Help! De bosmier wordt bedreigd

Wet Natuurbescherming | Rode bosmieren zijn beschermde dieren, maar ze worden niet meer genoemd in de nieuwe wet. Zorgwekkend, vindt entomoloog Jinze Noordijk.

Kijk, hij probeert me te bijten en kromt zijn rug om met zijn achterlijf mierenzuur in het wondje te spuiten." De rode bosmier die Jinze Noordijk tussen duim en wijsvinger houdt, worstelt vergeefs om los te komen.

Specialist bodembewonende insecten, dr. Jinze Noordijk, verbonden aan EIS Kenniscentrum Insecten in Leiden, bekijkt het diertje met een loep: "Dat dikke achterlijf duidt erop dat hij zich heeft volgegeten. Voedsel, zoals dode dieren, wordt in stukken gescheurd en omgezet in vloeistof. Die wordt in het nest uitgespuugd als voedsel voor het broed. Maar mieren slepen ook complete rupsen met zich mee." Een nest telt soms wel een miljoen werksters. Als die allemaal dagelijks een insect of rups doden, scheelt dat per jaar ontelbare beestjes, verklaart hij het nut van de bosmier voor het natuurlijk evenwicht.

Rupsenplagen

Noordijk betreurt dat de bosmier niet meer afzonderlijk wordt genoemd in de Wet Natuurbescherming die op 1 januari van kracht wordt. "Nu moeten de rode bosmieren nog ontzien worden als er beheerders in het bos aan het werk zijn." Het ministerie van economische zaken, dat over de Wet Natuurbescherming gaat, ontkent dat bosmieren vogelvrij worden. De woordvoerder noemt de diertjes 'zeker belangrijk'. Hij wijst erop dat de milieuwetgeving de verzuring en ontbossing tegengaat die de rode bosmier bedreigen. Afzonderlijke soortenbescherming heeft volgens het ministerie 'geen toegevoegde waarde', omdat doden, vangen en beschadigen van vaste voortplantings- of rustplaatsen geen bedreiging zijn voor de instandhouding van de soort.

Noordijk is het er niet mee eens dat je nesten niet hoeft te beschermen als er ergens anders ook nog zijn: "Volièrehouders zeven de poppen uit de nesten om die aan zangvogels te voeren. Bungalowparken verdelgen ze omdat ze bosmieren zien als overlast."

Rode bosmieren komen vooral voor in naaldbossen, ze maken hun nesten van naalden. Omdat naaldbossen vaak op houtproductie gericht zijn, is Noordijk bang dat aannemers met hun zware machines de koepelnesten niet langer ontzien. "Er is dan geen noodzaak meer ze te zoeken en met linten te marken. Dat scheelt tijd en geld. Een ander risico is dat mensen zich niet meer verdiepen in de soort en zelfs als ze het nest zelf ontzien, de belangrijkste voedselbomen weghalen of de diertjes op een andere manier schaden."

Om dat te voorkomen heeft hij een cursus ontwikkeld over de bosmier, speciaal voor boswachters en andere terreinbeheerders. "Zij moeten al met veel planten en dieren rekening houden en zorgen dat een bos voldoende hout oplevert. Dan vallen mieren weleens buiten de boot", beseft hij "al is dat de laatste jaren veranderd." Er is meer waardering voor het diertje dat de biodiversiteit bevordert en plagen voorkomt. Toen begin vorige eeuw bleek dat rupsenplagen niet voorkwamen in bossen met mieren, zijn ze op tal van plaatsen uitgezet.

Rood-wit lint

De inzichten over natuurbeheer zijn sinds de jaren zeventig erg veranderd. Er wordt selectiever gekapt en omgevallen bomen blijven liggen. Noordijk: "Je moet weten wat te doen. Een rood-wit lint om een nest hangen bij werkzaamheden, helpt niet als je tegelijkertijd een fietspad aanlegt over de route die de mieren gebruiken om voedsel te halen."

Op terrein van het Oranje Nassau's Oord in Wageningen laat de entomoloog zien wat hij bedoelt. Het koepelvormige nest in het donkere sparrenbos is ruim een meter hoog en helemaal opgetrokken uit dennennaalden. "Met deze hoogte vangt het nog wat zonnewarmte. Onder de grond is het minstens even groot."

Het krioelt er van de mieren. Ze gaan gangetjes in en uit, sjouwen met takjes of hars. Rond het nest groeit niets door het zuur dat de beestjes ter verdediging afscheiden. Na een meter of wat tekent zich een mierensnelweg af van zo'n twintig centimeter breed. De kerstbomen hier zijn twintig jaar oud, vertelt Noordijk. Het mierennest ligt er nog steeds, terwijl hier voor mieren geen voedsel is.

"Vorig jaar haalden ze hun voedsel in het gemengde bos aan die kant", wijst hij. "Nu halen ze het aan de andere kant." De bioloog leert zijn cursisten op dezelfde manier te onderzoeken hoe bosmieren hun omgeving gebruiken, voordat ze acties ondernemen die zo'n nest schaden.

"Mieren houden hun nest op dertig graden, ook 's winters. Als een nest in de zon komt te liggen, kunnen ze het in enkele dagen een paar meter verplaatsen." Daarom vertelt Noordijk cursisten die bang zijn dat een oud mierennest door opschietend hout te veel in de schaduw komt te liggen, niet zomaar een boom om te hakken. "Je kunt beter twintig meter verderop het bos wat uitdunnen. Als mieren er behoefte aan hebben, verhuizen ze wel."

de soorten

Er zijn vier soorten rode bosmieren, ze hebben een voorkeur voor zandgrond en de werksters meten vier tot negen millimeter.

- De behaarde bosmier komt het meest voor, de koninginnen beginnen na hun bruidsvlucht een eigen koepelnest. Meestal blijft het daarbij, maar er zijn ook kolonies van meerdere nesten, afsplitsingen van het eerste volk.

- De kale bosmier lijkt op de behaarde maar is minder algemeen. Bevruchte koninginnen keren vaak terug naar het nest waar ze zijn opgegroeid. Soms volgt alsnog afsplitsing, het nieuwe nest blijft onderdeel van de oude kolonie.

- De zwartrugbosmier komt niet voor langs de kust en op de Waddeneilanden, met uitzondering van Schiermonnikoog. In het nest van deze soort woont doorgaans één koningin, soms zijn het er meer.

- De stronkmier is de zeldzaamste, er is alleen een populatie bij Ommen bekend. Voorheen kwam de mier, die roder is dan de andere, ook voor op de Veluwe, bij Bergen in Noord-Holland en in Overijssel.

In het mierennest

Mieren eten alles, toch kunnen dieren die hun geur aannemen ongestoord in een mierennest leven. Honderden soorten doen dat ook. De mierenpissebed eet er de rommel op, en de glanzende gaststeekmier, die in een bosmierennest eigen nesten bouwt, zoekt er naar kleine prooidieren. Verder leven er tal van mijten en springstaarten, die het voorzien hebben op het strooisel waar het nest uit bestaat.

Een lieveheersbeestje dat in een bosmierennest overwintert, kan zich in het voorjaar zonder problemen tegoed doen aan de bladluizen die de mieren in de bomen houden en 'melken'. Dat doen ze omdat de werksters hun energie halen uit het suikerzoete honingdauw. De groene specht heeft het voorzien op de bosmieren zelf. Om de paar dagen gaat hij de nesten in zijn leefgebied af om zich tegoed te doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden