Helemaal als gelijken zien Turken hun joodse landgenoten niet

In een periode waarin nationalistische aspiraties sterk de boventoon voeren, herdenken de Sefardische (Hebreeuws voor Spaanse) joden in Turkije dat hun voorouders, in 1492 verdreven door de Spaanse inquisitie, met open armen werden ontvangen door Beyazid II, sultan van het Ottomaanse rijk.

FROUKJE SANTING

Met de festiviteiten en conferenties die ter gelegenheid hiervan dit jaar zowel in Turkije zelf als in de VS, Canada, Israel, Mexico en enkele Europese landen (waaronder Nederland) worden georganiseerd, willen de Turkse joden de wereld vooral een spiegel voorhouden. In een tijd dat zelfs het woord tolerantie nog niet bestond, waren de Ottomanen in staat om een volk met een totaal andere cultuur en godsdienst een nieuw vaderland te bieden.

Naim Guleryuz, secretaris van de 'Vijfhonderd jaren-stichting' en zakenman in Istanboel, schat dat aan het eind van de vijftiende eeuw 100 000 tot 125 000 joden eerst uit Spanje en vijf jaar later eveneens uit Portugal werden verdreven. Zo'n zeventig procent van hen bereikte uiteindelijk het Ottomaanse rijk. Dat had in de eeuw daarvoor zich al uiterst tolerant opgesteld tegenover joden die uit andere delen van Europa (Hongarije, Frankrijk, Thessaloniki) moesten uitwijken.

"Dat Beyazid II ook de Sefardische joden aanmoedigde zich in zijn rijk te vestigen, was niet zo verwonderlijk" , meent Guleryuz. "Hij wist immers uit ervaring dat hij op de joden kon vertrouwen.

Bovendien koesterden de joden, in tegenstelling tot de christelijke volkeren die door het Ottomaanse rijk werden ingelijfd, geen nationalistische aspiraties. Hun positie was immers anders. Ze waren juist opgevangen; ze werden juist beschermd door de Ottomanen. En ze brachten uit Spanje de ambtelijke kennis mee waaraan het agrarische Ottomaanse rijk dringend behoefte had.

Zo voerden Sefardische joden de drukpers in en kwam dank zij hen de textielindustrie tot bloei. Een andere ontwikkeling, tevens een uiting van het vertrouwen dat de joden wisten af te dwingen, was dat joodse medici belangrijke posities aan het hof van de sultan bekleedden.

De joodse, voornamelijk Sefardische, gemeenschap omvatte rond de tachtigduizend zielen in Istanboel en ongeveer zestigduizend in de westelijke havenstad Izmir, toen begin deze eeuw het Ottomaanse rijk afbrokkelde en in 1923 de Turkse republiek werd gesticht.

Het verdrag van Lausanne, dat de bezegeling van die Turkse republiek vormde, erkende de joden, Grieken en Armeniers als de enige drie minderheidsgroeperingen in de nieuwe natie. Maar desondanks ontsnapten ook zij onder de hervormer Ataturk niet aan verdere 'verturksing'.

Ook het religieuze bewustzijn van de joden werd ingesnoerd in wereldlijke wetten, terwijl door de invoering van het latijnse schrift het Ladino (de Spaanse taal vermengd met lokaal dialect) en het Frans (de Franse Alliance verzorgde tot dan toe veelal het joodse onderwijs) plaatsmaakten voor het Turks. Hierdoor tekende zich de assimilatie van de joden met reuzenschreden af.

Silvyo Ovadya, hoofdredacteur van het joodse weekblad Shalom in Instanboel, schat dat niet meer dan vijftien procent van de Turkse joden het Ladino nog machtig is. Reden waarom zijn krant sinds 1983 nog maar een pagina in het Ladino bevat. De rest is Turks.

Ovadya zegt dat de assimilatie van de Turkse joden in de jaren vijftig al zover was gevorderd dat steeds meer mensen zich zelfs van hun geloof vervreemdden. Meer en meer kinderen kregen Turkse in plaats van joodse namen. Een ontwikkeling die, zo leert een blik op de lijst met geboorteaankondigingen in Shalom, weer op haar retour is.

Toch is de joodse gemeenschap in Turkije eerder traditioneel dan orthodox. De onderlinge banden zijn sterk, maar voornamelijk gebaseerd op gewoonten en gebruiken, niet op overtuigingen. De psychologe Leyia Navaro herinnert zich dat ondanks het feit dat haar grootmoeder een praktiserende jodin was, er bij hen thuis niet kosher werd gegeten.

Pas na eindeloos praten laten de Turkse joden merken dat er in de vijf eeuwen toch ook wel enige incidenten zijn geweest, zoals Ovadya het voorzichtig formuleert. Hij duidt op de antisemitische gevoelens die in de jaren dertig ook Turkije niet onberoerd lieten, al was het land tegelijkertijd een gastvrij toevluchtsoord voor uit nazi-Duitsland uitgeweken joden. In 1935 kwam het tot vervolgingen in Thracie, met als gevolg dat de meeste joden uit Edirne en Canakkale naar Istanboel trokken.

Een ander voorbeeld is de 'varlik', een wrange vermogensbelasting die aan alle minderheidsgroeperingen werd opgelegd en die de vijf procent welke de islamieten moesten opbrengen, ver te boven ging. Wie het bedrag niet kon opbrengen, werd gedeporteerd of gedood.

Maar de hoofdredacteur van Shalom is bereid zelfs dit onrechtvaardige belastingsysteem met de mantel der liefde te bedekken. "Achteraf is door de autoriteiten bekend dat ze een fout hebben gemaakt. Maar je kunt het ook zo zien: de industrie was vrijwel geheel in handen van de minderheidsgroeperingen. En ze hebben gepoogd daar verandering in te brengen."

Na de uitroeping van de staat Israel in 1948 verlieten tienduizenden joden Turkije. Met als gevolg dat de gemeenschap nu nog slechts uit een kleine 26 000 mensen bestaat. Rond de 22 000 van hen wonen in Istanboel, zo'n 2 500 zitten in Izmir en de rest leeft verspreid over steden als Ankara, Bursa, Eskenderum, Antakya en Edirne.

Te midden van duizenden minaretten staan er in Istanboel nog zestien synagogen. Verder hebben de joden eigen lagere scholen (Istanboel, Izmir), een middenschool, een lyceum en een ziekenhuis (alle drie in Istanboel).

De aanslag op de synagoge Newe Shalom op 6 september 1986 vormde een keerpunt in het bestaan van de Turks-joodse gemeenschap. Tijdens de sabbatviering drongen Arabische zelfmoordcommando's het gebedshuis in de wijk Galata in Istanboel binnen om 22 bezoekers en zichzelf te doden. Een daad die evenwel een tegendraads effect sorteerde. De joden die zo geweldig hun best hadden gedaan om te assimileren binnen de Turkse samenleving, kregen opeens weer interesse in hun geschiedenis, in hun culturele en religieuze identiteit.

" Een ontwikkeling" , schetst Ovadya Shalom, "die werd versterkt door de eerste plannen voor de viering van vijf eeuwen joodse aanwezigheid in Turkije. Zowel onder de joden en Turken als vanuit het buitenland is er door de combinatie van die twee zaken nu een geweldige nieuwsgierigheid naar onze positie. Reden waarom de plannen voor de herdenking van de Spaanse inquisitie zo'n omvangrijk karakter hebben gekregen."

Desondanks geloven zowel de hoofdredacteur van Shalom als de secretaris van de 'Vijfhonderd jarenstichting' dat het assimilatieproces van de Turkse joden zich nog verder zal voltrekken. "De jongere generatie is zich bewust van haar afkomst, maar ze komt dagelijks met de Turkse samenleving, de Turkse cultuur in contact" , aldus Guleryuz. "Nog maar een paar procent van de jongeren gaat naar de joodse school, de rest ontwikkelt zich binnen het Turkse onderwijs. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat het aantal joden dat met een niet-jood trouwt, tot voor kort slechts vijf tot zes procent, nu al is opgelopen tot elf." Leyla Navara meent evenwel dat de joodse gemeenschap nog zo traditioneel is, dat ze alleen al daarom haar kinderen zal blijven vasthouden.

Goede leven

Volgens haar "houden de meeste joden van het betrekkelijk goede leven in Turkije. Ze zijn tevreden met hun economische positie. Men weet maar al te goed dat men in Europa of Amerika veel harder zou moeten werken om dezelfde levensstandaard te bereiken" .

Toch beschouwen de Turken de joden niet helemaal als hun gelijke. "Zo zal een jood nooit tot een hoge rang in het leger of in het ambtelijke apparaat kunnen opklimmen" , zegt Ovadya. Leyla Navara meent dat ze het niet in haar hoofd hoeft te halen in de politiek te gaan.

Belangrijkste reden waarom de joodse gemeenschap zich zoveel mogelijk onthoudt van kritiek op het politiek reilen en zeilen in Turkije. Maar er zijn grenzen. Toen in 1989 Halil Celik, de religieus-fundamentalistische burgemeester van de oostelijke stad Urfa, in een interview de heimelijke wens uitsprak om nog eens bloemen op Hitlers graf te mogen leggen uit dank voor het feit dat deze de joden naar de gasovens had gestuurd, werd wel protest aangetekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden