Hemelse wezens zijn mild en meedogenloos

In de Nederlandse literatuur treden vaker dan gedacht engelen op. De hemelse wezens, bodes van God, spelen niet alleen een rol als personage, zij krijgen ook wel de functie van verteller toebedeeld.

In de roman Ik verbind u door (2004) van Vonne van der Meer neemt de vertellende engel niet alleen waar wat er gebeurt; de engel probeert de personages met influisteringen ook te behoeden voor misstappen: ‘Stilte, daar moet ik het van hebben‿Wees op je hoede, Jaap, fluisterde ik hem in, maak van de scherf in je hart geen dolk.’ De compassie van de engel beperkt zich niet slechts tot het goede in de mens, maar strekt zich uit tot zijn zwakheden en ondeugden, zoals blijkt uit de reactie van de engel als tuinman Tycho een oudere vrouw aanvalt: ‘Toen ben ik de tuinman achterna gesneld, want ook zijn geschiedenis gaat verder. Een moord kan nooit het laatste woord zijn, is nooit het einde, eerder het begin.’ Deze engel van Van der Meer is eigenlijk een soort beschermengel, die niet tot het katholieke dogma behoort, maar tot het zogenaamde volksgeloof dat ervan uitgaat dat iedereen geboren wordt met een beschermengel, hem toegewezen door God.

In het opvallend mild getoonzette Herinneringen van een engelbewaarder (1971) van W.F. Hermans neemt een beschermengel ook al de rol van verteller op zich: ‘Hij [Alberegt, LE] geloofde al lang niet meer in God en mij kende hij niet meer. Toch had ik hem al die jaren niet uit het oog verloren.’ In zijn pogingen de hem toevertrouwde Alberegt te beschermen, moet de engel wedijveren met de duivel. Waarschuwingen noch vermaningen hebben echter invloed op het handelen van Alberegt. Het bestaan van een bovennatuurlijke aanwezigheid lijkt met dat zij door Hermans wordt opgeroepen, even zo snel weer ontkend te worden – wat lijkt te passen bij de sceptische jaren zeventig, en in ieder geval bij de reputatie van Hermans als atheïst.

Er zijn meer boeken waarin engelen figureren. Beroemd zijn natuurlijk de engelen die in De ontdekking van de hemel (1992) van Harry Mulisch net zo lang ingrijpen in de wereld totdat ze de stenen tafelen terug naar de hemel hebben gebracht. Maar er is meer. In het verhaal ‘Advocaat van de hemel’ van Nelleke Noordervliet, in 2004 gepubliceerd in De Gids, wordt er weliswaar getwijfeld aan het bestaansrecht van engelen, maar hun bestaan wordt ook niet volledig ontkend. De hoofdpersoon gelooft niet in een hemel. Desalniettemin dient er zich, vlak na het overlijden van haar broer Henk, een engel bij haar aan: ‘Aan de keukentafel zit een engel. Ik weet dat het een engel is, omdat ik niet van hem schrik en omdat er een kalmerende geur van hem uitgaat, de geur van een korenveld in de zon.’ In de slotzin lijkt de engel ontmaskerd te worden als een zinsbegoocheling: ‘De engel staat op. Ik begin zijn ogen te onderscheiden.’ Niet zonder ironie wenst H.M. van den Brink zichzelf een engel toe in zijn reportage over het stierenvechten De dertig dagen van Sint Isidoor (2002): ‘Wanneer hij [de Heilige Isidoor, LE] terugkeerde van zijn kerkgang bleek namelijk dat een engel in zijn afwezigheid was doorgegaan met ploegen. [‿] Zo’n engel wilde ik ook.’

Naast goede engelen heeft ook Lucifer, de gevallen engel, altijd tot de verbeelding gesproken. Het meest beroemde voorbeeld in de Nederlandse literatuur is wellicht het gelijknamige treurspel Lucifer (1654) van Joost van den Vondel (1587-1679). Maar ook hedendaagse schrijvers worden geboeid door het lot van deze ‘gevallene’. In een al wat ouder essay getiteld ‘Goddelijke overwegingen’ in de bundel Over god (1983) vergelijkt Joyce & Co. (pseudoniem voor Geerten Meijsing) Lucifer met Mephistopheles, ‘de helper van elke kunstenaar’. De schrijver noemt elke scheppingsdaad een ‘handeling van rebellie naar het model van Lucifer, een [o]verwinning op de zo gehate natuur in onszelf en rondom ons.’ Eenzelfde soort overeenkomst tussen het scheppen van kunst en het verkopen van je ziel aan de duivel treffen we in de recente roman Lucifer (2007) van Connie Palmen, waar componist Lucas Loos uit de gratie valt na de met raadselen omgeven doodsmak van zijn vrouw Clara: ‘Als een van De Vier de kenmerken bezit van een god, dan is het de jongste loot aan hun stam, Lucas Loos. Wat is er misgegaan? Wat is er gebeurd met die illustere jongeling?’

En zo wordt er een verschil duidelijk. Vonne van der Meer en W.F. Hermans maken van hun verteller een beschermengel, die zorgt voor relativering, mildheid en mededogen met de menselijke zwakheid van de personages. Zijn tegenpool vinden we bij Vondel en bij Connie Palmen. Hun Lucifer is de personificatie van de hoogmoed, het rücksichtloze en het meedogenloze dat hoort bij een specifieke opvatting over het (romantische) kunstenaarschap.

Dit is een fragment uit het boek 'Niets in mij gelooft dat. Over religie in de moderne Nederlandse literatuur' van Liesbeth Eugelink, dat morgen verschijnt bij uitgeverij Ten Have. ISBN 9789025957186, €24,90.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden