wereldoorlog wereldwijd hebben plaatsgevonden. Ze kan zich vinden in de gedachte die internationaal opgeld doet, om genocide centraal te stellen op 27 januari, de dag van de bevrijding van Auschwitz. „Het zou goed zijn om een soort Auschwitz -comité in stand te houden als symbool voor volkerenmoord.”

Daarentegen gruwt ze van het idee om de Dodenherdenking te vervangen door een dag van het respect. „Ik vind respect zo ongeveer het meest misbruikte woord van onze tijd. Respect wordt tegenwoordig geëist in plaats van verdiend. Bovendien kun je het kwaad van het nazisme niet reduceren tot gebrek aan respect.”

Daar komt nog bij dat het een containerbegrip is, terwijl voor Withuis twee even essentiële als specifieke elementen de Tweede Wereldoorlog kenmerken. „Enerzijds het schenden van de rechtsstaat, de democratie, de burgerrechten, en een aantal basale vrijheden: van meningsuiting, van vergadering. Anderzijds het misplaatste denken in termen van ras en hiërarchie. In mijn ogen zouden deze twee punten de kern moeten zijn van iedere herdenking.” Ook deelt ze niet de gedachte dat de oorlog herkenbaar gemaakt zou moeten worden voor de jongere generatie. Liever spreekt ze hen aan op hun vermogen tot empathie.

„Het is een misverstand dat mensen alleen maar betrokken zouden kunnen zijn bij zaken die ze uit hun eigen leven kennen. Herkenbaarheid impliceert de vertaling van vreemde ervaringen in eigen richting, empathie volgt precies de omgekeerde weg. Pogingen om de gruwelijke ervaringen van de kampen herkenbaar te maken, leiden onvermijdelijk tot banalisering. Het is zinvoller om jongeren te scholen in het vermogen zich verplaatsen in de gevoelens en gedachten van een ander. Daarmee creëer je werkelijk begrip.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden