Hella Jongerius

tHella Jongerius tussen haar zorgvuldig op kleur gerangschikte vazen in museum Boijmans Van Beuningen, dat tot en met 13 februari 2011 een overzichtsexpositie aan haar wijdt. (FOTO ROGER DOHMEN) Beeld Roger Dohmen
tHella Jongerius tussen haar zorgvuldig op kleur gerangschikte vazen in museum Boijmans Van Beuningen, dat tot en met 13 februari 2011 een overzichtsexpositie aan haar wijdt. (FOTO ROGER DOHMEN)Beeld Roger Dohmen

Hella Jongerius (47) is de onbetwiste diva van Dutch Design en een van de belangrijkste ontwerpers van haar generatie. Momenteel experimenteert ze met kleuren.

’Dat vraagt nou iedereen’, zegt Hella Jongerius op licht geërgerde toon. De vraag was wat ze nu verder nog zou willen vormgeven, na alle vazen, meubels en andere interieurartikelen die ze al heeft ontworpen. Een auto misschien? „Een auto, een auto... Dat schijnt de top te zijn op designgebied. Maar niet voor mij.” Ze trekt er een vies gezicht bij.

Het is ongelooflijk hard gegaan met Hella Jongerius (47), die al jaren de onbetwiste diva is van Dutch Design. Internationaal geldt ze als een van de belangrijkste ontwerpers van haar generatie. Haar ontwerpen zijn aangekocht door gerenommeerde musea als het MoMa in New York en waren te zien op een tentoonstelling in het Designmuseum in Londen. Ze werkt voor de beroemde Zwitserse meubelproducent Vitra. Overal gaan de deuren voor haar open. Maar de keerzijde van roem is, constateert ze nuchter, dat ze ook heel veel deuren moet dichtgooien.

Voorafgaand aan dit interview heeft ze in een van de zalen van museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam urenlang vazen staan te verschuiven, tot ze alle driehonderd precies zo stonden als zij wilde. De vazen staan op kleur gerangschikt in een grote cirkel, als onderdeel van de overzichtsexpositie die Boijmans wijdt aan haar werk. Het is haar eerste grote tentoonstelling in een Nederlands museum.

Dat werd onderhand toch ook wel tijd?

„Wat moet ik daar nou op zeggen? Ik leef nog, ik ben nog volop bezig. Maar het is goed zo. En nu het er dan toch van gekomen is dat mijn werk ook in een Nederlands museum wordt getoond, ben ik blij dat het het Boijmans is, het mooiste museum van Nederland. En wat het ook zo aantrekkelijk maakt om hier te exposeren, is dat 95 procent van de tentoonstelling ook in Rotterdam is gemaakt, hier bijna om de hoek.”

Twee jaar geleden verhuisde Hella Jongerius met haar echtgenoot Lucas Verweij en haar twee dochters, die toen 3 en 5 jaar waren, vanuit Rotterdam naar Berlijn.

U hebt altijd gezegd dat u heel graag in Rotterdam werkte. Waarom bent u dan toch weggegaan?

„In Rotterdam had ik alles op orde. Een fijn huis, een goede studio. En dan gaat het kriebelen bij mij. Ik had gewoon door kunnen gaan en groter en groter kunnen worden. Maar dan had ik ook meer commerciële klussen moeten aannemen om mijn studio draaiende te houden. Maar ik kan het niet verdragen om dingen te maken waar ik niet achter sta. Ik had ineens enorm veel zin om opnieuw te beginnen, zonder een studio te werken. Ik wil dingen bevragen, onderzoeken. Ik ben niet iemand van ’u vraagt, wij draaien’.

„Mensen zeggen wel eens tegen me dat ik de tijdgeest goed aanvoel, dingen zie aankomen. Op het moment dat wij de knoop hadden doorgehakt om weg te gaan, brak de crisis uit. Dus achteraf is het een goed moment geweest om een nieuwe start te maken. Daar kwam bij dat Lucas ook wel toe was aan iets nieuws. En de kinderen gingen toen nog niet naar school, wat ook een gunstig moment is om naar een ander land te gaan.”

Waarom werd het Berlijn?

„In Nederland is Rotterdam voor mij de enige stad. Amsterdam is niet mijn ding. Ik hou van het rauwe, onaffe van Rotterdam. Dat hele cleane hoeft niet voor mij. We zijn gaan zoeken naar vergelijkbare steden in het buitenland. Parijs en Londen vielen sowieso al af omdat die onbetaalbaar zijn, als je een beetje goed wilt wonen. Brussel en Manchester zijn in beeld geweest. Berlijn kenden we niet. Toen we er een keer gingen kijken, voelde het meteen goed. Berlijn heeft ook een beetje dat onaffe van Rotterdam, alleen is die stad een stuk groener en rustiger om te wonen.”

Hella Jongerius komt niet uit een artistiek milieu; kunst speelde totaal geen rol in haar ouderlijk huis. Haar vader was tuinder. „Ik kom uit een echt ondernemersgezin. Mijn drie broers zijn ook allemaal ondernemer geworden.” Als kind was ze wel creatief. Dat heeft ze van haar moeder, vertelt ze, die coupeuse was. „Met mijn vriendinnen zat ik altijd te knutselen, te macrameeën en zo, dat deed je in de jaren zeventig. Dat ik een creatief vak zou gaan doen, lag dan ook voor de hand. Het werd ergotherapie, want daar kon je gewoon je brood mee verdienen.”

Wilde u niet liever naar de kunstacademie?

„Nee, dat lag helemaal niet in mijn blikveld. Daar zag ik ook het nut niet van in. Na mijn opleiding ben ik gaan werken op een houtwerkplaats met geestelijk gehandicapten. Dat lijkt een creatief beroep, maar dat is niet zo, het is een medisch vak. In de avonduren volgde ik een opleiding timmeren en meubels maken. Toen realiseerde ik me dat ik niet alleen maar meubels wilde maken, maar ze ook wilde ontwerpen. Zo kwam ik op het idee om naar de Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven te gaan (de latere Design Academy, red.).”

Vijf jaar later studeerde ze af met een rubberen badmat met bobbels die de voetzolen masseren. Die mat en, even later, haar rubberen vaas werden meteen opgenomen in de collectie van Droog Design, een groep Nederlandse ontwerpers die internationaal succes had. Dat was een droomstart voor haar carrière, zegt ze, terugblikkend.

Hoe reageerden ze thuis op uw overstap naar de designwereld?

„Ik was al 25 toen ik in Eindhoven ging studeren. Ik leidde mijn eigen leven. Maar ik moest wel voortdurend uitleggen wat het vak inhield, terwijl het begrip ’design’ nu gemeengoed is. De koppeling met de industrie was voor mij een belangrijk gegeven en met dat verhaal kon ik thuis ook aankomen. Het interessante van dit vak is om je ideeën in serie terug te zien. Als je voor de industrie ontwerpt, heb je ook een veel grotere markt.”

En dat is commercieel gezien ook aantrekkelijker, toch?

„Daar gaat het mij niet om. Als je dingen echt wilt veranderen, bereik je meer als ook de massa ermee in aanraking komt.”

Wat moet er dan veranderen?

„Ik wil producten ontwerpen die communiceren, die meer lagen hebben dan het zoveelste kopje uit het schap van het warenhuis. Dingen die de hand van de maker tonen, die afwijken van het doorsnee product, gooi je ook minder snel weg. Die willen je kinderen later graag erven.”

Is dat belangrijk?

„Ja, want we leven in een fysieke wereld, waarin het heel belangrijk is hoe dingen eruitzien. Naar mijn idee hebben we met de industriële revolutie het kind met het badwater weggegooid, omdat sindsdien alles eenvorming en netjes van de lopende band rolt. Die perfectie heeft geleid tot gladde en affe producten die niets individueels hebben, tot porselein dat net plastic lijkt en niets laat zien van het handschrift van de maker. Ik realiseer me dat het sociale aspect niet nadrukkelijk aanwezig is in design. Je kunt duurzame dingen ontwerpen en producten die bijdragen aan de leefbaarheid. Maar als je een product maakt, wil ik dat daarin iets terug te zien is van de aandacht die eraan is besteed. Er mogen oneffenheden en kleine verschillen in zitten. Die ambachtelijke sporen in dingen die seriematig vervaardigd worden, leveren rijkere producten op.”

’Misfits’ noemt u die afwijkingen. Producten zijn in uw ogen pas perfect als ze oneffenheden vertonen. Staat dat niet haaks op het streven van de industrie naar standaardisatie? Bedrijven willen toch zoveel mogelijk producten maken met dezelfde mal?

„Dat klopt en dat komt vooral door de marketingsmensen die het daar voor het zeggen hebben. Die kijken puur met economische ogen en willen uniforme eindproducten. Maar ik bespeur inmiddels een kentering. Op den duur zal de hang van consumenten naar het individuele en imperfectie de overhand krijgen.”

Kunt u een voorbeeld noemen van een bedrijf dat de stap naar imperfecte producten al heeft gezet?

„In Nederland werk ik al sinds 1997 samen met de porseleinfabriek Tichelaar in Makkum. Jan, de directeur kwam toen in mijn studio in Rotterdam kijken naar mijn B-servies, dat ik had ontworpen als een reactie op alle gladde massaproducten. Alle onderdelen van de B-set vertonen kleine foutjes. Door de borden en mokken net iets te heet af te bakken, vervormt elk onderdeel een beetje, zodat ze allemaal net anders zijn. Jan zag er wel iets in en dat was het begin van onze samenwerking. Daarna volgde Maharam, waarvoor ik de meubelstof Repeat heb ontworpen. Het patroon van deze stof zit zo in elkaar dat als er acht stoelen aan tafel staan die ermee bekleed zijn, elke stoel een ander patroon heeft, terwijl ze toch industrieel zijn gemaakt.”

En toen meldde de beroemde Zwitserse meubelfabrikant Vitra zich met de vraag of u een bank wilde ontwerpen. Een hoogtepunt in uw carrière?

„Jesses, een bank, dacht ik. Ik vond het aanvankelijk een ingewikkelde opdracht, omdat ik zelf niet zoveel heb met een bank. Ik ben gaan ontwerpen vanuit het idee dat het ontzettend moeilijk is om de ideale bank te vinden. En als je die eindelijk gevonden hebt, moet je je nog eens door duizend stalen stof heen worstelen. Wordt het wol of katoen? En past die kleur rood wel in je interieur? Op een gegeven moment weet je dan echt niet meer wat je moet kiezen en dan wordt vaak heel behoudend gekozen voor een veilige zwarte bank.”

Die frustraties inspireerden Jongerius tot de Polderbank, die aan een kant dienst kan doen als voetenbank of salontafel. In de kussens zitten grote knopen. De bank kan gekozen worden in een collage van zes kleuren rood, bruin of groen. De groene variant eist alle aandacht op op de tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen, omdat die met zijn kleurschakeringen de suggestie wekt van een groen polderlandschap. Zelf heeft Jongerius de rode variant in huis staan, terwijl ze helemaal niet zo’n ’bankenmens’ is. Maar haar eigen Polderbank kan er wel mee door, constateert ze.

Voor Vitra is de bank zo’n succesnummer geworden dat directeur Rolf Fehlbaum graag met Jongerius blijft samenwerken. Inmiddels heeft ze voor Vitra ook een nieuw kleurenpalet ontwikkeld voor designklassiekers als de Lounge Chair van Charles en Ray Eames, waarop de firma de rechten heeft. Het zware, logge zwartleren bakbeest dat deze fauteuil in haar ogen is, transformeerde ze in een lichtere, elegantere versie met grijswit leer. De donkere houten schaaldelen voerde ze uit in eigentijds wit gebleekt eiken.

Voor Ikea had u ook een bank kunnen maken. Waarom heeft u die opdracht afgeslagen?

„Omdat ik al voor Vitra bezig was met een bank. Maar ik vond het wel een grote uitdaging om iets voor Ikea te ontwerpen. Dan begeef je je toch in het hol van de leeuw. Ik vond het heel interessant om te kijken of mijn handschrift overeind zou kunnen blijven bij zo’n massaproducent. In plaats van een bank heb ik twee vazen ontworpen met gaatjes erin. Ik heb de moedervaas gemaakt en die is naar China gestuurd. Bleek vervolgens dat ze die gaatjes van mij veel te onregelmatig vonden. Daarom hadden ze ze netjes gemaakt, wat dus niet de bedoeling was. Ik ben toen zelf naar China gegaan om te laten zien dat ik het juist niet netjes wilde hebben, maar in Chinese ogen heb ik daar hun werk zitten te verpesten.

Daarna vroeg Ikea me om wandkleden te ontwerpen, een moeilijke opdracht, want wie hangt er nu nog een kleed aan de muur. De kleden moesten iets van de Zweedse roots uitstralen en de hele wereld zou dat moeten snappen. Zo ben ik bij de Zweedse sprookjes uitgekomen en heb ik drie dieren gekozen, die als een soort maskers aan de muur hangen. Om die kleden te maken, had Ikea in India een ontwikkelingsproject opgezet voor vrouwen. Sociaal gezien was dat project zeer geslaagd, maar de kleden waren eigenlijk te ingewikkeld om te maken, te veel verschillende stoffen ook, waardoor de vrouwen er langer over deden dan gepland. Ik had het toch iets minder gecompliceerd moeten maken, zeg ik nu. Ontwerpen is uiteindelijk een dienstbaar vak.”

Hoe hebt u de afgelopen twee jaar in Berlijn beleefd en doorgebracht?

„Ik heb heel veel tijd besteed aan onderzoek, met name naar kleuren. Nadat ik een aantal jaren met de industriële kleurensystemen had gewerkt voor Vitra en de schoenenfabrikant Camper, waarvoor ik ook een kleursysteem ontwikkel, ontdekte ik dat de industriële kleuren onder invloed van de standaardisatie in de verfindustrie zo hard zijn achteruit gegaan. Als je kijkt naar de kleuren in de schilderkunst van honderd jaar geleden en die vergelijkt met de hedendaagse platte kleuren, zie je wat een rijkdom er verloren is gegaan. Je wilt toch kleuren in huis die met het licht mee veranderen en er niet ’s ochtends hetzelfde uitzien als ’s avonds?

„Die vervlakking komt doordat in de industrie donkere kleuren bij voorkeur met zwart worden gemengd omdat dat het eenvoudigst is, terwijl we uit de schilderkunst weten dat je rood met groen moet mengen om donkerrood te krijgen. Voor donkere kleuren wordt standaard carbonzwart gebruikt, waardoor ze een hele doodse, grijze gloed krijgen. Bij lichte kleuren wordt titaanwit gebruikt, wat een heel hard effect geeft.

„In Berlijn heb ik in samenwerking met Tichelaar geëxperimenteerd met combinaties van oude mineraalrecepten met ingrediënten als cadmium (rood), selenium (geel), koper (groen), mangaan (paars) en kobalt (blauw) en hedendaagse chemische glazuurrecepten. De oude en nieuwe kleuren heb ik in diverse patronen over elkaar heen gezet, waardoor ze optisch met elkaar mengen. Door de patronen en mengingen, maar ook door te spelen met stooktemperaturen, worden nieuwe kleuren gecreëerd. Die ogen veel gelaagder, onregelmatiger en levendiger als de platte kleuren die we nu kennen uit de industrie. In Boijmans staan nu driehonderd vazen die ik als ondergrond, als canvas, heb gebruikt voor deze experimenten. Uiteindelijk moeten mijn onderzoeken wel een industrieel product opleveren. Dat is en blijft mijn insteek.”

Hebt u na al die kleurexperimenten geen zin om weer gewoon eens een stoel of een vaas te ontwerpen?

„Alweer een nieuwe stoel erbij? Dat moet een goede reden hebben. De rol van onderzoeker of adviseur van bedrijven, zoals nu op het gebied van kleuren, zie ik als de volgende stap in mijn ontwikkeling. Ik denk dat ik als adviseur ook echt iets kan toevoegen en verbeteren in de industrie. In ieder geval meer dan door weer een nieuw product te ontwikkelen. Zitten we daar nog wel op te wachten, vraag ik me ook af. Mijn uitdaging ligt er nu in om het bedrijfsleven ervan te doordringen dat mensen genoeg beginnen te krijgen van al die gladde, te affe producten, die je ook heel gemakkelijk weer weggooit.”

Dat streven naar imperfectie en uw hang naar ’misfits’, vloeit dat voort uit de tijd dat u als ergotherapeute werkte met geestelijk gehandicapten?

Ze maakt afwerende gebaren. „Nee, zeg. Zo diep moet je het ook weer niet zoeken, hoor. Mijn baan als ergotherapeut is niet meer dan een zijpaadje geweest in het verleden, en in mijn carrière totaal niet relevant.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden