Hella Haasse

Hella Haasse (Batavia, 1918) is schrijfster. Ze debuteerde in 1945 met de dichtbundel 'Stroomversnelling'. Drie jaar later verscheen de novelle 'Oeroeg', het begin van een imposant oeuvre. Rond 9 oktober komt 'Het dieptelood van de herinnering' uit, een verzameling van autobiografische teksten. 'Sleuteloog', haar roman uit 2002 werd onlangs genomineerd voor de AKO literatuurprijs.

1.Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Ik ben 'per ongeluk', gedoopt. Het gebeurde in wat vroeger de Willemskerk heette, de Nederlandse Hervormde kerk in Batavia. Zo'n neoklassiek gebouw uit het begin van de negentiende eeuw, met van die witte zuilen. Als je in die tijd opgroeide in een bepaald milieu, was het usance dat je trouwde in de kerk en er later ook je kinderen liet dopen. Mijn vader was eigenlijk vrijdenker, zeer filosofisch georiënteerd. Hij bouwde zelf een sterrenkijker en correspondeerde met andere amateur-astronomen. Mijn vader was er buitengewoon op gesteld dat mijn broer en ik, naast het christendom, ook kennis namen van het boeddhisme en van de islam. Ik vond dat geen straf-ik heb het altijd met grote intensiteit gedaan- maar een godsdienst, nee, die heb ik niet. Ik heb er ook geen enkel verlangen naar. Ik vind het prachtig zoals het is. Een paar jaar geleden ging ik, samen met mijn man, naar Australië, om mijn broer te bezoeken. Op een avond stonden we daar, aan het strand van de Indische oceaan, onder die glasheldere sterrenhemel van het zuidelijk halfrond en ik genoot van de ervaring dat ik dit alles, als minuscuul schepsel, vanaf de aarde waar kon nemen; dat ik mij bewust kon zijn van het bestaan. En tegelijkertijd wist ik dat ik er absoluut niets van begreep, dat ik het niet kón begrijpen en dat het ook volkomen onzinnig zou zijn om het te willen begrijpen.''

2.Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Ik ben geen deskundige, maar ik weet dat de stille kracht bestaat. Daar zijn bewijzen van. Nu ja, bewijzen... Goena-goena, het vanuit de verte invloed uitoefenen op mensen, door spelden in poppetjes te prikken, gaat meestal gepaard met andere hulpmiddelen om het gewenste resultaat te bereiken, maar er zijn dingen die onverklaarbaar lijken en daardoor misschien op een bepaald moment de indruk wekken bovennatuurlijke verschijnselen te zijn. Ik weet niet of je dit moet opschrijven-het klinkt zo sensationeel, terwijl het op zich niet veel voorstelde-maar ik heb, als klein meisje, een verschijning gezien. Mijn vader ging vaak op dienstreis en dan sliep ik bij mijn moeder in het grote klamboebed. Tijdens één zo'n nacht werd ik wakker en zag ik iemand, in het wit gekleed, heel langzaam de deur uitgaan. Ik dacht eerst dat het mijn moeder was want die had een witte, zijden kimono, maar toen ik mij naar haar omdraaide, zag ik dat zij rechtop in bed zat. Ik zei: 'Hee, ik dacht...''Heb jij het ook gezien?' vroeg mijn moeder en ze vertelde dat ze een figuur in een wit gewaad, met een grote kap over het hoofd, in de kamer had gezien. We zijn uit bed gegaan. We hebben de ramen en de deuren gecontroleerd en zijn weer gaan slapen. De vraag is: heb ik die verschijning echt gezien, of zag ik hem doordat ik in het gezelschap verkeerde van iemand die mij erg na stond en die voor dit soort gebeurtenissen heel ontvankelijk was? Toen we het de volgende dag aan onze bediendes vertelden, antwoordden zij, heel laconiek: 'O, maar die zien wij zo vaak! Het is de geest van een hadji, iemand die naar Mekka is geweest en daarom witte kleren mag dragen. Hij ligt begraven bij de waringin-boom, aan het weggetje dat naar de kampong leidt.' Voor hen was zoiets heel gewoon. De natuur, de omgeving; alles was ervan doortrokken. Ik zal niet zeggen dat iedereen in het oosten aan geesten gelooft, maar ze hebben zeker een andere relatie tot dit aspect van de werkelijkheid dan wij.''

3.Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Iedereen roept maar dat zijn God de enige, echte is. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. Ik begrijp ook niet waarom het niet mogelijk zou zijn voor christenen, joden en mohammedanen om bij elkaar te gaan zitten en te zeggen: 'Het is niet ons idee van een alles overkoepelend, scheppend en ordenend beginsel wat verschilt, het zijn de profeten die verschillen.' Allah is groot, God is almachtig; het is een conceptie van iets wat voor ons allemaal hetzelfde is. Ondefinieerbaar en groter dan alles. Je gaat elkaar toch niet mishandelen of vermoorden uit naam van iets wat je zelf niet eens begrijpt? Oorlogen worden gevoerd in naam van mensen die daar bepaalde interpretaties van hebben gegeven, zoals de religieuze machthebbers, zeker wanneer die ook staatkundige macht hebben. En die kunnen zich vergissen. Daarover kun je met elkaar in discussie gaan, maar het is toch geen reden om oorlog te voeren? Ik vind het ook zo primitief. Dit is een stadium waar we als de bliksem uit moeten groeien, maar ja, het duurt waarschijnlijk nog wel even voor het zo ver is. Mensen binnen die verschillende groepen, die een ruimere opvatting, of een intelligentere kijk op dingen hebben, moeten contact met elkaar onderhouden. Er zal een bepaalde revolutie moeten optreden, niet meteen met geweld-of misschien ook wel-maar er moet dus iets gebeuren, wil dat zelfstandige denken de overhand krijgen.''

4.Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Schrijven is geen werk, schrijven is gewoon het liefste wat ik doe. Het is niet eens alleen maar een deel van mij; zo ben ik. Als ik dat niet meer kan, ben ik niet meer.''

5.Eer uw vader en uw moeder

,,Later begreep ik dat mijn moeder ziek was geweest, dat de dokters hadden voorgeschreven dat ze in Davos moest kuren. En dat wij niet bij mijn vader in Indië konden blijven. Mijn broertje ging naar Baarn, naar de ouders van mijn vader. Ik zou bij mijn andere grootouders gaan wonen, maar al snel bleek dat er bij hen geen plaats was voor een meisje van zes. Ik werd van het kastje naar de muur gestuurd en werd uiteindelijk in een kinderpension gedumpt. Ik begreep het niet. We woonden lekker in Indië, we werden goed verzorgd, alles was in orde en ineens, pats boem, veranderde dat hele tableau en kwam ik in omstandigheden terecht die ik als kind heel moeilijk kon verwerken. Ik dacht dat ik iets verkeerd had gedaan. Ik stuurde briefjes naar Zwitserland waarin ik mijn moeder schreef dat ik nooit meer stout zou zijn, maar daar reageerde ze niet op. Het was vervelend en akelig, maar goed, ik kon altijd nog zelf iets bedenken wat mooier en beter was. Ik voelde het gemis, het verdriet, maar ik vond er iets anders voor in de plaats: een innerlijke wereld, waar ik altijd thuis ben. Wat mij in mijn leven ook overkomen is-en er zijn genoeg dingen gebeurd die moeilijk waren-vanuit de verbeelding, het denken, besta ik, werk ik.

Op mijn negende ging ik terug naar Indië. Het gezinsverband werd weer hersteld, maar ik heb nooit meer een warme, vertrouwelijke verhouding met mijn ouders gehad. Ik weet, eerlijk gezegd, niet of ik die wel gehad zou hebben als we bij elkaar waren gebleven... Mijn moeder heeft wel eens tegen mij gezegd: 'Je hebt het me nooit vergeven.' Toen zei ik: 'Waarom denk je dat?' Want ik heb mijn moeder nooit verwijten gemaakt, ik ben nooit opstandig geweest. Als kind accepteer je toch gewoon wat je overkomt? Natuurlijk, toen ik zelf moeder werd, heb ik mij wel afgevraagd hoe ze zoiets had kunnen doen, maar naarmate ik meer over mijn moeders achtergrond te weten kwam, begreep ik ook meer van haar beweegredenen. Ze was een buitengewoon begaafde pianiste, maar ze had alleen de lagere school doorlopen en daardoor het theoretische gedeelte van het eindexamen van het conservatorium niet kunnen volgen. Haar leraren waren vol lof, ze prezen haar enorme muzikaliteit en haar virtuositeit-ik heb de brieven bewaard-maar ze kreeg toch het advies om pianoles te gaan geven in Indië. Mijn moeder werd ziek, echt ziek, op het moment waarop zij besefte dat ze nooit op een internationaal podium terecht zou komen. Dat heeft haar, denk ik, de das omgedaan.

Ik zou mij schamen als ik mijn ouders iets zou verwijten. Ik kan alleen maar dankbaar zijn voor wat ze mij hebben gegeven. Van mijn moeder: haar affiniteit met muziek, het vermogen om structuur te herkennen-de structuur van een compositie, de variaties op een thema, dat is ontzettend belangrijk voor mij geweest. En mijn vader heeft mij goede boeken-de beste die er waren-laten lezen, hij heeft het mij mogelijk gemaakt om een gymnasium-opleiding te volgen, met leraren in oude talen die mijn leven echt hebben beïnvloed. Die verworvenheden dank ik aan het talent van mijn moeder en aan het inzicht van mijn vader.

Als mijn ouders nog ergens te bereiken waren, zou ik met al de vragen komen die ik vroeger niet kon stellen omdat ik daar de grondstof niet voor had. Of ze op alles een antwoord zouden geven? Waarschijnlijk niet. Maar goed, je moet ze ook zien zoals ze waren: als mensen die in een andere tijd geboren en opgegroeid zijn. Ik merk het nu zelf ook ten aanzien van mijn kinderen en jongere mensen: ik ben uit de tijd. Ik pas niet meer in deze tijd. Dat voel ik zelf ook wel. Ik moet proberen mij aan te passen, ik moet de tijd proberen te begrijpen en om er in te kunnen leven, maar tegelijkertijd moet ik een bepaalde afstand bewaren zodat mijn eigen innerlijke wereld niet wordt aangetast. Want dat is het beste wat je hebt en het laatste wat je behoudt.''

6.Gij zult niet doodslaan

,,Ik denk niet dat ik daartoe in staat zou zijn. Iemand zeer doen? O, nee. Kwetsen? Nee, echt niet. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik geloof niet dat het in mij zit. Het is gruwelijk wat mensen elkaar aan kunnen doen. Dat ze in staat zijn elkaar te martelen, het leven onmogelijk te maken of zelfs te doden. Ik heb aanvaard dat het een gegeven is. Even, vóór de Tweede Wereldoorlog, heb ik gedacht dat er een bepaalde evolutie in dit opzicht mogelijk was, maar die hoop heb ik snel laten varen. Dat kwam ook doordat er na de oorlog allerlei dingen boven water kwamen waar wij niets van hadden geweten. Het beeld verandert voortdurend. Wie is goed? Wie fout? Soms duikt het ergste uit een onverwachte hoek op. Ik geloof dat veel van wat wij vandaag meemaken nog te maken heeft met wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. We hebben geen weet van de werkelijke, grote stromingen van de geschiedenis omdat we er nog middenin zitten. Omdat we het niet kunnen overzien, kunnen we het niet analyseren. Wat je vandaag in de krant leest, is slechts een heel klein deel van het verhaal. Het enige wat ik weet is dat er in de mens iets kwaadaardigs schuilt dat kennelijk niet uitgeroeid kan worden. Je kunt alleen als individu iets doen. Je kunt proberen in je eigen, beperkte omgeving die keuzes te maken waardoor je een ander geen kwaad doet. Je kunt proberen rechtvaardig te zijn en verantwoordelijkheid te nemen. Dat is alles wat je kunt doen.''

7.Gij zult niet echtbreken

,,Ja, een huwelijk dat al zestig jaar stand houdt, dat is iets onbeschrijfelijks... als je iemand ontmoet in het leven van wie je, op het eerste gezicht, weet: die is het. En die blijft het ook. Ik vind trouw heel belangrijk. Trouw is, zoals Vondel zegt, 'het krachtigste ciment, dat harten bindt als muren breken, tot puin in 't end'. Er is een zekere chemie, of hoe je het ook noemen wilt, die maakt dat je een eenheid vormt waar je niet meer van los komt, waar je ook nooit van los wil komen. Ik heb de indruk dat er tegenwoordig maar een kleinigheid hoeft te gebeuren of een van de twee roept: 'Ik pik het niet langer.' Het huwelijk bestaat uit zoveel verschillende elementen-ook in je gevoelswereld, in je gedachtewereld-en het is juist het geheel wat belangrijk is, wat je niet moet laten afbrokkelen, wat je niet moet verliezen. Mijn man en ik hebben zoveel meegemaakt samen. We hebben een kind verloren. Ze was tweeëneenhalf jaar oud toen ze overleed. Er was, vlak na de oorlog, een difterie-epidemie uitgebroken in Amsterdam en omdat er niet voldoende serum was om de bevolking collectief mee in te enten, werd die uitbraak verzwegen. Haar dood heeft een enorme inbreuk op ons leven gemaakt. Het is het ergste wat je kan overkomen. Zij leeft in onze gedachten. Ze hoort erbij. Niet dat wij voortdurend treurig over haar zitten te doen, maar we denken aan haar, we praten vaak over haar, zoals ze was. Zeker nu we achterkleinkinderen van haar leeftijd hebben, komen onwillekeurig allerlei herinneringen aan haar naar boven. In zekere zin heeft haar dood ons sterker aan elkaar verklonken, maar het hoeft niet per se zo te gaan. We hebben ieder het recht op onze eigen intimiteiten. Hoe Jan tegenover mij staat-en wat zijn precieze gedachten zijn-daar heb ik geen weet van. Dat is zijn individuele, persoonlijke gebied, daar heb ik niets te zoeken.

Nee, ik ben nooit in de verleiding geweest om op een ander over te stappen. Ik houd van deze mens en niet van een ander. Als ik hem zou verliezen, dan ben ik alleen en dat is heel verdrietig, maar ik zal hem toch niet kwijtraken omdat datgene wat hij in mijn leven betekent er altijd zal blijven.''

8.Gij zult niet stelen

,,Voor mijn kinderen zou ik stelen. Als ik zo arm was en het niet kon betalen, zou ik eten stelen voor mijn kinderen.''

9.Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Ik lieg de werkelijkheid om tot waarheid. Het is waar in de zin dat wat ik schrijf kan gebeuren, dat zulke gebeurtenissen bepaalde oorzaken en bepaalde gevolgen hebben en dat er een zeker verband bestaat tussen elementen van de werkelijkheid, maar dat kun je demonstreren aan tal van gegevens, dat hoeven niet altijd dingen te zijn die echt gebeurd zijn. En je kan ook nog waargebeurde verhalen gebruiken om er iets anders mee aan te tonen. Daarin heb je als schrijver de vrije hand. Ik probeer al een leven lang uit te leggen dat ik niet over mezelf schrijf, ook al ben ik in alles wat ik schrijf aanwezig. Bovendien ben ik mij ervan bewust dat ik nooit exact kan vertellen hoe het is geweest omdat elke minuut die mij verder van een gebeurtenis verwijdert anders is door mijn reflectie op wat ik heb meegemaakt. Ik kan daardoor ook niet de waarheid over mezelf schrijven omdat wat ik zou willen beschrijven, ergens, onderweg, toch een klein, kwart slagje gedraaid is. Ik kan hooguit een schets maken: zo is het, ongeveer, geweest. Veel verder kom ik niet.''

10.Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik ben absoluut niet ambitieus. Of, als je dat ambitie wilt noemen: ik wil mijn werk, dat waar ik aan bezig ben, zo goed mogelijk afleveren. Als ik voor mijzelf het gevoel heb dat ik het niet beter had kunnen doen, dan is het goed. Al het gedoe er omheen, de prijzen, de roem, dat is zo betrekkelijk en het maakt in wezen niets uit. Ik zal toch wel schrijven, ook als geen hond er meer wat aan vindt. Ik heb nooit gedacht: ik wil schrijfster worden. Het is gebeurd. Toevallig las Eduard Hoornik in 1939 een paar van mijn gedichten-jeugdwerk-en heeft die in een literair tijdschrift gepubliceerd. Daarna is het haast vanzelf gegaan... Snel? Ja, het leven duurt maar een seconde. Ik kan mij moeiteloos terug verplaatsen in allerlei scènes uit mijn jeugd. Met alles wat er bij hoort: de kleuren, de geuren, de geluiden, het licht. Het oerwoud. De tochten in de bergen. De zon zien opgaan vanaf een bergtop op Java. Ik heb het beleefd. Ik heb het meegemaakt en als ik er aan denk, ben ik er weer. En dan herinner ik mij, dat ik op die momenten al heb gedacht: dit is een eeuwig ogenblik voor mij. Dit gaat nooit voorbij.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden