HENNING LARSEN, EXPRESSIEF DOOR SOBERHEID

Kopenhagen is een bedaarde stad. Loom ligt het aan de oever van de Sont, wars van grootsteedse pretenties. De zeshonderdduizend inwoners zijn uitgesmeerd over buitenwijken, die als kleine dorpjes aan elkaar zijn geschakeld. Een metropool met 'provinciale' trekjes. De architectuur is er degelijk en onnadrukkelijk, volledig gericht op woongenot en gemeenschapszin. Het moderne architectuurdebat lijkt er vrijwel volledig aan voorbij gegaan. Internationale architectuur vind je er nauwelijks. Dat werkt ook de andere kant op. De nationale grootheden zijn in het buitenland weer nauwelijks bekend. Er is één uitzondering: Henning Larsen, een modernist met een classicistische houding en een grote liefde voor de ambachtelijkheid van de architectuur. Een bescheiden man, maar onmiskenbaar de leading architect van Denemarken.

ROBBERT ROOS

Dat Henning Larsen (1925) de eerste viool speelt in Denemarken, blijkt uit de reeks van grote opdrachten die hij de afgelopen jaren in Kopenhagen heeft gerealiseerd. Kopenhagen Culturele Hoofdstad was hierbij één van de katalysatoren. Larsen werd gevraagd voor het ontwerpen van een groot theater aan de haven. De plannen kwamen er, maar uiteindelijk vond ook de architect zelf de locatie ongeschikt. Exit theater.

Het is eigenlijk het enige dat mis ging. Een zoete troost was de uitbreiding van de Ny Carlsberg Glyptotek, een museum met zulke uiteenlopende collecties als impressionistische schilderijen en Egyptische kunstvoorwerpen. Daarnaast werd het Albertslundhuset-theater uitgebreid, doet Larsen mee met een prominent internationaal architectuurproject, realiseerde hij een groot multifunctioneel complex op een oud terrein van bierbrouwer Tuborg en creëerde hij een juweel van een kantoorgebouwtje voor de Deense krant BT.

Het zijn projecten, waarin de gevoeligheid van Larsen voor context, interne logica en subtiel materiaalgebruik goed tot uitdrukking komt. Het is terughoudende architectuur, die met sobere, geometrische middelen een maximum aan uitdrukking probeert te creëren. Larsen is wars van schreeuwerige ornamenten of extreme vorm-oplossingen.

Zijn expressie haalt hij uit het met zuivere hand componeren van gevel en plattegrond. Twee stijlmiddelen zijn het handelsmerk van de Deen: het perforeren van de gevel - met nissen, ramen, patio's en lichtgaten - en het inpassen van een binnenstraat, vaak gecombineerd met een trap. Deze straat is zowel ontmoetingsplaats als de infrastructurele ontsluiting van het gebouw. “Een samenballing van het leven”, noemt Larsen het zelf.

In de Ny Carlsberg Glyptotek komen al deze kwaliteiten naar boven. Het is Larsens belangrijkste opdracht van de laatste jaren. De Glyptotek is een wat wonderlijk museum. Het werd gebouwd in 1892-1897 naar typisch negentiende eeuws recept. Vanuit een monumentale hal leiden grote rijk bewerkte trappen naar de kunstschatten. Het is grandeur als teken van de grootsheid van de kunsten. Nog geen tien jaar later werd er al uitgebreid. Een tweede - veel pragmatischer - gebouw werd er achter geplaatst: een carré-vormige omgang met kabinetten voor oudheidkundige verzamelingen, een majestueuze middenzaal voor Romeins plastiek en twee binnenhoven om lucht, licht en ruimte te scheppen. Het meest verrassende element is een met glas overkapte wintertuin, die als scharnier tussen de twee segmenten is geplaatst. Wandelend langs palmen, exotische bloemen en een vijvertje met goudvissen ga je op weg naar de adembenemende kunsten. Deze fusie van natuur en cultuur geeft de Glyptotek een ontwapenende charme.

Henning Larsen toont zich met zijn uitbreiding schatplichtig aan de bouwgeschiedenis van het museum. Vantevoren stond al vast dat een van de binnenhoven voor de aanbouw zou worden gebruikt. In plaats van deze simpelweg te overdekken en in te vullen met zalen als natuurlijke voortzetting van de rest van het museum, bedacht Larsen een doos die er als autonoom gebouw in is geplaatst. Een onafhankelijke uitbouw dus, zoals dat decennia eerder ook gebeurde. Door de entree vernuftig aan te laten sluiten op de wintertuin, wordt ook de scharnierrol ervan gerespecteerd.

De oplossing is volgens Larsen even logisch als vanzelfsprekend: “Het is een derde gebouw. Ik wilde iets maken dat zichtbaar is, waardoor je kunt zien dat er iets is bijgebouwd. In de zalen mocht geen daglicht doordringen, omdat zowel de impressionistische schilderijen als de Egyptische schatten weinig licht kunnen verdragen. Tussen onze doos en het oude gebouw heb ik een van boven aangelichte binnenstraat aanbracht met een rondom oplopende trap.”

“Als extra heb ik een terras bedacht bovenop de uitbreiding. Dat bleek een vondst. Zelfs de burgemeester zei dat hij Kopenhagen nog nooit op deze manier had gezien. Het museum is verder zoals ieder ander museum, heel stijf. De kunst hangt binnenin netjes in redelijk klassieke zalen. Door het terras kun je ook even naar buiten om wat frisse lucht te halen. Dat leek mij wel een goed idee.”

Trappen zijn altijd bijzondere plekken in een museum: de marmeren trap in het Amsterdamse Stedelijk Museum, de monumentale opgang van Aldo Rossi in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, de trap van de Amerikaan Robert Venturi in de uitbreiding van de National Gallery in Londen. Larsens trap heeft wel iets weg van die van Venturi, maar een verwantschap voelt de Deense architect niet. “Dit soort trappen zie je door de hele geschiedenis op veel verschillende plaatsen. Mijn trap is niet zo heel erg comfortabel. De treden zijn iets te groot. Dit was deels noodzakelijk, maar ik denk ook dat het geen gewone trap is. Je wordt ervan bewust gemaakt dat je aan het traplopen bent. Ik vind het goed als je bepaalde obstakels moet nemen, het loutert je ervaring. Je ziet het ook bij de oude piramides van Mexico. Die trappen zijn steil met korte treden, je moet echt moeite doen. Het ging de Maya's er niet om iets comfortabels te maken, maar iets betekenisvols.”

Eenzelfde beleving roept Henning Larsen op bij het afdalen naar de zaal met Egyptische mummies. Het is alsof je in de piramide van Gizeh afdaalt, al is de trap in de Glyptotek breder en heeft zij meer bovenruimte. “Met deze trap verwijs ik meer naar de lange brede langzaam aflopende trappen in de koningsgraven in de Vallei der Koningen bij Luxor, dan naar de benauwde gangen naar de grafkamers in Gizeh”, aldus de architect.

“Ik probeer in de uitbreiding een opeenvolging van ervaringen op te roepen. Vanuit de wintertuin kom je in een glazen entree, daarna in een vrij donkere ruimte, een soort antichambre, en vervolgens weer in het volle licht met de trap. Het activeert je zintuigen. Daar speel ik graag mee. Ik streef ook bewust een schaduweffect na met het licht dat via de glazen overkapping op de muur valt.”

De zalen hebben een klassiek karakter, geheel conform de negentiende eeuwse opvattingen. Waar iemand als Wim Quist de Zuidvleugel van het Rijksmuseum een sterk modernistische invulling heeft gegeven - met grote doorgangen en zalen die nadrukkelijk in elkaar overvloeien - waarborgt Larsen de intimiteit van een kunstkabinet. Opvallend is de vloer. Warm parket heeft Larsen gecombineerd met koel wit marmer aan de randen. “Ik wilde een duidelijke barrière maken tussen de schilderijen en de toeschouwer. Het zijn kwetsbare stukken, dus er moet een bepaalde afstand zijn. Dat marmer zorgt voor die afstand. Niemand zal erop stappen. Wat ik het mooie vind van deze oplossing, is dat je met wit of zwart - alleen bij die twee kleuren - de kleuren eromheen 'schoon' houdt. De gekleurde wand wordt er duidelijk door gescheiden van bijvoorbeeld de houtkleurige vloer. Beiden komen daardoor meer tot hun recht. In de Egyptische zalen heb ik zwart gebruikt, daar is het ook wat donkerder. Bij de impressionisten is het wit. Ik hou van het idee dat je een duidelijk uitgekaderde wand hebt, een gearticuleerde vloer en zo'n band als een neutrale zone. Een witte barrière. Je ziet dat het publiek dit ook respecteert en het zo gebruikt. We hebben het ook met zwart geprobeerd, maar dat is te donker voor die heldere impressionistische schilderijen, alhoewel een schilder vond dat het wit juist de schilderijen overstraalde.”

Als je de aanbouw van de Glyptotek ziet met zijn serene formaliteit, de stijlvolle classicistische vormentaal en het teruggehouden materiaalgebruik - wit marmer, geel baksteen en stucco - dan is het bijna niet voor te stellen dat Larsen in de jaren zestig is begonnen als onvervalste structuralist, een stroming waartoe ook Aldo van Eyck en Herman Hertzberger behoorden. “Het was een fenomeen uit de jaren zestig en zeventig, een tijd met veel prijsvragen. In die periode ontwierp ik verschillende universiteiten, allemaal enorme complexen. Sommige tot bijna een miljoen vierkante meter. Het structuralisme was de enige oplossing om dat soort enorme opgaven op te lossen. Het was vooral een prachtige intellectuele oefening. Geen enkel project is echter volledig uitgevoerd. Overheden en universiteiten realiseerden zich dat je die intellectuele oefeningen niet kunt bouwen. Het bloedde min of meer dood. Toch hebben mijn ontwerpen nog steeds een structuralistische tendens. Het concept en de structuur van een gebouw zijn mijn vertrekpunt en niet een mooie vorm of zoiets. Ik denk vanuit de plattegrond en het ontsluiten van de ruimtes.”

Deze ambities zie je terug in de projecten van de laatste jaren. Het kantoor voor BT is een glazen hoekoplossing tussen twee bestaande kantoren van de krant. Het functioneert hierdoor als scharnier. Bijzonder voor Larsen is het ruime gebruik van glas. Waar zijn andere gebouwen vaak van solide gesloten materialen zijn gemaakt, is het BT-kantoor transparant. Eén gevel is naar een winkelstraat gericht en om niet al te veel inkijk te hebben, maar toch de activiteiten binnen zichtbaar te houden, heeft Larsen er een wand van geperforeerd staal voor geplaatst. Het is een vorm van hightech, die je in de andere projecten niet terugvindt.

De toneeltoren van het Albertslundhuset is wat dat betreft vel meer 'Larsen'. Het is een puur functionele ingreep, een betonnen doos, geplaatst achter het redelijk kleine zaaltje. Een trapezium-vormige ombouw van houten lamellen maken de toren echter tot een stijlvol baken. Larsen maakt hierbij vernuftig gebruik van een vijver achter het theater, die als een klassieke 'reflecting pool' functioneert. Ook aan de Tuborghavn werkt de architect met een blikvanger. Met een taps toelopende toren kreeg het complex met winkels, woningen en kantoren een onvervalste 'landmark'. De rotunda is entreegebouw voor een supermarkt en 'sokkel' voor een restaurant. Het is een sterk staaltje van effect-architectuur, met sobere in plaats van schreeuwerige middelen. Het is de expressieve kant van een architect die zich het liefst harmonieus voegt naar een gegeven situatie. Dat is typisch Deens: rustig en dienstbaar harmoniëren, niet met de borst vooruit een extreme architectonische uitspraak doen. Dat Henning Larsen zich als één van de weinigen weet te onderscheiden, komt doordat hij het pragmatisme met het sublieme weet te combineren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden