Helft van nominaties is gedurfd

Bij alle verschillen tussen de zes titels op de Ako-shortlist, zijn er ook opmerkelijke overeenkomsten. In de meeste speelt de tijd een voorname rol. Idealen en levenswijzen zijn plotseling passé, de nieuwe tijd stelt andere eisen, haalt onze normen en waarden omver.

Zo is ’Godenslaap’ van Erwin Mortier behalve een liefdesverhaal toch vooral de zwanenzang van een tijdperk en een klasse: de rijke Vlaamse bourgeoisie. Een oude dame kijkt terug op de tijd dat zij, begin vorige eeuw, van een meisje in een jonge vrouw veranderde. Als zij met haar geliefde, een Engelse oorlogsfotograaf, de nog verse loopgraven bezoekt, wordt duidelijk dat het land van haar jeugd letterlijk én figuurlijk totaal is omgewoeld en opgebroken.

Volstrekt anders van toon – droog, geestig, compact – is ’Lelystad’ van Joris van Casteren. Toch gaat het ook hier om het afscheid van een tijdperk. Als de jonge Joris met zijn idealistische vader naar Lelystad verhuist, gelooft iedereen nog dat deze stad een nieuwe, betere mens zal opleveren. Twintig jaar later ligt die droom aan diggelen. Lelystad is een spookstad: uitgewoond door het gespuis dat er werd neergepoot omdat het in Amsterdam overlast veroorzaakte, vernield door pubers die van pure verveling aan het muiten sloegen.

Over vervlogen idealen handelt ook ’De terugkeer van Lupe García’. Carolina Trujillo, zelf een kind van Zuid-Amerikaanse revolutionairen, beschrijft hoe deze tweede generatie met die linkse erfenis geen raad weet. Op hoogstaande idealen kun je deze halfslachtige, coke snuivende jonge mensen niet betrappen.

Iets van dat gevoel tot een stuurloze generatie te behoren, vind je ook in Tommy Wieringa’s ’Caesarion’. Een dertiger keert met de as van zijn moeder terug naar het Engelse plaatsje waar ze samen woonden, totdat de rots waarop hun huis stond verkruimelde – een treffend beeld van vergankelijkheid en verval. Hoewel deze sombere Vatersuche eerder een tijdloze roman lijkt, klinkt ook hier verdekte kritiek op de jaren zestig en zeventig, door Wieringa zelf beschreven als een ’vaderloos tijdperk’.

De vader, een weinig honkvaste kunstenaar, is inderdaad een afwezige, de moeder blijkt te hebben gespeeld in pornofilms. Twee vrije zielen kortom: maar het kind is er niet gelukkiger van geworden. Wieringa’s cultuurkritiek strekt zich ook uit naar het nu: hij gaat nadrukkelijk in op de rol die lust en pornografie in onze tijd spelen.

Dat laatste heeft het boek gemeen met het veel ironischer en lichtvoetiger ’Via Capello 23’ van Christiaan Weijts. Bij monde van de kunsthistoricus Arthur Citroen wordt hierin uitgebreid gemopperd op de popularisering van onze cultuur in de breedste zin des woords: onderwijs, toerisme, de media: niets ontkomt aan Citroens boutade. Behalve de liefde dan: de kunsthistoricus raakt wél in de ban van een libertijnse jonge studente.

Heel expliciet, maar toch speels en origineel, varieert Joke van Leeuwen in ’Alles nieuw’ op het thema tijd. De vertellers zijn afwisselend een oude hospita, Ada, en haar jonge huurster, een kunstenares – wat Van Leeuwen de kans biedt haar bijzondere tekeningen in het boek op te nemen. Net als in ’Godenslaap’ leven we mee met een oude vrouw, die zich door het voortrazen van de tijd buitenspel gezet voelt. Van Leeuwen zet die alledaagse tragiek mooi neer. Als de dame bijvoorbeeld om mottenballen vraagt, en de verkoper antwoordt ’dat de mensen dat niet meer willen’, staat er: „En ze vroeg zich even af of ze dan niet meer bij de mensen hoorde”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden