Henk Spaan

Henk Spaan (Heerhugowaard, 1948) is columnist voor Het Parool en het Algemeen Dagblad, programmamaker en oprichter en medehoofdredactuer van Hard Gras, 'het voetbaltijdschift voor lezers'. Spaan werkte lange tijd voor de radio en kreeg samen met Harry Vermegen grotere bekendheid door tv-programma's als Pisa, Die Twee en Nieuwe Koeien. Aan hun samenwerking kwam in 1996 een eind.

door Arjan Visser

1. Gij zult de heer uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw krachten

,,Ik was een koorknaap. Ik zong in de nachtmis, met een jurkje aan. Ik vond het leuk om te doen, maar ik zat ook in het koor om aan de hel te ontsnappen. Want daar moest je natuurlijk wel wat voor doen. Op mijn elfde gebeurde er iets in mijn leven waardoor ik het geloof vrijwel onmiddellijk doorzag als een grote poppenkast. Mijn moeder stierf. De kapelaan kwam en begon allerlei frases te debiteren die kennelijk bij een sterfgeval geuit moeten worden. Ik zie hem nu weer binnenkomen en kan de afkeer die ik had opnieuw voelen. Het was, in het licht van die afschuwelijke gebeurtenis, zo'n hocus-pocus; ik vond het nergens op slaan. De scepsis heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld en toen ik vijftien was, heb ik het katholiek geloof definitief aan de kant gezet. Er is nooit iets anders voor in de plaats gekomen, nee. Er is namelijk niets. Waartoe ik hier dan op aarde ben? Als goed katholiek moest ik op die vraag leren antwoorden: 'Wij zijn op aarde om God te dienen, om hier en later in het hiernamaals gelukkig te worden.' En ik meen dat het woordje 'hier' er pas later aan is toegevoegd. Nu zou ik antwoorden: misschien ben ik op aarde om voor mijn dochter te zorgen. Om er nog een paar jaar voor te zorgen dat zij zich kan ontwikkelen. Dan ben ik oud, word gebrekkig en ga dood. En dat was het dan. Tja, ik kan er ook niet meer van maken. Natuurlijk vraag ik me ook wel eens af: wat doet dit leven er dan eigenlijk toe? Als je lichamelijk en chemisch, in je hoofd, in orde bent, overvallen dit soort gedachten je zo nu en dan. Dat is niet erg. Pas als je jezelf die vraag iedere dag gaat stellen, is het mis. Dat noemen wij een depressie. En daar moet je dan wat tegen doen.''

2. Gij zult de naam van de Here uw God niet ijdel gebruiken

,,Wij hebben een vloekpot in huis. Mijn dochter is tien. Zij is op een leeftijd gekomen waarop veel van straat mee naar binnen wordt genomen. Al moet ik zeggen dat zij, in ons geval, ook het nodige mee naar buiten neemt. Ik lever dan ook de meeste bijdragen aan onze vloekpot. Vloeken is lelijk. Het heeft niets met het beledigen van een God te maken, eerder iets met menselijke omgangsvormen. Vloeken? Sanctie, betalen! Ik vijf gulden, zij een dubbeltje per vloek. Na verloop van tijd gaan we samen naar het postkantoor om de inhoud van de pot op haar rekening te laten storten.''

3. Gij zult de dag des Heren heiligen "Na vijftig jaar, waarin het CDA dacht het alleenrecht op de zondag te hebben, was het zeer toe te juichen dat het paarse kabinet tegen die christelijken zei: eruit jullie, de zondag is van ons allemaal. Maar nu gaan al die winkelende mensen mij behoorlijk irriteren en denk ik bij mezelf: mwah, het mag wel weer wat minder druk worden op zondag in Amsterdam. We hebben een daad gesteld en nu mag wat mij betreft alles wel weer worden teruggedraaid naar hoe het was. Op zich is er niets op tegen om het een dag wat rustiger aan te doen. Da's goed voor de geest. Zo lang er maar geen religieuze component in zit. Want die zondag van het CDA - de zondag van vroeger - was me veel te opgelegd. Totalitair haast. Ik herinner me die dag dan ook als een dag waarop er niets mocht en van alles moest. Ik moest nette zondagse kleren aan, zodat ik niet ongelimiteerd in de bosjes kon wroeten. En met mijn mooie schoenen mocht ik natuurlijk ook niet voetballen. Bovendien moest ik naar de kerk. Ik vond het een buitengewoon saaie dag, terwijl ik nu nog wel eens terug verlang naar het gevoel van onafzienbare leegte dat zo'n zondag met zich mee kon brengen. Ik dacht er pas nog over om een stukje te schrijven over de noodzaak van verveling. Maar ik kan mij niet meer vervelen. Ik kan niet meer lamlendig op de bank hangen. Op zich is dat wel jammer. Want voor wie zich nog kan vervelen, is een dag veel oneindiger.''

4. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn moeder was onderwijzeres, net als mijn vader. Ze vond het belangrijk dat we goed leerden. Ik herinner me haar als een vrolijke vrouw - terwijl zij heel vaak ziek was. Ze had als meisje reuma gehad. In de loop der jaren raakten al haar gewrichten aangetast, tot op het laatst ook de hartkleppen het begaven. Tegenwoordig hoef je daar niet dood aan te gaan - je krijgt een plastic klep en leeft weer verder - maar voor haar betekende dit het einde. Haar dood werd slecht verwerkt bij ons thuis. Moeder was dood en daar werd niet meer over gesproken. Mijn broer, mijn zus en ik mochten ook niet naar de begrafenis. Ik was elf, ik had makkelijk mee gekund. Misschien wilde mijn vader ons beschermen, zoiets moet het zijn geweest. Zo van: als je er niet over praat, bestaat het ook niet. Ik wilde ook geen verdriet voelen. Ik wilde niet dat mijn vriendjes over haar dood spraken, omdat dat mij tot een buitenbeentje zou maken. En als je een ding niet wilt, als kind, dan is het een buitenbeentje zijn. Ik zweeg erover, net als mijn vader. Maar dat was, achteraf gezien, niet erg handig. Rond mijn twintigste ging ik over mijn moeders dood nadenken en werd depressief; voelde me voor de eerste keer pas echt verdrietig. Het heeft me een paar jaar gekost. Als ik nu aan haar denk, is het goed. Ik lijk op mijn vader - hij was alles wat je je bij een onderwijzer voorstelt: streng, ongeduldig, iemand die zijn stem verheft. Maar ik denk dat ik minder moeite heb om over mezelf te praten dan hij. Dat heb ik wel geleerd. Uiteindelijk merk je dat je maar beter kunt vertellen wat je dwars zit.''

5. Gij zult niet doden

,,Tot op zekere hoogte. Ja, wacht even: niet privè hoor. Ik ga iemand niet zomaar op z'n kop slaan. Maar in tijden van oorlog moet je toch wel van dit adagium afstappen, denk ik. Nu ben ik de dienstplichtige leeftijd ruimschoots ontstegen, maar onder die omstandigheden zou ik wel tot doden in staat zijn. Het zou hovaardig zijn om hier nu iets anders te beweren. Ik vond de anti-bombardement-uitingen van een aantal mensen tijdens de Kosovo-crisis een beetje hysterisch. Ik stond er volledig achter dat die bommen werden gegooid. Misschien had de legerleiding van meet af aan al voluit moeten gaan, dan had de oorlog niet zo lang geduurd. Wat moet je dan doen als een groep van zo'n twintigduizend man erop uit gaat om een bevolkingsgroep uit te roeien en hun huizen te brandschatten? Ik vind het goed dat de Navo in zo'n geval zijn technologische macht gebruikt om het kwaad te bestrijden. De geschiedenis leert nu eenmaal dat je met pacifisme helemaal niets bereikt.''

6. Gij zult geen onkuisheid doen

,,Weet je wat ik onkuis vond? De begrafenis van Peter Giele, op 21 juni. (Giele was onder meer mede-oprichter van de Amsterdamse discotheek Roxy.) Dat gesol met zijn lijk, het gezeul met die open kist, dat gedoe met die enorme vlammenwerpers. Gadverdamme. En dan zijn er ook nog mensen die naderhand, verlekkerd, schrijven dat 'de oogleden van het lijk door het vuur omhoog gingen.' Ik vond het liefdeloze vertoning. Je zag ook niemand huilen. Het was een party. Ik vond het niks. Respectloos. Het deed ook zo provinciaals aan, al die bluf: 'Kijk, zo doen wij dat in Amsterdam.' Wat nou? Bah. En dan die overdrijving: 'Giele was de Warhol van Amsterdam.' Warhol? Waar hangt zijn werk?''

7. Gij zult niet stelen

,,Ik heb ooit een idee overgenomen van Russell Baker, die vroeger als columnist voor The Herald Tribune werkte. Daar heb ik mij jarenlang voor geschaamd. Ik weet ook nog precies waar het over ging, kun je nagaan. Hij schreef dat je een gevoel van nieuwheid, dat je na de vakantie hebt, zo razendsnel weer kwijt raakt; dat je binnen de korste keren vervalt in al je oude fouten. Zoiets. Dat heb ik gepikt. Als ik het tegen collega's opbiechtte zeiden ze: pff, waar maak je je druk om? Dat doen wij zo vaak! Maar ik vind het zwak. Ik moet het zelf verzinnen. Ik zou niet kunnen zeggen of ik op eenzelfde manier wel eens bestolen ben, maar ik kan wel zien welke invloed Harry en ik op andere televisiemakers hebben gehad. Ik zal een voorbeeld geven. Tijdens de Olympische Spelen van 1992 hebben wij een huwelijksaanzoek voor een waterpoloër op video opgenomen, het bandje meegenomen naar het Olympisch dorp en het daar, aan de rand van het zwembad - met de camera erbij - voor die jongen afgespeeld. Afijn, de man schiet vol, het meisje komt tevoorschijn - einde van het onderwerp. Driekwart jaar later begint All You Need Is Love en wat denk je? Juist. Ik denk dat ik weet hoe ons idee in dat programma terecht is gekomen. Jan van Doorn, hoofd amusement bij Veronica, had onze uitzending gezien en zat ook in het in het brainstormteam van All You Need Is Love. Ik vermoed dat hij heeft gezegd: is die videoboodschap niet iets voor ons? Ik weet niet of zij Harry en mij schatplichtig zijn. Ga het maar eens bewijzen. Voor ons was het gewoon een leuk itempje; we hebben het nooit als een format gezien. Als je zo'n idee beschermt, kun je daar aardig veel geld mee verdienen, dat weet ik wel. Maar het maakt mij weinig uit. Ik voel me beslist niet bestolen.''

8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

,,Is dat ook een gebod? O, dat ben ik dan vergeten. Da's waarschijnlijk Freudiaans want ik heb geen enkel bezwaar tegen liegen. Ik zie niet in waarom je dat niet zou mogen doen. Ik heb jarenlang tegen mijn dochter gezegd dat ik vroeger dokter ben geweest. Daardoor kon ik makkelijker koorts opnemen of haar een aspirientje toedienen. Omdat ik dokter was geweest nam zij sneller aan dat het beter was om een dag in bed te blijven liggen. Ze is er onlangs achter gekomen dat het helemaal niet waar is, en ik geloof niet dat ze het mij kwalijk heeft genomen. Ik ben een bedreven leugenaar. Ik kan ook mezelf goed bedriegen. Als je een verhaal beter tot zijn recht kunt laten komen door er tien procent bij te verzinnen, moet je dat vooral niet laten. Niet binnen de journalistiek natuurlijk: je mag niet met de feiten sollen. Maar voor de rest? Ik vind het prima. Ik bedenk mij nu dat het zelfs goed is om te liegen. Het is amusement. Wat heb je nou aan de realiteit? Daar kun je je niet over amuseren. Je moet er altijd iets bij verzinnen om het leuk te maken.''

9. Gij zult geen onkuisheid begeren

,,Toen ik nog een jongen was, ging ik regelmatig bij mijn oma in Haarlem op bezoek. Dan ging ik onderaan haar trap staan en riep: 'Oma!' Als zij dan 'Ja jongen?' zei, schreeuwde ik zo hard mogelijk: 'Seks!' waarop mijn oma, standaard, antwoordde met: 'Gadverdamme jongen!' Ik ben opgevoed met de notie dat seks vies is. Ik heb op straat ook tegen iedereen gezegd dat mijn ouders nooit aan seks deden. Seks was iets voor anderen. Masturberen was het toppunt van onkuisheid. Daar heb ik mij later wel eens schuldig over gevoeld, maar het zat mij niet echt dwars. Ik heb veel meer last gehad van die ene keer dat ik een valse eed had afgelegd. Ik had gezworen dat iets, waarvan ik wist dat het waar was, niet waar was. Ik heb jarenlang gedacht dat ik daardoor in de hel terecht zou komen. Ik weet nog dat ik dacht: ik moet goed opletten dat ik niet onder de tram loop, want anders is het definitief afgelopen met mij. Maar seks, ach, dat kwam later pas, toen ik studeerde. En hoe meer je praktiseert, hoe minder problematische gevoelens je daarbij krijgt. Laat ik het zo zeggen: ik heb er niets aan over aan overgehouden. Ik ben geen man van aberraties. Als iemand er andere voorkeuren op nahoudt, vind ik dat prima, maar ik geloof - zonder hier nou als CDA-er te boek te willen gaan - in het traditionele gezin. Ik ben ook altijd trouw geweest. Terwijl de verleiding in ons beroep wel degelijk aanwezig is. Als je voor de televisie werkt, heb je makkelijker toegang tot andere mensen en... ach, bullshit, wat zeik ik nou? Overspel deugt gewoon niet. Punt uit. Het tast, op den duur, altijd de stabiliteit van je gezin aan. Bovendien is monogamie ook een stuk handiger. Ik begrijp niet hoe anderen er de tijd voor kunnen vinden om polygaam te zijn.''

10. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

,,Ik ben niet jaloers. In geen enkel opzicht. Ik vind het ook gênant om bij anderen te zien; jaloezie heeft iets kwaadaardigs. Je zou jaloers kunnen zijn op talenten van anderen, maar ook daar heb ik geen last van. Vroeger stond ik samen met W. F. Hermans op dezelfde pagina in Het Parool. Ik vond het meesterlijk. Ik was mij er zeer van bewust dat hij een betere column schreef dan ik, maar het kon mij niets schelen. Ik wil niet iemand anders zijn. Dit is wat ik kan. Op deze dag. Want: morgen moet ik beter zijn dan vandaag, dat wel. Ik vond het daarom ook prettig dat Martin Bril opstond als columnist in Het Parool. Bril was inspirerend, uitdagend, hij zorgde ervoor dat ik weer iets had om tegen te knokken. Ik weet ook zeker dat mijn columns beter zijn gworden sinds Bril van de partij is. En ik denk nooit: had ik het zo maar opgeschreven. Ik herken de kwaliteit in zijn columns, maar ik doe het op een andere manier. Het succes van anderen laat mij werkelijk koud. Ja, ook dat van sportlui - al zal ik niet ontkennen dat ik een carrière in de sport heb begeerd. Ik denk dat ik van mijn tiende tot mijn zestiende vrij zeker wist dat ik in het Nederlands elftal zou komen. Tot ik, samen met een jongen van mijn elftal, twee proefwedstrijden speelde voor DWS. Hij werd geselecteerd, ik niet. Dat was een teleurstelling. Maar volgens mij leef je als puber te oppervlakkig om daar erg lang onder gebukt te gaan. Misschien heb ik diep in mijn hart ook wel geweten dat ik niet goed genoeg was. Ik ben zeker niet uit frustratie de sportjournalistiek in gegaan. Sport heeft gewoon altijd een belangrijk deel van mijn leven uitgemaakt. Toen ik vijf, zes jaar was, hield Klaas Peereboom een keer per week zijn 'Sportpraatje'. Mijn vader zat dan heel dicht bij de radio en iedereen moest zijn kop houden. Dat was een belangrijk moment. Sport was belangrijk. Mijn vader is in 1988 gestorven, hij heeft stukken van mij gelezen, mijn kop op televisie gezien. Ik denk wel dat hij trots op me was, maar ik weet het niet zeker. Op een dag, begin jaren tachtig, vroeg hij me: 'Je moet eens zo'n krant meenemen waar jij in schrijft.' Dat is toch geen vraag? Koop die krant! Later, voor zijn verjaardag, heb ik hem min of meer om te treiteren een abonnement cadeau gedaan. Hij heeft een jaar lang de krant gelezen, zonder ook maar ooit iets over mijn bijdragen te zeggen. Misschien vond ik het wel jammer dat hij nooit iets zei; ik gaf hem natuurlijk niet voor niets een abonnement. Ik had toen kennelijk nog wel die behoefte aan vaderlijke aanmoediging. Maar ja... moeten we het hier nu echt over hebben? Ik wil best toegeven dat ik daarin tekort gekomen ben, maar het klinkt allemaal zo kinderachtig. Ik kan je wel vertellen dat ik het op dat gebied, bij mijn dochter, bewust anders doe. Ik prijs haar het liefst de hemel in.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden