Hella de Jonge: Lezen, denken en doen. Vooral doen

Hella de Jonge. 'Zodra je het goddelijke gaat verbeelden, maak je het stuk. Het heeft geen vorm en woorden schieten altijd tekort.' ( FOTO MARK KOHN ) Beeld
Hella de Jonge. 'Zodra je het goddelijke gaat verbeelden, maak je het stuk. Het heeft geen vorm en woorden schieten altijd tekort.' ( FOTO MARK KOHN )

Hella de Jonge (Den Haag, 1949) is beeldend kunstenaar. Ze is de dochter van tekstschrijver Eli Asser en getrouwd met cabaretier Freek de Jonge. In 2006 verscheen haar boek ’Los van de wereld’ waarin ze vertelt over het leven thuis bij haar door de oorlog beschadigde ouders, en over het verlies van haar zoontje Jork.

Arjan Visser

I - Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Er is iets, boven ons. Als je wilt, kun je daarmee verbonden zijn en er kracht uit putten. Ik doe het minstens één keer per dag, heel bewust: dan neem ik rust, ik keer mijn handen om, ik zoek mijn derde oogpunt en ik maak contact. Het is één rechte straal naar boven. Ik geloof niet in God, ik geloof in kracht. Het is mijn eigen kracht, maar die komt alleen tot stand als ik mezelf verbind met hoe noem je zoiets? Oer. Oerkracht. Oermensen. Er is zoveel moois, zoveel onbenoembaars. Er gebeuren allerlei dingen in het leven waar wij totaal geen vat op krijgen, waar we geen weet van hebben. Het enige wat je moet doen, is je openstellen en je aansluiten.”

II - Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Zodra je het goddelijke gaat verbeelden, maak je het stuk. Het heeft geen vorm en woorden schieten altijd tekort.”



III - Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik vind vloeken lelijk en nergens voor nodig, maar je moet het natuurlijk niet gaan verbieden. Dan vraag je om moeilijkheden. Freek kan ongenadig vloeken. Hij wil het nooit toegeven, maar ik ben ervan overtuigd dat hij het doet omdat het hem vroeger werd verboden. Het lijkt me beter dit hele gebod te schrappen. Provoceren? Ja, dat mag. Als het maar geen pesten wordt.”



IV - Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Mijn ouders zijn allebei traditioneel joods opgevoed. Na de oorlog hebben ze, nadat ze hadden besloten in Nederland te blijven wonen, het joodse geloof afgezworen. Jood zijn, dat was iets wat je maar beter kon verzwijgen. En tóch was ik het.

Op vrijdagavond hing er een zweem van sjabbes in ons huis. Het was sabbat, maar we vierden het niet. Ik ging ook nooit naar de sjoel. Vreemd genoeg werd ik na onenigheid op het Barleus Gymnasium in Amsterdam wel naar het Joods Lyceum gestuurd. Daar zat ik ineens tussen de keppeltjes, mocht op zaterdag niet meer naar school en danste met kinderen de hora op straat. Verwarrend. Ik was het wel, ik was het niet.

Ik heb niets met mensen die zich er op laten voorstaan, die in iedere zin wel een keer ’oy’ roepen of alleen maar op joodse blaadjes geabonneerd willen zijn. Ik vond het ook heerlijk om een man te trouwen met zo’n degelijke Hollandse naam. Tegelijkertijd heb ik het willen onderzoeken. Ik ben in mijn eentje naar Israël gegaan, ik voel dat ik sommige typisch joodse dingen, onbewust, uit mijn jeugd heb meegenomen ik weet het niet, het is zó ingewikkeld. Het is een mooi geschenk, maar het zorgt er ook voor dat ik me soms heel angstig en bedreigd kan voelen. Als Freek en ik elkaar niet begrijpen, gaat het altijd daar over: die niet te peilen angst, het gekwetst zijn, het leed Mijn oma die, 42 jaar pas, in de trein stapt en in Auschwitz wordt vergast Daar mag je niet aankomen. Het is één groot kluwen. Dat kan je niet begrijpen. Het lukt me zelf niet eens.”



V - Eer uw vader en uw moeder

„God, mijn vader en mijn moeder gelukkig is dit een soort gesprek waarin lange stiltes mogen vallen, toch? Ik heb hier natuurlijk al over nagedacht voordat je kwam, maar toch weet je wat het is? Ik geloof eerlijk gezegd niet dat ze mijn eerbied verdienen. Daarvoor ben ik in mijn jeugd geestelijk te zeer door hen benadeeld. Ik ben uit hen voortgekomen, ze hebben me gemaakt, that’s it. Een woord dat hier beter past is liefde. Onvoorwaardelijke liefde, ondanks de pijn die ze me hebben gedaan.

Als ik denk aan mijn moeder – ze ligt nu op Zorgvlied, in haar graf – dan voel ik een enorm medelijden, om alles wat haar is aangedaan. Ze was nog maar een meisje toen de oorlog uitbrak. Het grootste deel van haar familie is vermoord. Ze heeft ontzettend haar best gedaan om het leven door te komen. Ze heeft geknokt, ze is dapper geweest – maar moet ik haar daarom eren?

Ze is in 2002 gestorven. Ik ben blij voor haar dat ze op tijd afscheid heeft genomen, dat ze niet dement heeft hoeven worden, geen lijdensweg heeft moeten gaan. Ik ben na haar dood aan mijn boek ’Los van de wereld’ begonnen. Eerder had ik het niet kunnen schrijven. Als je het leest weet je dat er geen haat, alleen maar liefde is. Dat komt doordat ik aan zelfreflectie heb gedaan; ik heb naar binnen gekeken en ik heb me afgevraagd wat er precies in het leven van mijn ouders is gebeurd. Toen ik het zag, kon ik afstand nemen van hun gedrag. Het is ze niet aan te rekenen.

Het was in mijn jonge jaren al niet gemakkelijk – alles stond in het teken van de oorlog, de wereld was een vijandige plek – maar het werd pas echt problematisch toen wij de puberleeftijd bereikten en wij de vrijheid bleken te hebben om te gaan en te staan waar we wilden. Dat bestaansrecht was hun ooit afgenomen. Zij kregen van de ene op de andere dag een J opgeplakt. Ze mochten er niet meer zijn. Die kwetsuur, dat verdriet, hebben ze aan ons doorgegeven. Omdat het hun was afgepakt, konden ze het ons niet gunnen.

Ik ging het begrijpen toen ik ouder werd, maar vooral toen Jork, ons tweede kind, na drie maanden stierf. Ik had een jeugd lang tussen de doden geleefd, maar ik had er nog nooit een gezien. Ineens stond ik daar, op Texel, met mijn eigen dode kind in mijn armen. Mijn ouders wisten ook dáár niet op te reageren; wat was één dood kind vergeleken met al die vermoorde familieleden? Het lukte hen niet meer te werken aan waar het wezenlijk om ging. Ik heb dat wel gedaan. Ik ben het gevecht aangegaan. Ik móest door. Langzaam maar zeker werd ik me ervan bewust dat ik alleen mezelf zou schaden als ik zou blijven hangen in mijn verdriet. Het klinkt vreemd, maar soms moet je zelf iets vreselijks meemaken – en bereid zijn om ermee te dealen – voordat je werkelijk verder kunt.

Toen ik aan het boek begon, heb ik mijn vader er niets over verteld. Ik was klaar met mijn familie. Nadat mijn zus op de begrafenis van mijn moeder had gezegd dat ik – door het verdriet dat ik haar had aangedaan – mede verantwoordelijk was voor haar dood, dacht ik: ik schrijf het allemaal op, ik moet het kwijt. Jelle, onze zoon, was ongerust. ’Zou je dat wel doen mam? Je stelt je zo kwetsbaar op’. Maar ik kon niet anders meer. Bovendien wilde ik anderen bereiken. Mensen die in hun jeugd ook een beschadiging hadden opgelopen, of misschien een kind hadden verloren. ’Als ik drie mensen bereik’, zei ik, ’ben ik al tevreden’. Het werden er gelukkig heel veel meer. Ik wil graag dienstbaar zijn. Staat dat misschien ook nog ergens in de tien geboden? Ik wil graag anderen helpen.

Mijn vaders reactie op het boek? Die deed er niet meer toe. Het gekke is wel dat ik sinds de publicatie een beter contact met hem heb. Ik denk dat hij, als schrijver, wel goed met mijn woorden uit de voeten kon. Hij heeft bovendien sinds mijn moeders dood een heel nieuw leven opgebouwd. Hij is verhuisd en woont samen met een vriendin die vijfentwintig jaar jonger is. Op een of andere manier kan ik daar bewondering voor hebben. Het is dezelfde power die mijn moeder had – en die ik ook heb meegekregen. Je niet laten kisten, doorgaan.

Mijn moeder speelt nu geen enkele rol meer in mijn leven; ze komt niet voor in mijn gedachten. Mijn vader spreek ik af en toe. Mijn broer zie ik zelden, maar als we samen zijn is het goed. Met mijn zus heb ik geen contact meer. Soms vraag ik me af hoe het mogelijk is dat zij, die in haar jeugd toch hetzelfde heeft meegemaakt als, zo in haar woede is blijven steken. Ik heb met haar te doen, maar als ze nog niet is veranderd heb ik geen behoefte aan contact. Ik heb geen zin meer in confrontaties. Zodra ze weer lief en gezellig is mag ze gerust gezellig bij me langskomen.

Zo zit het dus, ongeveer Je begrijpt natuurlijk wel dat ik alles wat ik meekreeg als kind, alles wat mij is aangedaan, zelf ook ging doen. Jong geleerd, oud gedaan. Daar is geen houden aan. Maar er móet een moment komen waarop je jezelf bij kop en kont pakt en er iets aan gaat veranderen. Dat heb ik gedaan. Therapie? Ja, ik ben een paar keer bij een zen-therapeut geweest, maar ik ben geen prater. Ik ben meer van het lezen. Lezen, denken, doen. Die drie dingen. Maar vooral: doen. En daarna terug: heb ik het goed gedaan? Heen en weer, heen en weer, totdat het beter gaat.”

VI - Gij zult niet doodslaan

„Ik heb het niet expres gedaan, maar toen ik een jaar of veertien was heb ik mezelf bijna gedood door niet langer te eten. Het was de situatie thuis: ik kon er niet meer tegen. Tegenover al de haat, de achterdocht stelde ik het uit de weg gaan van moeilijkheden; in een hoekje kruipen, me zo klein mogelijk maken, verdwijnen. De oorlog was er niet alleen tijdens die twee minuten stilte op 4 mei. De oorlog was er elke dag, ieder uur.

Ik heb die haat nooit kunnen navoelen. Er is hooguit een zenuwachtig gevoel bij de gedachte dat ik naar Duitsland zou moeten gaan. Ik begrijp niet waarom mensen elkaar die vreselijke dingen hebben aangedaan. Hoe doe je dat: ’s middags een kind tegen de muur doodslaan en ’s avonds je hond gaan aaien? Ik kan er niet bij ik wil er niet naartoe. Mondjesmaat heb ik me dingen durven te verbeelden – mijn oma, in de trein – maar ik ben er bang voor, ik stop het weg. Ik zorg ervoor dat het onder een grote lading vrolijkheid verdwijnt.”

VII - Gij zult niet echtbreken

„Je zegt ’Ja’, maar je bent 21 en je hebt toch eigenlijk geen idee? Dat mensen uit elkaar gaan, vind ik eerlijk gezegd ook wel logisch, maar als je écht van elkaar houdt, dan zoek je keer op keer het goede in de ander. Het heeft mij op de been gehouden. Als ik even niet meer verder kon: wat vind ik ook alweer zo mooi aan hem? Ik was een beschadigd mens; het heeft lang geduurd voordat ik hem mijn vertrouwen kon schenken.

We zijn nu bijna veertig jaar getrouwd. Zo lang hebben we nodig gehad om elkaar echt te leren kennen.

We vullen elkaar aan. Als de een het niet weet, weet de ander het wel. Wat ik niet kan, kan hij en wat hij niet kan, kan ik. Voor het huishouden geldt: Freek heeft een bril op zijn neus en ziet geen zak van vuiligheid. Dat weet ik. Moet ik daar dan over blijven miepen en mopperen? Ik doe het zelf wel even. Omgekeerd heeft hij ook geleerd hoe hij moet omgaan met mijn tekortkomingen.

We hebben elkaar nooit belazerd. We hebben geen van tweeën de behoefte gehad om ons geluk, ons plezier, op de proef te stellen. Misschien geloof je me niet maar ik heb nooit een andere man gewild. Ik zag Freek en ik wist: dit is hem. Ja, we zijn voor elkaar bestemd. Hoe dat precies zit, weet ik niet maar blijkbaar is het zo. Wij moesten elkaar ontmoeten.

En nu, nu ik zie hoe vriendinnen dreigen hun echtgenoten aan kanker te verliezen, knijp ik in mijn handen; dat we elkaar nog hebben en dat we van elkaar mogen genieten. We hoeven niets meer te bevechten, we willen samen oud worden.”

VIII - Gij zult niet stelen

„In mijn vak wordt veel gestolen. Daar had ik in de beginjaren veel moeite mee. Ik zal je één voorbeeldje geven. Ik ging naar een cursus glazuren en ik had een tentoonstelling gehad bij galerie De lieve hemel in Amsterdam. Ik had een vuilnisbak gemaakt waarin twee mensen over de rand hingen. Een collega kwam naar me toe om te vragen hoe ik dat beeldje had gemaakt. Ik heb haar alles tot in detail verteld. Drie maanden later kwam ik haar werk tegen: precies hetzelfde tafereeltje maar dan iets kleiner en technisch beter uitgevoerd. Toen voelde ik me bestolen. Nu zou ik mezelf een lerares noemen die haar leerling op weg heeft geholpen. Ik maak zelf wel weer wat anders. En als dat niet lukt, is het ook goed. Ik heb een cadeau gehad, een gave. Als ik geen nieuwe beelden meer doorkrijg, ben ik evengoed dankbaar voor al de dingen die ik wel heb mogen maken.”

IX - Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik heb een sterke behoefte om altijd de waarheid te spreken. Dat blijkt sommige mensen ontzettend te irriteren, maar ik kan niet anders. Ik ben rechtlijnig, ik kan niet schipperen. Als ik het gevoel krijg dat ik word bedot, dan zal ik daar niet over zwijgen. Freek beweert dat ik er niet tegen kan als anderen mij de waarheid zeggen. Hij denkt dat ik moeilijk tegen kritiek kan, maar dat is niet zo. Ik reageer er anders op.

In mijn boek – zo weet iedereen die ons gezin op een of andere manier heeft meegemaakt – heb ik me ingehouden. Het is een fractie van het verhaal. Ik beweer ook niet dat het de waarheid is, het is mijn waarheid. Het is mijn verhaal en ik heb het met respect willen vertellen. Ik hoef niet te kwetsen.”



X - Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Mijn moeder was onwijs jaloers. Ze heeft me toevertrouwd dat ze daar zelf ook erg veel last van heeft gehad. Ze was jaloers op mij, op mijn leven, op mijn kansen. Uiteindelijk heeft ze zichzelf ermee in de vingers gesneden. Ze heeft geen plezier uit haar moederschap kunnen putten, ze heeft de kans om van haar dochter te genieten gewoon voorbij laten gaan. Ik herinner me dat ik haar een keer had meegenomen naar een tentoonstelling in Leeuwarden. Ze had kunnen genieten van mij, van mijn werk, maar het enige wat ze kon zeggen was: ’Ik ben de vrouw van Eli Asser’. Ik weet niet of je zoiets een geschenk kan noemen, maar het is zeker zo dat ik het door haar slechte voorbeeld ánders ben gaan doen.

Dit is mijn pad, zo wandel ik. Het is niet altijd makkelijk, maar ik geloof dat het me steeds beter afgaat. Ik vind ouder worden niet onprettig. Ik geniet van de rust die ik over me krijg, van de beschouwende rol die ik mag spelen. Ik hoef niet overal meer aan mee te doen. Ik denk niet aan de lengte of de richting van het pad. Ik leef nu. Ik ben me er voortdurend van bewust dat alles in een split second kan veranderen. Laatst hadden Freek en ik een prachtige avond in Carré. Een dag later haalt hij in op een plek waar dat helemaal niet mocht en hadden we onszelf – en anderen – misschien wel tot pulp kunnen rijden. Je hebt gelijk: het is een echo van de boodschap die ik van mijn ouders heb meegekregen. Wees op je hoede, het kan zomaar afgelopen zijn. Toch is er een groot verschil. Eerst had ik erg veel hulpstukken nodig om overeind te kunnen blijven staan. Het boek is mijn laatste hulpstuk geweest. Anderen hebben mijn verhaal herkend: het is waar dat mensen zo beschadigd kunnen raken door een oorlog. Het is waar dat ze daardoor niet in staat zijn hun kinderen op te voeden. Ik ben niet de enige die dit moest doormaken. Het is gezien. Nu heb ik niet veel meer nodig. Ik kan gewoon bestaan.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden