Henri Le Fauconnier was een sleutelfiguur voor de vernieuwers Grote expositie in Haarlem BEELDENDE KUNST

Te zien tot 2 jan. in de Verweyhal, Grote Markt in Haarlem, ma-za 11-17 uur, zo en feestd. 13-17 uur. Van 22 jan. t/m 13 maart in de Hannema- de Stuers Fundatie in Heino (Ov.). Boek 'Henri Le Fauconnier - Kubisme en Epressionisme in Europa' door Wendela Schipper en Arnold Ligthart, uitgave Thoth, f 39,50.

Le Fauconniers inbreng in de kunstgeschiedenis van de jaren tien en twintig is aanzienlijk. Wonend in Bretagne, in Parijs en in Nederland was hij de verbindende schakel voor talloze jonge kunstenaarsgroepen. Hij kende alle grote schilders van zijn tijd en exposeerde in de belangrijkste kunstcentra zoals Parijs, Munchen, Moskou en Amsterdam, waar hij steevast werd erkend als een belangrijke nieuwlichter.

Bij Le Fauconnier kunnen we terecht om schakelstukken voor het kubisme te zien, een kubisme dat overigens anders dan dat van Picasso en Braque van een mild soort was. Hij gaf zijn kubistische ideeen ook door aan een groep Nederlandse schilders. Daarmee stond hij aan de wieg van de Bergense School, de in het Noordhollandse dorpje geconcentreerde schildersbent, die hem als de grote wegbereider van de 'moderne kunst' beschouwde.

Tot in de jaren twintig, toen hij - terug op zijn Parijse stek - Nederlandse schilders als Carel Willink, Harry Kuijten (van wie nu bij toeval gelijktijdig een overzicht is te zien in Museum Kranenburgh in Bergen) en Wim Schumacher ontving, was zijn werk een baken voor vernieuwers. In de malaise van de jaren dertig kwam ook Le Fauconnier als een van de velen artistiek gezien om; hij werd voortaan een braaf huis-tuinen-keuken-schilder.

De Haarlemse expositie heeft een monografisch karakter; alleen in de onlangs verschenen studie van Wendela Schippers en Arnold Ligthart wordt op Le Fauconniers invloed op zijn omgeving ingegaan. Toch kan aan deze tentoonstelling een groot belang worden gegeven: voor het eerst wordt Le Fauconnier zo ruim belicht.

Bij Le Fauconnier speelden zijn belangrijkste ontwikkelingen zich in een relatief korte periode af; grofweg gezegd gebeurde dat tussen 1907 en 1920, waarvan hij de laatste zes jaar in de Nederlandse schilderkunst aanwezig was. Een landschap in Frankrijk dat uit 1908 dateert, laat zien dat hij omstreeks deze tijd al de vorm wilde vereenvoudigen. Elementaire vlakken kregen zware contourlijnen en werden in eenvoudige kleuren neergezet.

Zijn contacten met de schilders van de linkse commune l'Abbaye de Creteil in Frankrijk zette hem op het spoor van een kunst die als maatschappelijk fenomeen moest gedijen in een moderne samenleving. Le Fauconnier kreeg in deze jaren vat op een hoopvol toekomstbeeld. Schilderkunstig uitte zich dat in een krachtige, expressieve stijl van werken. Van dit expressionisme was het een kleine stap naar het kubisme, dat Le Fauconnier vanaf 1910 liefderijk zou omarmen. Voor Le Fauconnier bestond het kubisme uit een stijl waarin hij de vormen en vlakken voortdurend herhaalde in een verticale opeenstapeling. Zijn kleuren waren toen ongemeen krachtig, kenden echter bij vlagen een wat sombere stelling.

Twee jaar later, in 1912, gooide hij het roer andermaal om. Met de natuur als voornaamste inspiratiebron zocht Le Fauconnier naar een expressionisme waar de scherpste kantjes vanaf waren, zonder evenwel de kubistische weg te verlaten. Met deze stijl, die niet langer dan een, twee jaar heeft geduurd, heeft hij de grootste invloed op de Bergense School gehad. In 1913 was het al weer over, toen hij nogal plotseling veel figuratiever ging werken en zelfs het kubisme verliet.

Op zich is die ontwikkeling heel frappant: het kubisme leidde bij hem niet zoals bij Mondriaan en de Russen het geval was tot een volledige abstractie; Le Fauconnier wendde zich zelfs af van een ver gaande abstrahering. Toch bleek hij in hetzelfde jaar een trait-d'union tussen de Parijse expressionisten en de Russische schilders te kunnen worden. In Parijs ontving hij onder meer Nadjesda Udaltsova en Liubov Popova, die bij hun terugkomst in Rusland gingen samenwerken met Vladimir Tatlin, met Malewistj. Beide schilderessen hebben waarschijnlijk meer naar het oudere werk van Le Fauconnier gekeken dan naar wat hij op dat moment maakte.

Dat laatste werk viel daarentegen in de smaak bij de Nederlandse schilderskolonie in Parijs, die op hun beurt Le Fauconnier naar Nederland haalde voor tentoonstellingen en om er te werken. Le Fauconnier vond in Veere en Domburg onderwerpen naar zijn hart. Het karakter van de Zeeuwen met hun harde koppen, het weinig poetische landschap dat zich zo slecht wilde openbaren, moeten Le Fauconnier hebben geinspireerd om er zijn krachtige, expressionistische schilderwijze op los te laten. Deze 'Zeeuwse periode' en de werken die hij iets later in Zandvoort maakte, behoren tot het beste wat op de tentoonstelling in Haarlem is te zien.

Ze zijn in ieder geval veel beter dan het groepje werken uit de jaren dertig en veertig, toen Le Fauconnier, terug in Frankrijk, zich overgaf aan een heilloze neo-romantiek. Het revolutionair elan was hij toen al volkomen verloren. Met zijn schilderijen getuigde hij enkel en alleen nog maar van zijn sombere houding. Het is, zo blijkt weer eens, alleen de heel grote schilders gegeven om zich blijvend te vernieuwen. Picasso, Le Fauconniers belangrijkste tijdgenoot, toonde zich geniaal door zich immer met het nieuwe bezig te houden. Le Fauconnier daarentegen is vooral een belangrijke schilder voor de periode waarin hij op de toppen van zijn kunnen liep. Had hij de definitieve stap naar de volledige abstractie durven te zetten, dan was hij de geschiedenis in gegaan als een gelijkwaardige van Mondriaan, Malewitsj of Kandinsky.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden