Henk van Ulsen / Steeds weer die IJssel

Henk van Ulsen (Kampen, 1927), is acteur. Hij studeerde in 1949, cum laude, af aan de Amsterdamse Toneelschool. Van Ulsen kreeg twee keer de Louis d’Or toegekend en won de Albert van Dalsumprijs. De komende maanden is hij, onder andere, te zien in ’Dood in Venetië’. Ter ere van zijn 80ste verjaardag en de 150ste geboortedag van IJsselschilder Jan Voerman, opent de acteur en verzamelaar op 24 februari de tentoonstelling ’150 jaar Voerman. Een keuze van Henk van Ulsen’ in het Museum de Fundatie te Zwolle.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„De vrees was vroeger groter. Niet dat ik ermee ben opgevoed – ik kom uit een vrijzinnig protestants milieu – maar er zijn natuurlijk invloeden van buiten het gezin en daar ben ik een leven lang gevoelig voor geweest. Ik herinner me juffrouw Hendriks, de stadsevangeliste die, leunend op haar fiets, beladen met traktaatjes voor de kinderen, langs de scholen trok. Vooral bij onze school, school A, praktisch de enige school zonder ’den Bijbel’, kwam ze vaak. Ik vond haar lief, een soort oma, maar er ging ook iets dreigends van haar uit. ’Jezus roept u!’ Ze werd vaak uitgelachen. Niet door mij! Je wist ten slotte maar nooit of Jezus werkelijk riep. Ik was een kind van God, zei juffrouw Hendriks. Die gedachte heeft mij vooral geïmponeerd: God als een almachtige, niet te bevatten grootheid. De IJssel, de rivier die me zo vertrouwd was, maar waar je toch zomaar in kon verdwijnen, heeft in die vrees ook een enorme rol gespeeld. En dan was er nog de beginnende romantiek. Ik had al snel in de gaten dat ik niet ’gewoon’ was. Ik zocht het op, nam mensen mee naar huis, maar ik had tegelijkertijd het gevoel dat ik dingen deed die niet mochten en dat er van Hogerhand wel eens ingegrepen zou kunnen worden.

Ik zal niet zeggen dat God is verschrompeld is tot niets, misschien is God wel verwijd, maar dan ook tot niets, begrijp je? Er is een mate van erkenning. Ik heb de neiging dankbaar te zijn. Dankbaar voor het leven. Voor het zijn. Noem het God. Ik ben tot een beter begrip gekomen, maar kom mij niet aan boord met vragen als: hoe zit het dan met het hiernamaals? Dan loop ik hartstikke vast. Mijn moeder heeft me dat ooit eens gevraagd. ’Wat denk jij, is er nou nog iets na dit leven?’ En ik, met een hart overlopend van liefde, antwoordde: ’Tuurlijk, moeder, dat kan niet anders!’ Ik wil het ook graag geloven. Of laat ik het anders zeggen: ik wil het niets niet aanvaarden.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„De beeldende kunst houdt mij op de been. Muziek, schilderkunst, toneel: er zijn steeds weer ogenblikken die je, door één van die disciplines voorgebracht, haast religieus zou kunnen noemen. Vooral wat taal – een woord, een regel – ontketent, ja, dat zijn ultieme momenten van creativiteit, van scheppende kunst. Ik kan daar zo intens van genieten. Dat gevoel gaat maar niet over. En zo lang dat gevoel er nog is* nog? waarom zeg ik nog?* zo lang dat gevoel er ís, wat kan mij dan gebeuren?”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Als ik Job speel, of Prediker met name, is mijn overdracht kennelijk zo echt, zo geleefd, dat men na afloop wel eens placht te reageren met: ’U moet wel zeer gelovig zijn’. Het was dan niet eens een vraag, het leek eerder een voorwaarde. Alsof ik, als niet-christen, eigenlijk het recht niet had om die theatervoorstellingen te maken, alsof het blasfemisch was. Dát vond ik het ergst; dat er werd getwijfeld aan mijn oprechtheid. Deze teksten komen uit mijn hart. Hoe kun je mij verwijten dat ik daar een beetje sta te sjoemelen? In Vroomshoop heeft het bestuur van een theater nog wel eens bezwaar aangetekend en de boel geannuleerd. Toen heb ik trammelant gemaakt, in de krant partijen tegen elkaar opgezet. Ja, zeg! Zijn ze nou helemaal? Die gelijkhebberigheid van die zwaren, brrr* Tegenwoordig is het allemaal aaiepoes, dat komt vanzelf als je ouder wordt, de tijd van de mensen die zich over mij beklagen is voorbij, voorbij, voorbij.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„In mijn directe omgeving, thuis – vader, moeder, broer – was er van beklemming niets te merken, maar Kampen op zondag, ja dat was* ik zie mezelf weer fietsen, in mijn witte, vlotte tennispakje. Langs de IJsselkade, de brug over, naar de buitensoos waar de tennisbanen lagen. Ik passeer hele gezinnen in het zwart. Kinderen die mij kennen mogen van hun ouders toch niet naar mij zwaaien. Ik vind het rot, een beetje belachelijk zelfs, maar ik ben vooral erg blij dat ik lekker kan gaan tennissen.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Mijn moeder: zeker niet onknap, maar ook niet uitgesproken aantrekkelijk. Beetje boers van gezicht. Vrij forse neus. Wilskrachtig van blik. Zo dik als een moeder moet zijn.

Haar vader was paardenkoper, een slimme man die desondanks altijd in het leven aan het kortste eind trok. Veel humor, toch. Ondeugend. Hij bezat een uitspanning buiten Zwolle, de Agnietenberg, waar de chique luitjes een beetje kwamen eten, zich ontspannen. Mijn grootvader wilde het liefst zijn vijf dochters daar aan het werk zetten, maar ze verdomden het stuk voor stuk en gingen allemaal de verpleging in. Dat heeft twee kinderartsen opgeleverd. Mijn moeder stond op het punt om hoofdverpleegster te worden toen mijn vader langskwam en – ik vertel het nu een beetje speels – zei: ’Ga jij maar mee naar Kampen, daar is het veel leuker.’

Ida Gerhardt, die twee jaar bij ons op kamers heeft gewoond, noemt haar in één van haar brieven ’de Absolute moeder’. Een soort heiligverklaring. Zo blijft ze in mijn herinnering bewaard: de Absolute moeder. Betrouwbaar, verzorgend, opkomend voor haar kinderen. Maar ik had ook met haar te doen omdat ze* hoe zal ik het je zeggen? Ze was niet zo gelukkig. Mijn vader maakte haar niet gelukkig. Er waren veel conflicten. Ik heb mijn moeder wel eens horen dreigen dat ze de IJssel in zou springen.

Mijn vader was burgerlijker. Zoon van een timmerman. Enorme plichtsbetrachting. Ik heb het als kind niet gezien, ik dacht alleen maar: waar gáát dit over? Zo laat thuis is zo laat thuis. Is het al betaald? Vanwaar die stiptheid? Nu kan ik alleen maar respect hebben voor de jongen die van de ambachtsschool kwam, op het kantoor van de NV IJsselcentrale ging werken, van de tekenkamer opklom naar de directiekamer en – hielden wij van elkaar? Tja. Grote vraag, dominee Visser* toen zweeg hij laf* Genegenheid, zeker, maar liefde? Ik zou hem nooit de Absolute vader noemen, al moet ik wel zeggen dat ik geen spijtgevoelens heb, geen wrok koester. Ik lijk meer op haar dan op hem. Ik zie nu ook waar het conflict ontstond. Zij was veel losser. Losser in haar opvattingen. Ik zeg maar wat: mijn moeder haalde een blouse bij Maison Chique, op de Melkmarkt in Zwolle en het eerste wat mijn vader vroeg, was: ’Is ’t besjolmd?’ Is het betaald? Ze hadden ook zo’n eigen taaltje, Jiddische termen, handjeklap, handelspraat. Nou, ’t was niet besjolmd en dan begon de ellende. Hij molesteerde haar niet, er werd ook niet gescholden, maar er ontstond een soort grimmigheid die niet makkelijk meer wilde wijken. Het maakte mij eenzaam. Ik deed met des te meer intentie dingen waarvan ik mij nu afvraag: waren ze daar eigenlijk wel blij mee? Eenzame avontuurtjes. Contact zoeken. Mijn broer was zes jaar ouder, dat was een funest verschil. Hij lag overal – op school, bij de padvinderij – een rang voor. Tussen ons is het veel later nog helemaal fout gegaan – ja, dat móet ik je vertellen. Moet je horen: mijn ouders waren gecremeerd. Hun urnen stonden de eerste tien jaar in een columbarium. Ik ging er iedere verjaardag van mezelf naartoe. Legde mijn armen om die koude urnen, gewoon, om ze een beetje op te warmen. Ik zat daar niet, zoals het de oude Griek betaamt, te wenen bij wat er nog van mijn ouders over was, nee, het deed me gewoon goed. Toen brak de dag aan waarop mijn broer en ik het tijd vonden om de as te verstrooien. Dat zou gebeuren vlakbij hun huisje, in Wezep. Ik stond al een tijdje te wachten – mijn broer was laat – toen, vanuit het crematorium van Lelystad een man met de urnen van mijn ouders, nota bene in een Kanis & Gunnink-doos, kwam aangestapt. Vader was een grote vriend van Jules Gunnink geweest. Ze jaagden samen. Dat wil zeggen: mijn vader hield de honden. Jules schoot. Meestal mis. Maar goed, die vent van het crematorium bleek een aardige, niet onknappe, in jacquet gestoken man. Ik weet nog dat ik hem een beetje verleidelijk vond en dat ik mezelf betrapte op de gedachte: het zal toch niet gebeuren dat ik met hem iets sappigs uithaal voordat mijn ouders hier – afijn, mijn broer kwam. Uiteindelijk toch op tijd. Ik herinner mij nog goed dat we moesten lachen om die man die zijn behandschoende vinger in de mond deed en hem vervolgens in de lucht stak om te voelen waar de wind vandaan kwam. Hij ging ergens verderop staan en gebaarde nog zoiets van ’Daar komen ze!’ Overigens: ik had geen idee waar moeder of waar vader zich schuilhield. Dat had ik niet willen weten en mijn broer had het allemaal best gevonden – hij had ook wel iets liefs, iets broederlijks, maar het verschil dat tussen mijn ouders bestond, bestond ook een beetje tussen hem en mij. Hoe dan ook: die man zwiepte – ik moet zeggen: hij deed het meesterlijk – de as uit die twee urnen. Twee regenbogen van grijze as, prachtig. Later, toen hij weg was, heb ik mijn broer omhelsd. Daar, zittend, bovenop de Dubbeltjesberg. Hij liet mij begaan, ik weet niet wat hij dacht. Even later dronken we thuis samen een borreltje en toen ging het mis. Het begon met: wie krijgt wat, de sfeer werd er niet beter op en ineens, heel abrupt, zei hij: ’Nou moet je me toch eens vertellen hoe het zit met die verdomde homoseksualiteit van jou.’ Ik zei: ’En waarom ben jij drie keer getrouwd en lukt het je niet vaker dan één of twee keer het bed met een vrouw te delen? Wie is hier nou eigenlijk homoseksueel?’ We zijn woedend uit elkaar gegaan en het is nooit meer goed gekomen. Niet lang daarna is hij, plotseling, overleden. Ik ben de laatste van het stel. Mijn ouders werden 79 en 81, dus* Weet je dat mijn gedachtengangen, naarmate ik ouder word, een steeds hoger deo volente-gehalte hebben? Ik omhels die filosofie geenszins, ik vind het gewoon leuk om te zeggen. Deo volente.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Dit beeld keert steeds terug: onze leraar Frans die, ’s morgens om vijf voor half negen zijn huis verlaat en niet, zoals altijd, regelrecht naar het lyceum loopt, maar linksaf slaat, langs het gemeentebad – in steden die langs rivieren zijn gebouwd flikkeren ze gewoon zo’n bak in de grond, hangen er wat spijlen tussen en dan heb je stromend water – en zich daar ontdoet van al zijn kostbaarheden. Vestje uit. Horloge. Precieuze man. Vader van een paar kinderen. Een diepe zucht en dan verdwijnt hij in de IJssel, om nooit meer terug te keren. Waarom? Die vraag achtervolgt mij* Jazeker, het heeft met mijzelf te maken. Gecoiffeerde man. Lichte pakken. Montuurloos brilletje – wat heel bijzonder was in die tijd. We moeten het natuurlijk niet gaan dramatiseren, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat ik, als jongen, een zekere angst heb gevoeld: was deze man homoseksueel? Is dit soms mijn lot? Tja* Zeg, ’t is hier verrekte koud geworden ineens. Zal ik warme choco voor ons maken?”

VII Gij zult niet echtbreken

„Ik ben niet zo geschikt voor relaties. Ik ben te nieuwsgierig of* ja, te geil, het is niet anders. Trouw zijn lukt me niet. Ik word er ook opstandig van: waarom zou dat eigenlijk moeten? Maar als het Henkie zelf overkomt, dan is-ie de eerste die op de bel drukt en roept: ’Ben je nou helemaal besodemieterd?’

Ik heb spijt gehad. Geen spijt van mijn ontrouw, maar spijt dat wat ik had daardoor verloren is gegaan. Sommige geliefden die ik heb bedrogen – en die dat niet gepikt hebben, geef ze eens ongelijk – zijn er nog steeds. Ik voel nog altijd liefde voor hen; er is iets wat mij ontroert, iets wat me raakt. Of het wederkerig is, weet ik niet. Soms is het nodig dat je helemaal weg raakt, weg móet uit iemands systeem. Ik heb sommige relaties met opzet versjteerd. Bang dat ze te veel van me zouden gaan houden. Bang dat ik mezelf zou verliezen; dat ik dan niet langer bovenop het paard zou zitten. Er is er maar één die mijn bestaan ment en dat ben ik. Het is die eigenheid, mijn moeders eigenheid, die steeds maar weer de kop op steekt.”

VIII Gij zult niet stelen

„Het was een mooie jongen, smakelijk type. ’Geen idee waar ik vannacht moet slapen,’ zei hij, ’kan ik niet bij jou blijven?’ ’Maar natuurlijk!’ Ik liet hem binnen en heb me de hele dag op ons samenzijn verheugd, maar toen ik ’s avonds thuiskwam, was hij weg. Ik zal niet zeggen dat hij m’n huis heeft leeggeroofd, maar ik was toch een paar mooie spulletjes armer. Dat bedrog, dat bedróg! Vreselijk. Bezit op zich interesseert mij niet zoveel. Ik ben de eigenaar van het huisje in Wezep, aan de rand van het bos. Het heeft vooral een emotionele waarde. Daar hebben mijn ouders gewoond. Daar zijn ze gastvrij en vrolijk geweest. Daar is ook de aftakeling begonnen: mijn moeders gang naar het ziekenhuis, mijn vaders laatste dagen* alles, tot en met de verstrooiing van hun as, vlakbij. En ja, dan kom ik wéér bij de IJssel uit. Steeds weer die IJssel. Als ik in Wezep ben rijd ik, minstens een keer per dag, met de fiets of de auto langs de rivier. De bocht bij Zalk, die is het mooist – ach, weet je wat ik laatst ontdekte? Dat de begraafplaats zich aan de overkant bevindt! Ja, de Styx, precies! Nee, ik hoef daar niet begraven te worden. Voor wie? Ik heb tien jaar geleden al besloten dat ik mijn lichaam ter beschikking van de medische wetenschap stel. Ik was in één klap van alle gesodemieter, de schrikbeelden van ovens of maden, af. Ogen, hart, nieren: alles mag netjes worden uitgeserveerd.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik had een mooi Marokkaans etuitje. Mevrouw van Riemsdijk, een oude, beetje wonderlijke, toverkolachtige vrouw die wel eens bij ons in huis kwam, zei: ’Wat een prachtig dingetje, hoe kom je daar aan?’ ’Nou,’ zei ik, ’dat heb ik gekregen van een mevrouw toen ik haar kind uit het water had gered.’ Haha! Dat schiet me nu zomaar weer te binnen. Ik zat boordevol fantasie. Loog gewoon een verhaal bij elkaar om mijn etuitje een reden te geven. Nou, dan móet je toch aan het toneel?”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Er is een zekere blijmoedigheid over mij gekomen. Ik kan jonge stelletjes – jongen met jongen, jongen met meisje, maakt niet uit – over straat zien lopen en daar niet meer chagrijnig van worden. Dat hejje gehad, man! Blijheid om een ander. Ouders met kinderen, de slager, de bakker, iedereen. Dat is voor mij niet altijd makkelijk of vanzelfsprekend geweest. Wat was het? Jaloezie? Ik weet het niet. In mijn carrière heb ik ook vaak het gevoel gehad dat het gras aan de andere kant van de dijk groener was. Ik bleef niet lang bij één gezelschap zitten. Maximaal twee jaar. Dan kreeg ik het gevoel dat er geen schot meer in zat. Eerzucht, dat was het. Ik wilde de beste, de nieuwste, de modernste zijn. Het heeft me veel opgeleverd, maar ik heb ook wel eens gedacht: waar heb ik mij nou in Godsnaam zo druk over gemaakt?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden