Helemaal alleen in een geheime wereld

Het gebied heeft zijn naam niet mee: Rottige Meente. Maar het is een prachtige, geheime wereld waar je je al snel een indringer voelt. Veenslootjes en trekgaten laten alleen kanovaarders toe.

Stil is het op de Scheene. De punt van mijn kajak doorklieft geruisloos het zwarte water. Het zachte plonzen van de peddel is het enige geluid. Een ooievaar zweeft over, op nog geen twee meter hoog. Zijn blik glijdt over de kanovaarder. Hooghartig, op het arrogante af. Mensen hebben hier niets te zoeken, dit is zijn terrein. De Rottige Meente.

Vanuit Ossenzijl gaan vrijwel alle kano's en fluisterboten de Weerribben in. De Rottige Meente blijft links liggen. Een uithoek voor de Friezen, ver weg voor wie uit Overijssel komt en de naam helpt ook niet mee. Maar ik wil erheen en zet koers naar het noordwesten, naar het begin van de Scheeneroute.

De veenbodem veert onder mijn voeten als een matras terwijl ik de kajak het eerste trekgat in laat glijden. Waar schaatsers in de winter over dijkjes moeten klûnen, maken kanoërs gebruik van overdraagplaatsen. De voorzieningen aan de Scheeneroute maken het een stuk makkelijker. Al zijn de steigertjes wat verweerd en mag over de bordjes wel eens een lapje worden gehaald, de vaarroute zelf is dik in orde. Weg zijn de motorjachten met hun hinderlijke boeg- en hekgolven, hun dieselwalm. Zelfs de fluisterboten kunnen hier niet komen. Zonnebrandcrème en muggenspray doen hun werk, niemand die me iets maakt.

In de Rottige Meente is alles anders. Het water diepzwart, de geur die eruit opstijgt een mengeling van fris jong groen en rottende planten. Het dikke boek met clichés kan open: gele plompen en witte waterlelies, gele lissen, groene kikkers die luid kwaken, wuivend riet met alle bijbehorende vogels. Een schrijvertje danst over het spiegelgladde wateroppervlak. Ik probeer de woorden te lezen. Dergelijke verstilde schoonheid smeekt om een poëtische benadering. Zoals Judith Herzberg ooit dichtte over De Botshol:

Geen bodem waarop schaduw meevaart.

Helder het zwartst.

Het veen reikt me de prachtigste namen aan. Lisdodde en moeraszegge, rietzanger en karekiet, mattenbies en krabbenscheer. Die laatste heeft een groen bladerentapijt geweven tussen de oevers van de Scheene. Te klein om mij de doorvaart te beletten. Ik trek het stuk, maar achter mij herstelt het zich onmiddellijk. Krabbenscheer gedijt alleen in helder en schoon water, de aanwezigheid ervan is een goed teken. Hetzelfde geldt voor de visotters, maar die laten zich niet zien. Ze slapen overdag.

Uit de verte waait de geur van vers gerookte paling aan. Twee ooievaars cirkelen boven de bomen rond terwijl nummer drie op hoge poten door het grasland struint en nummer vier klepperend twee jongen in een nest bewaakt. Ze zijn de enigen die zich niets van mij aantrekken, verder maakt alles wat vleugels en vinnen heeft zich met veel kabaal uit de voeten. Een indringer, zo voel ik mij. Indringer in een wereld zo mooi en zo stil dat het eigenlijk verboden zou moeten zijn erover te schrijven. Ik vertrouw erop dat iedereen die dit leest mijn woorden voor zich houdt.

Een landschap door mensenhanden gemaakt, maar eerst maakte het zichzelf. Het ondiepe, stilstaande water groeide zo dicht met riet en waterplanten dat zich kraggen vormden. Op deze drijvende bodem ontstond moerasbos, geworteld in een dik pakket veen. Verveners scheurden vervolgens dat veen in dikke repen van land en water. Zwaar werk, zware omstandigheden, in een tijd zonder zonnebrandcrème en muggenspray. De Scheene is een veensloot, door mensen gegraven. Een brug kruist het water, de Peter Stuyvesantweg. De stichter van New York groeide hier op, hoe groot kan een contrast zijn?

Een eindje verder staan langs het water wat vervenershuisjes, nu recreatiewoningen. Bruggetjes, een schelpenpaadje, in dit deel kunnen ook fietsers en wandelaars komen. Een verweerde sluis, een molen, een laatste veldje krabbenscheer en aan de andere kant van de dijk de Jonkers- of Helomavaart. Het informatiebord op de sluis leert dat de opdrachtgever, jonkheer Nicolaas van Heloma, bij de officiële opening van de vaart te water raakte en verdronk.

Aan het einde van de vaart worden kanoërs om de Driewegsluis heen geleid naar een laatste overdraagplaats. De sluis is een uniek waterbouwkundig hoogstandje, waar water uit drie gebieden via drie ingangen samenkomt in één sluiskolk. De Driewegsluis doet alleen nog symbolisch dienst maar het gelijknamige paviljoen is een weldadige pleisterplaats, de enige aan deze route.

De Lende is hier een echte grensrivier. Aan weerszijden van het water wapperen verschillende provincievlaggen. De loop van de provinciegrens verraadt dat de rivier sinds de vaststelling van die grens op twee plekken is rechtgetrokken. De afgesneden meanders liggen als kleine Friese enclaves aan de Overijsselse kant van het water. Vrijwel niemand zal zich daar bewust van zijn. Net zo min als iemand zich hier bewust lijkt te zijn van de schoonheid achter de dijk. De Rottige Meente.

Kanoën of wandelen
De Scheeneroute
De Scheeneroute door de Rottige Meente staat met blauwe borden aangegeven vanaf de Lende en de Jonkers- of Helomavaart. Te bevaren met een eenpersoons kajak of met een tweepersoons Canadese kano. In totaal zijn er vijf overdraagplaatsen aan de route. Kanoverhuur: De Gele Lis in Ossenzijl: www.degelelis.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden