Hennie Kuiper is trots op Mejia en Armstrong

SAINT-LARY SOULAN - In dubbel opzicht is Hennie Kuiper de succesvolste Nederlander in de Tour de France. De ploegleider van de Motorola-equipe pronkt met Alvaro Mejia als een van de revelaties in de rondrit door Frankrijk en de inmiddels naar Amerika vertrokken Lance Armstrong als een groots ritwinnaar.

JOHAN WOLDENDORP

Belangrijker nog dan deze momentopnames was het goede nieuws vanuit de States dat de hoofdsponsor was teruggekomen op het voornemen aan het eind van het seizoen afscheid te nemen van de wielersport. De goede sfeer en dito resultaten, alsmede aanmoedigingen vanuit het bedrijf zelf, toch vooral de sponsoring te continueren, leidden tot een opmerkelijke beleidsombuiging. Normaal weten de analytische rekenmeesters exact wanneer ze voldoende vruchten van sportsponsoring hebben geplukt. Managers die alsnog besluiten een jaar door te gaan (met een optie op het seizoen 1995), dat is in het beroepswielrennen niet eerder voorgekomen. “Een unieke zaak,” zegt Hennie Kuiper. “Misschien komt het mede doordat niemand heeft lopen zeuren toen bekend werd dat de sponsor ermee wilde stoppen. Vaak proef je dan bij het personeel een houding van: wat kan mij het nog schelen. Maar iedereen is gewoon hard door blijven werken.”

Mejia en Armstrong zullen in sportieve zin ongetwijfeld hun stem in de directievergadering hebben laten weerklinken. Beide renners stralen op hun manier iets aandoenlijks uit. Mejia als de eenzame Colombiaan in de ploeg, die geen enkele karaktertrek van zijn landgenoten lijkt te hebben geerfd, Armstrong als de op en top Amerikaan, die vertwijfeld aan Kuiper vroeg waarom hij de Tour de France eigenlijk moest rijden. Het liefst zou hij willen dat de hele wielerkalender rond Austin, Texas, wordt afgewerkt.

De doorbraak van Mejia, twee jaar geleden de beste jongere in de Tour de France, spot met alle wetten. Wellicht rees zijn ster dit seizoen omdat hij een aloude wielerwijsheid tot in de perfectie belichaamde. Kuiper: “Wat Peter Post altijd zegt, is waar: een coureur moet honger hebben.

Nou, Mejia heeft dit voorjaar echt honger en dorst geleden. Toen bleek dat de profploeg van Jose de Cauwer er niet zou komen en Mejia zich als amateur maar moest zien te redden, heb ik tegen Jim Ochowicz (de manager van de Motorola-formatie - red.) gezegd dat we hem moesten nemen. En Mejia had honger! Hij wilde alleen maar rijden. Voor de etappe naar Chalons-sur-Marne (aan het eind van de eerste week - red.) zei hij tegen mij: Ik wil me testen, ik ga aanvallen. Doe het maar in de bergen, antwoordde ik hem. Maar ik heb het nodig, was zijn verweer. Ik wilde hem behoeden voor een frustratie. Een mislukte aanval plaatsen en vijf, zes minuten verliezen, dat is slecht voor je moraal. Er zat een bergje in het parcours. Doe het daar en dan goed, adviseerde ik hem en hield ondertussen mijn hart vast. Hij voerde de opdracht perfect uit. De voorsprong bleef beperkt, omdat Once ging rijden.''

Mislukking

Zijn rentree in het peloton, in mei, liep op een daverende mislukking uit.

Mejia moest in de eerste etappe van de Ronde van Romandie afhaken, maar ging de dagen erop harder trainen dan zijn collega's fietsten. De Ronde van de Oise ging aan zijn neus voorbij omdat zijn visum niet in orde was.

De douane op het vliegveld Charles de Gaulle stuurde hem terug. Met slechts twee koersjes in de bagage, moest Mejia de Giro in. “Ik liet hem lekker modderen,” zegt Kuiper. “Hij kwam een paar keer goed kapot binnen, maar nooit kapot genoeg naar mijn gevoel. Een renner als hij moet een keer goed door de draad zijn geweest.”

Mejia heeft boven luisterrijke landgenoten het voordeel dat hij redelijk kan tijdrijden en op het vlakke in ongewenst contact met anderen fietssturen niet tot spaghetti vermaalt. “Laat hem maar sjouwen,” zegt Kuiper. “Hij is vierde geweest op het WK, dat telt voor mij zwaarder dan het winnen van een klassieker. Dan heb je veel inhoud. Je zou verwachten dat hij als alle Colombianen nerveus en impulsief is. Alvaro heeft daarentegen een hele rustige natuur. Het is ook goed dat hij weg is uit zijn omgeving. In Colombia is voor een wielrenner het hele leven halleluja. Ze lopen er met hun hoofd in de wolken. Daarom wil ik ook geen integratie van Colombianen in mijn ploeg. Ze gaan dan meteen hun eigen gang. Ze willen een renner meenemen, enzovoort. Laat hem maar lekker op zijn eentje zijn. En hoe het verder ook loopt in deze Tour, wat hij doet is een droom.”

Lance Armstrong is ook zo'n wonderlijke verschijning. Vorig jaar, na zijn mislukte Olympische Spelen werd hij prof en reed zijn eerste wedstrijd (de klassieker San Sebastian-San Sebastian) op het moment dat de sluitingsceremonie in Barcelona nog moest plaatsvinden. Kort daarvoor was hij op zijn afscheidsfeestje als amateur lekker doorgezakt. Het was aanvankelijk snikheet in Baskenland. Heel relaxed meldde hij zich halfweg koers bij Kuiper om wat eten en drinken tot zich te nemen. “We gaan de wedstrijd toch wel uitrijden, zei ik tegen hem. Hij keek me aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Hij dacht na en zei toen: OK, ik haal de finish. Vervolgens werd het heel slecht weer. De meesten stapten af, de rest was binnen en ik wachtte nog steeds op Armstrong. Op een gegeven moment zag ik twee motoren met zwaailicht. Armstrong er achter. Het was toch best mooi, zei hij tegen mij. Een weg voor mij alleen en twee agenten die het verkeer tegenhouden. Wat wil een wielrenner nog meer.”

Naar huis, naar Austin, Texas, was de indruk die hij bij een interview aan de vooravond van de aprilklassiekers wekte. Na de harde eerste schooldag die 'San Sebastian' heette, klonk het uit zijn mond: “Ik rijd Parijs-Roubaix niet om te leren, maar om te winnen.” Anderhalve week voor dato luidde de tekst: “Ik rijd Parijs-Roubaix helemaal niet.” Kuiper: “Hij zag het toen inderdaad niet zitten. Hij dacht wedstrijden te kunnen winnen. Dat lukt je in het voorjaar nauwelijks. Pas in de Tour DuPont (een Amerikaanse etappewedstrijd - red.) kon ik hem ervan overtuigen dat ie de Tour moest rijden. Ik ben zuinig op hem: daarom heb ik hem na de Alpen ook af laten stappen. Met tegenzin ging hij naar huis. Ga je lekker ontspannen, zei ik. Een keertje moet je nog goed rijden dit jaar: op het wereldkampioenschap.”

Hoe droefgeestig zou het leven van Hennie Kuiper zijn als hij nu aan het hoofd stond van een Nederlandse wielerploeg? “Ik bekijk de wielersport altijd positief. We verkeren momenteel in de situatie dat we even niet meekunnen. Bij Maassen en Nijdam loopt het niet. Als dat in het begin van de Tour al het geval is, lukt het verderop helemaal niet meer. Eerlijk gezegd had ik van die twee, van Bouwmans en van De Vries toch meer verwacht.” Wellicht was hun voorbereiding te zwaar, een generale klacht als je Nederlandse renners naar een verklaring van het collectieve falen laat zoeken. Kuiper is het er mee eens, ofschoon hij nationaal recordhouder moet zijn wat betreft het aantal koersdagen per jaar. “Dat klopt. Ik heb veel te veel gekoerst in mijn leven. Ik had een dubbele palmares kunnen hebben als ik verantwoorder met mijn krachten was omgesprongen. Ik had het ideale lichaam voor een wielrenner. Maar de begeleiding sloeg nergens op. De onzekerheid was mijn pest als wielrenner.

Ik rommelde maar wat aan. Pas in 1983, een van mijn beste jaren, was ik succesvol, omdat ik tot de ontdekking kwam dat ik lang niet hard genoeg trainde. In de voorbereiding op de Tour ben ik met de ploeg alleen maar naar Luxemburg en Zweden geweest. Lekker op snelheid getraind. In Zwitserland word je over alle mogelijke cols gestuurd. Waanzin, zo vlak voor de Tour de France.''

Hartslagmeters

Kuiper put zijn kennis nu uit de wereld van de medici, die renners selecteren op de scores op hartslagmeters (de ploeg van Indurain) en uit de uitdraai van de hartslagfrequentie van Chiappucci in diens etappe naar Luz Ardiden, in 1991. “Daar kun je alles op aflezen. Het is ongelooflijk belangrijk om die kennis te bezitten. Hampsten heeft op dat punt enorme vorderingen gemaakt. In tijdritten heeft hij zijn anaerobe grens met drie kilometer per uur verlegd. Goed, hij verspeelt nog minuten op Indurain, maar hij weet nu dat hij niet beter kan.”

Wetenschappelijk gezien blijft de wielersport mijlenver achter lopen op bijvoorbeeld de atletiek. Er gaat in het cyclisme een paar honderd miljoen aan sponsorgeld om, maar in zeker opzicht wordt er structureel aan kapitaalsvernietiging gedaan. Kuiper: “Ik noem het slecht geinvesteerd geld. Mijn standpunt is: laat de 18e, 19e of 20ste man van je ploeg vallen en gebruik het geld om de rest beter te laten functioneren. Maar het is net als met de merkwaardige, maar uit aerodynamisch oogpunt o zo doelmatige fiets van Obree, die zaterdag het werelduurrecord scherper stelde: als je in de wielersport met iets nieuws komt, word je meteen hard uitgelachen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden