Hemon excelleert met roman over immigranten

Een waargebeurd incident - waarbij een politieman in Chicago een immigrant doodschoot, inspireerde Aleksandar Hemon tot ’De dagen van Lazarus.’ Een zeldzaam meeslepend boek, vindt Carl Friedman, dat de genres psychologische thriller, autobiografische roman en reisverslag verenigt.

Chicago, 2 maart 1908. Om negen uur ’s ochtends wordt bij de woning van de commissaris van politie aangebeld. Voor de deur staat een armoedig geklede jongeman. Hij overhandigt een brief, maar de commissaris maakt geen aanstalten die te lezen. Bij de eerste oogopslag, zo zal hij later verklaren, bezorgt de onbekende hem een rilling van achterdocht. „De gedachte doorflitste mij dat hij iets in zijn schild voerde. Hij leek me een anarchist.”

De commissaris trekt zijn revolver en lost een schot. Op dat moment verschijnt een collega van hem, die eveneens begint te schieten. De bezorger van de brief wordt door zeven kogels getroffen en sterft ter plekke aan zijn verwondingen. Zijn broek wordt omlaag gesjord, waarna de commissaris zich over zijn kruis buigt en vaststelt dat de ’sluipmoordenaar’ een jood is.

De dode blijkt Lazarus Averbuch te zijn, een Rus die enkele jaren eerder naar de Nieuwe Wereld is gekomen. De politie is ervan overtuigd dat hij deel uitmaakte van een revolutionair genootschap en in die hoedanigheid betrokken was bij een complot tegen het leven van de commissaris.

De Amerikaanse samenleving, die in betrekkelijk korte tijd miljoenen Russische vluchtelingen heeft opgenomen, voelt zich door deze nieuwkomers overspoeld en bedreigd. In de pers wordt geklaagd over Oost-Europese Joden door toedoen van wie, zo heet het, socialisme en anarchisme als een pest de Verenigde Staten teisteren. Het establishment spreekt schande van „de al te ruimhartige immigratiewetten, de schrijnende onontwikkeldheid van de immigranten, hun aangeboren luiheid en de degeneratie die gemeengoed is in hun landen van herkomst”. Er wordt druk uitgeoefend op rabbijnen en andere Joodse voortrekkers, van wie men eist dat zij het radicale temperament van hun achterban een halt toeroepen. In joodse gebedshuizen wordt dan ook met klem ’de gruweldaad van Averbuch’ veroordeeld. Intussen blijft de ware toedracht van de gebeurtenissen verborgen.

Bijna een eeuw later stuit een Amerikaanse journalist in een stoffig archief toevallig op de zaak Averbuch. Zijn naam is Brik en hij is zelf migrant, afkomstig uit Bosnië. „De twee belangrijkste exportproducten van mijn geboorteland zijn gestolen auto’s en droefheid.” Met veel gevoel voor ironie karakteriseert hij de eigenaardigheid van Amerikanen, maar ook het typische gedrag van Bosnische vluchtelingen, bijvoorbeeld wanneer die in Chicago bijeenkomen om de Onafhankelijkheidsdag van hun land te vieren. „Bij het parkeren breekt niet zelden ruzie uit over de schaarse plaatsen voor invaliden - mannen die met dreigend geheven krukken bekvechten over wie er het meest gehandicapt is: hij die een been verloor door een landmijn of hij wiens ruggegraat beschadigd raakte bij een ranseling in een Servisch kamp.”

Brik wil alles te weten komen over Averbuch, die aan de Russische pogroms is ontsnapt naar het Vrije Westen om daar, als het ware door het noodlot achterhaald, alsnog te worden gedood. Wie was de vermeende anarchist? En wat ging aan het dramatische einde van deze twintigjarige vooraf? Hij vat het plan op een boek over de kwestie te schrijven. Daarmee hoopt hij zijn Amerikaanse vrouw, die in zijn financiële onderhoud voorziet, te bewijzen dat zij niet gehuwd is met een ’luie Oost-Europese uitvreter’. Maar hij is er vooral op uit de geheimzinnige Averbuch tot leven te brengen. Niet voor niets wordt vooraan in de roman verwezen naar de nieuwtestamentische opwekking van Lazarus: „En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit! En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken.”

Zozeer verdiept Brik zich in de zaak en zozeer vereenzelvigt hij zich met Averbuch, dat het voor hem een dwanggedachte wordt naar Europa te gaan om mogelijke sporen van hem te vinden. Hierbij laat hij zich vergezellen door een bevriende fotograaf, eveneens een Bosnische vluchteling, die onderweg nu eens ijzingwekkende, dan weer hilarische verhalen vertelt over de belegering van Sarajevo door de Serviërs.

Intussen wordt de zoektocht naar een joodse schim van honderd jaar geleden voor Brik almaar beklemmender, als een droom waaruit hij niet kan ontwaken. „Had de bijbelse Lazarus gedroomd, daar in zijn grafspelonk? Had hij zich als dode zijn leven herinnerd? En had hij zich na zijn levendmaking zijn dood kunnen herinneren?” Hij vergelijkt de wederopgestane Lazarus met een immigrant, een landverhuizer, die zijn vorige bestaan moet uitwissen om opnieuw te beginnen.

Naarmate het verhaal vordert, worden Brik en Averbuch verwisselbaar. Ze zijn elkanders plaatsvervanger. Maar waar bevindt zich de plaats in kwestie, waar is hun thuis precies? ’Thuis,’ zo beweert Brik, ’is waar het opvalt als je er niet meer bent’. Thuis, dat is waar men moet ontbreken om te worden gemist en waar men zich dus, paradoxaal genoeg, pas in eigen afwezigheid geborgen weet. Thuis, dat is zowel het leven dat de bijbelse Lazarus heeft verloren als de graftombe die hij achterlaat wanneer hij opstaat uit de dood.

Het slot van de speurtocht, dat hier niet mag worden prijsgegeven, is even verrassend als de ontknoping van het raadsel waarmee deze schitterende roman van Aleksandar Hemon aanvangt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden