Henk Kwakkel 1919-2007

Generaties studenten van de christelijke kweekschool ’Rehoboth’ in Utrecht leerden daar van muziek houden. Dankzij Henk Kwakkel.

De vader van Henk Kwakkel, spoorwegman te Utrecht, had zelf nooit de gelegenheid gekregen om iets aan muziek te doen. Maar hij had wel goede oren. Toen Henk een jaar of zes was en het gezin een jaarlijks dagje uit maakte naar Scheveningen, hoorden ze daar een straatviolist. Die man speelt práchtig, zei vader Kwakkel. Het was zo’n moment waarop een besluit valt. Zijn kinderen, besloot hij, moesten de gelegenheid krijgen om muziek te studeren.

Henk, de jongste van drie zoons – een later zusje was als baby overleden – kreeg vanaf z’n negende vioolles; hij had een vioolconcert van Bruch gehoord en was verkocht. Vioolles kreeg hij bij meneer Botermans, die kinderen al snel liet samenspelen. Henks oudste broer Lammert ging naar het conservatorium en werd organist, maar Henk wilde meer zekerheid en ging naar de kweekschool. Maar daarnaast nam hij ook lessen muziektheorie, zang en koordirectie.

De eerste jaren stond hij op een lagere school voor de klas, maar na de oorlog begon hij aktes te halen – wiskunde, muziek – want dan kon je ook lesgeven in het voortgezet onderwijs. Op de hervormde zondagsschool had hij inmiddels zijn vrouw Jo ontmoet. Ze hadden al drie kinderen – er zouden er nog twee volgen – toen er in 1953 een muziekvacature kwam op kweekschool ’Rehoboth’, aan de Maliebaan in Utrecht. Henk aarzelde: het waren wel minder vaste uren, en hij had per slot een gezin. Volg je hart nou maar, zei Jo.

Thuis kregen hun kinderen – drie dochters, twee zoons - met 6 jaar solfège, gehoortraining, en kozen ze met 8 jaar een instrument. Eerder kiezen was niet zinvol, vond Henk Kwakkel. Hij gaf ze vaak zelf les. Er heerste muzikale discipline bij de Kwakkels, maar dwingend was het niet. Als een van de dochters ’s morgens vroeg, wanneer Henk nog net niet naar school was, piano zat te oefenen en een foute noot speelde, dan zong hij corrigerend de goeie – maar nooit zo dat de moed je in de schoenen zonk. Had een andere dochter met twaalf jaar geen zin meer in de altblokfluit, dan was dat jammer – maar ook weer geen drama.

Op de kweekschool was muziek in die jaren een verplicht vak. Daar leerden de studenten vooral hoe je een klas kinderen leerde zingen: voorzingen, regel voor regel instuderen, ze zo snel mogelijk uit het hoofd laten zingen en ze naar de dirigent laten kijken. En vooral niet de fout maken om een lied te laag te zingen. Maar de bevlogen Henk Kwakkel bouwde het vak verder uit: als studenten er plezier in kregen zelf muziek te maken, dan gaven ze later ook beter muziekles. Er kwam een schoolkoor, dat tussen de middag repeteerde – de directeur van Rehoboth stelde die repetities voor het gemak verplicht. Kwakkel dirigeerde en organiseerde grote concerten. Eenmaal per jaar trad het koor op in een steevast uitverkocht Tivoli.

Niet alleen de plaatselijke, ook de landelijke pers kwam erop af en recenseerde – omdat Kwakkel voor die uitvoeringen ook professionele musici inhuurde. Daar was het geld voor. Het Utrechts Symfonie Orkest begeleidde, zangers als Elly Ameling of David Hollestelle zongen de solopartijen. „De uitvoering die wij gisteravond van dit oratorium hebben gevolgd,” schreef een recensent toen de school in mei 1960 ’Die Jahreszeiten’ van Haydn had uitgevoerd, „was uit technisch en artistiek oogpunt gezien bewonderenswaardig.” En: „Het is een haast onmogelijke taak om naast een eigenlijk overbelast schoolprogramma tijd te vinden een dergelijk groot werk in te studeren en met zulk een geslaagde uitvoering op het podium te komen.”

Die onmogelijke taak vond niet alleen Henk Kwakkel goed te doen. Opmerkelijk was ook dat de studenten, toen nog ongeveer evenveel vrouwen als mannen, het geweldig vonden. Zelfs bij wie van huis uit geen snars muziek had meegekregen of er eigenlijk niet zoveel gevoel voor had, raakte hij een snaar. Misschien was Henk Kwakkels geheim wel dat hij een echte didacticus was – en geen gemankeerde solist die z’n teleurstelling verwerkte in de vorm van frikkerigheid jegens muzikaal minderbegaafden. Zoals hij thuis voor zijn kinderen op zoek ging naar eenvoudiger manieren om een stuk te spelen, zodat ze konden samenspelen ook al hadden ze een verschillend niveau, zo ging hij ook bij het koor uit van wat een student wel kon. Evenmin was hij eenkennig qua repertoire. Hij voerde met zijn koor niet alleen gouwe ouwes uit als Haydns ’Schöpfung’ of het ’Requiem’ van Mozart, maar ook Hendrik Andriessen en Arthur Honegger. In z’n algemeenheid moest hij van popmuziek niet zoveel hebben, maar ’Yesterday’ van de Beatles, of sommige nummers van Queen, konden zijn goedkeuring wel wegdragen.

Thuis, op de piano, stond een spreuk: „We don’t stop playing because we are old. We are old because we stop playing.” Na zijn pensionering bleef hij zo lang mogelijk muzikaal actief – zijn vioolkist stond altijd open – al kreeg hij daar minder tijd voor toen Jo ziek werd en hij haar tot haar dood, in 2006, verpleegde. Zelf brak hij in oktober zijn heup en hoewel het erop leek dat dat weer goed zou komen, gingen zijn nieren en hart ineens verder achteruit. Een paar uur voor hij overleed had hij het nog met een van zijn dochters over de vraag hoe een koor, in de canon ’Ubi sunt gaudia’, het woord regis het best kan uitspreken. Ze zongen het. Moest je het uitspreken als redzjis, of met de g van garçon? Dat laatste, vond hij. Dat klinkt beter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden