Held uit een andere wereld

Huwelijk, 1929. Midden rechts, met kepie: vader Boellaard. (FOTO'S UIT DE BIOGRAFIE)

Pim Boellaard (1903-2001) was een Geheimtip: bij het grote publiek onbekend, onder oud-verzetsmensen en kampoverlevenden juist zeer befaamd. Feminist en republikein Jolande Withuis raakte gefascineerd door deze ’mannetjesputter van God, Nederland en Oranje’ en besloot zijn biografie te schrijven. „Hoe kon iemand die zelf de belichaming was van integriteit een trouwe vriend blijven van prins Bernhard?”

Het was maar goed dat het juist een zeer geëmancipeerde verzetsvrouw was die mij als eerste naar Pim Boellaard stuurde. Zij had tegelijk met hem gevangen gezeten en ze was dol op hem. Want wat moet een hedendaagse onderzoekster die zichzelf beschouwt als feminist en republikein en die bij het woord ’held’ ietwat achterdochtig wordt, met zo’n mannetjesputter van God, Nederland en Oranje? Met een man die inspiratie ontleende aan de woorden ’Weest manlijk, zijt sterk’?

Boellaard was een soort Geheimtip: geen bij het grote publiek bekende Soldaat van Oranje maar in kringen van verzet en kampoverlevenden juist zeer befaamd. Hij was in de concentratiekampen Natzweiler en Dachau de ’vertrouwensman’ geweest van de Nederlandse gevangenen. Na de oorlog zette hij met veel succes zijn carrière als verzekeringsdirecteur voort.

Toen ik Boellaard sprak was hij zevenennegentig jaar oud. „Over drie jaar ben ik honderd”, grijnsde hij tevreden. Zijn lange leven was zijn ultieme triomf over ’de Mof’.

Al zat hij inmiddels in een rolstoel, Boellaard bleef een gentleman. Zijn als verzoek gepresenteerde bevel ’Wanneer komt u weer?’, ging elegant vergezeld van een handkus. Gaarne voldeed ik aan het verzoek, want ik had hem nog veel te vragen. Waar haalde hij zijn moed vandaan? Hoe hield hij het wachten op zijn doodvonnis vol? Waarom was hij in het verzet gegaan, en wat betekende zijn geloof voor hem? Hoe had hij na al die ingrijpende ervaringen verder geleefd? En hoe kon iemand die zelf de belichaming was van de integriteit, door alle Oranjecrises heen een trouwe vriend blijven van prins Bernhard?

Helaas bleef een volgend bezoek uit, want die honderd haalde hij niet. Pim Boellaard stierf in januari 2001, zoals hij had gehoopt in zijn eigen huis. „Sterven in je eigen bed met je zoon en kleinzoon aan je zijde is een voorrecht dat onze vrienden in de kampen niet mochten hebben”, zou hij zonder twijfel hebben gezegd als hij op zijn eigen begrafenis het woord had kunnen voeren.

De Biltse protestantse kerk was tijdens de herdenkingsdienst tot de laatste stoel gevuld. We kwamen binnen op de klanken van Land of Hope and Glory, vertrokken met de Artilleriemars, en zongen het zesde couplet van het Wilhelmus: ’De tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt’. Voorin stonden twee enorme kransen met wit-satijnen linten waarop in goud de koninklijke initialen J & B en B & C.

De voorzitter van de Vriendenkring van Oud-Natzweilers memoreerde hoeveel Pim had betekend voor zijn medegevangenen. Hij had in dat beruchte Nacht-und-Nebelkamp in de Elzas tot stand gebracht dat de Nederlanders zich ondanks al hun verschillen in rang en stand, geloof en politiek toch enigszins een eenheid hadden gevoeld en elkaar hadden geholpen. Aldus hadden ze zich teweer gesteld tegen het SS-systeem om de gevangenen tegen elkaar uit te spelen. Ook bij hun moeizame repatriëring uit Dachau en in de halve eeuw na de bevrijding was Pim hun steun en toeverlaat gebleven.

Dominee Nico ter Linden herinnerde ons eraan dat de patriarchaal ingestelde Pim ook nog een gezin had gehad en met al zijn kracht en eigenzinnigheid niet de gemakkelijkste man, vader en schoonvader was geweest. Boellaard hield de touwtjes ook in andermans leven graag in handen.

Enkele weken na de begrafenis stuurde ik Pims zoon een beleefde brief. Ik liet hem weten dat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) geïnteresseerd was in eventuele nagelaten papieren van zijn vader. Boellaard behoorde destijds tot de insiders die hoofdstukken van het grote werk van L. de Jong becommentarieerden; hij stond al eerder materiaal af aan ons instituut. Was er misschien nog iets dat voor wetenschappelijk onderzoek van belang kon zijn?

Ik mocht komen kijken en wat ik vond overtrof mijn stoutste verwachtingen. Een schatkamer. Een mer à boire. Op de zolder lagen, dik onder het stof, zelfs nog dozen vol correspondentie en foto’s uit negentiende-eeuws Nederlands-Indië. En in Boellaards werkkamer trof ik achter een verschoten groen veloursgordijntje elf dikke, gemarmerde en gecapitonneerde schriften aan: de dagboeken van Pim Boellaard en van zijn vader.

Hun verhaal begon in Batavia in 1866 en eindigde in De Bilt in 1995, met een veelzeggende onderbreking tussen 1942 en 1951. Honderddertig jaar vervlogen Nederlands leven, vastgelegd in de ouderwetse krulletters en volzinnen van een negentiende-eeuwse generaal, en in de korte blokletternotities van zijn zoon, wiens leven nagenoeg de hele twintigste eeuw besloeg: van 1903 tot 2001. Twee levens, zomaar voor het grijpen.

Historici zijn aasgieren. We willen dagboeken lezen, laden lichten, briefwisselingen bekijken, in giroafschriften gluren. Bij mijn eerste bezoek aan Boellaard in De Bilt was het me niet ontgaan dat de heer des huizes zijn villa Kloosterend had volgestouwd met boeken over de oorlog. Toen ik er na zijn dood vrijuit mocht rondsnuffelen las ik daarin de dankbare opdrachten van mensen die hun leven dankten aan Pim.

Die erkentelijkheid was me al eerder opgevallen. Ik had Pim Boellaard in eerste aanleg opgespoord omdat hij de éminence grise was van diverse naoorlogse verzetsorganisaties. Als regelaar op de achtergrond wist hij de steun van de Nederlandse regering te verwerven voor behoud van het kamp Dachau. Overheidssteun sprak in de koudeoorlogsjaren – toen de Tweede Wereldoorlog bij het publiek veel minder leefde dan nu – bepaald niet vanzelf. Boellaard had bovendien kans gezien van de oud-Natzweilers een echte groep te maken, waarin onderlinge steun en de herdenking van hun doden vooropstonden. Daarin verschilden de Natzweilers van kampcomités zoals de Vrouwen van Ravensbrück en het Auschwitzcomité die, gesouffleerd vanuit Oost-Europa, de kampherinnering misbruikten voor hun actuele politieke doeleinden.

Maar al tijdens mijn onderzoek voor mijn boek ’Na het kamp’ (2005) kwam ik erachter dat Boellaards sleutelpositie niet te begrijpen was zonder zijn rol in het kamp in aanmerking te nemen. Zijn naoorlogse gezag berustte op zijn moed tijdens de oorlog en op de steun die hij anderen toen had weten te geven. In 1946 bedankte een communistische ex-gevangene Boellaard en zijn kampvriend Oscar Mohr, omdat zij door hun ’prachtige houding’ de anderen, wanneer die „geheel terneer geslagen waren [...] dikwijls opnieuw moed” hadden gegeven. „Ik voor mij weet zeker, dat jullie hulp en kranige houding mijn redding is geweest in Natzweiler. Had ik jullie voorbeeld niet gehad, dan had ik het er nooit levend afgebracht.”

Boellaard bewaarde de brief zorgvuldig. Hij was trots op zijn goede contacten met mensen uit andere politieke en sociale milieus. In zijn boekenkast stond een haast stukgelezen exemplaar, vol briefjes en aantekeningen, van ’Goethe in Dachau’, het omgewerkte kampdagboek van de communist Nico Rost, met wie Boellaard in Dachau de leiding had over de Nederlandse gevangenen. Toen de CPN Rost midden jaren vijftig naar de mestvaalt der geschiedenis verwees, was het Boellaard die hem troostte. In een van de vele dossiers op Kloosterend trof ik de rede die hij in 1967 hield bij Rosts begrafenis – als deftige, koningsgezinde werkgever een vreemde eend te midden van de linkse Amsterdamse bohème.

Boellaard was een groot bewaarder. Dat had ongetwijfeld óók te maken met zijn niet geringe ijdelheid en zijn genealogische obsessie. Zijn nabestaanden werden bij zijn dood opgezadeld met een villa vol papier; voor mij daarentegen was zijn bewaardrift een bof. Zo vond ik een vergeelde archiefdoos vol brieven van de mannen met wie hij in de meidagen van 1940 had gevochten in de buurt van Den Haag. Een schillenboer die door de mobilisatie zijn wijkje was kwijtgeraakt, vroeg zijn kapitein om bij de gemeente een goed woordje voor hem te doen. Wat de kapitein per ommegaande deed.

Ik hield mijn adem in toen ik op een dag het briefkaartje tegenkwam dat Pim in alle haast schreef aan zijn vrouw, nadat hij op de ochtend van 14 mei op een haar na was ontsnapt aan een granaat. „Ik neem afscheid van je, lieve schat”, schreef hij haar na dit memento mori. „Vaarwel alles, tuin, zon, muziek, werk [...] Wij zien elkaar eens terug, waar het beter is. Maak een nette kerel van onze zoon [*]. God zegene en behoede jullie, je Pim en Pappie!”

Bij die ene afscheidsbrief zou het niet blijven. In een latere gaf hij gedetailleerde aanwijzingen over de tekst die op zijn grafzerk moest komen. Boellaard werd op 5 mei 1942 na verraad gearresteerd. Hij kwam terecht in de Scheveningse strafgevangenis, beter bekend als het Oranjehotel, en daarna in Haaren. Als lid van de verzetsgroep Ordedienst (OD) ging hij ervan uit dat hij net als de eerder gepakte OD’ers zou worden doodgeschoten. Dat gebeurde niet. Dankzij het zogeheten Keitel-Erlaß werd hij najaar 1943 abgetrennt als NN-gevangene naar het beruchte Natzweiler.

De straf voor deze gevangenen was dat de familie moest denken dat ze dood waren. Ze verdwenen in ’nacht en nevel’, spoorloos. Na oktober 1943 werd Boellaard dan ook meer dan tevoren gekweld door het besef dat hij zijn dierbaren achterliet in angst en onzekerheid.

Ook vóór zijn deportatie naar de Elzas was communiceren een zware opgave, bemoeilijkt door de beperkte schrijfmogelijkheden en de censuur. Maar wát hij in de gevangenissen schreef is als door een wonder bewaard gebleven: niet alleen zijn brieven aan thuis maar zelfs clandestiene aantekeningen.

In het Oranjehotel mocht Boellaard in de bibliotheek boeken kaften. Als de bewakers even niet opletten, noteerde hij op wc-papiertjes zijn belevenissen. Hij zag kans die blaadjes in de kaften te verstoppen, waar de bibliothecaris ze uithaalde. Op een zo’n velletje beschreef Boellaard hoe hij oefende in gefusilleerd worden. Hij stelde zich voor dat het kijkgat in zijn celdeur de loop was van een geweer en probeerde waardig ’Leve de koningin!’ te roepen. Het hielp. Hij werd er rustig van. De blaadjes uit het Oranjehotel, door de bibliothecaris de gehele bezettingstijd onder de grond verborgen, liggen nu in zuurvrij cellofaan in de archiefkelders van het Niod – verboden met blote handen aan te raken.

In de gevangenis in Haaren wist een vriendin met Kerst 1942 een dagbijbeltje binnen te smokkelen en een potlood. Eenzame opsluiting is een vorm van mentale marteling. Boellaard constateerde dat zijn geheugen verslechterde doordat hij geen enkele menselijke stem hoorde. Zelfs de bewakers mochten geen woord met hem wisselen. Om het verval te stoppen ging hij ertoe over zijn waarnemingen te noteren: het sterrenbeeld Cassiopeia, een ekster, het gezang van een merel. Hij noteerde de verjaardagen van zijn vrouw en zoon en neuriede op de verjaardag van koningin Wilhelmina zachtjes het Wilhelmus. In diezelfde periode werden vrienden uit de cel gehaald om te worden doodgeschoten. Boellaard vermeldde hun namen en hoopte met de anderen die achterbleven, dat de oorlog niet nog een hele winter zou duren.

Toen hij werd afgevoerd naar kamp Amersfoort, nam een goede politieagent het bijbeltje mee. Boellaard kreeg het na de oorlog terug. Daaraan is het te danken dat wij van dag tot dag kunnen volgen welke mentale strategieën hij, wachtend op zijn doodvonnis, bedacht om niet ten onder te gaan.

In haar spraakmakende Van der Lubbe-lezing bepleitte Niod-directeur Marjan Schwegman afgelopen voorjaar een hernieuwde aandacht voor helden en heldinnen. Die aandacht zou niet hagiografisch, maar analytisch moeten zijn. Onderzoekers zouden moeten proberen te begrijpen wat maakt dat sommige mensen zich in bepaalde omstandigheden ontpoppen tot held.

Boellaards aantekeningen maken een dergelijke genuanceerde benadering van zijn heldendom mogelijk – inclusief aandacht voor zijn minder prettige kanten en bijvoorbeeld voor de vraag of hij tekortschoot als vader.

Een rijke bron waren de dagboeken. Die van hemzelf beslaan vooral de naoorlogse periode en laten zien hoe hard de Lockheed-affaire bij Boellaard aankwam. Bernhard had zijn vriend in februari 1976 plechtig verklaard dat hij er niets mee te maken had. Nog lang memoreerde Boellaard elk jaar de datum van die leugen. Een van de redenen waarom hij Bernhard niettemin trouw bleef, was naar mijn overtuiging zijn dankbaarheid voor diens hulp bij de repatriëring van de Nederlanders uit Dachau. Boellaard was op 11 mei uit het kamp ontsnapt om hulp te halen voor de honderden Nederlanders, die nog steeds in levensgevaar verkeerden. Toen hij bij de officiële instanties nauwelijks gehoor vond, schoot Bernhard te hulp bij het organiseren van vrachtwagens, zodat Boellaard zijn belofte aan de achtergeblevenen om met hulptroepen naar het kamp terug te komen, gestand kon doen.

Een andere reden was dat Boellaard ervan genoot aan het hof te verkeren. Hij wilde of kon daar geen afstand van doen. Hij had de liefde voor Oranje zo van jongs af aan meegekregen dat die in de diepste lagen van zijn ziel was opgeslagen.

Dankzij de dagboeken van zijn vader en de babyboeken van zijn moeder kon ik me een goed beeld vormen van de sfeer waarin Pim opgroeide: een militair, koningsgezind, standsbewust en tegelijk liefdevol milieu. Zijn opvoeding bezorgde de kleine jongen een stabiel gevoel van eigenwaarde en gedragsstandaarden die zijn zelfrespect schraagden: waardevolle mensen als wij geloven in God, Nederland en Oranje en hebben altijd onze rug recht en het hoofd geheven. Hij wist wie hij was en waar hij stond, en groeide op met de innerlijke overtuiging dat hij goed was zoals hij was.

Pims rijke, beschermde omgeving maakte hem, anders dan het vooroordeel zegt, niet verwend. Hij kon juist veel hebben. Zijn opvoeding plus zijn latere ontwikkeling boden hem een zelfbewustzijn dat ook onder barre omstandigheden een bron van kracht bleef – voor hemzelf én voor anderen.

Zo vertelde ex-gevangene Pim Reijntjes dat zijn broer, die ook in Natzweiler zat, eens keukenafval van de grond raapte, „schillen en zo, die hij waste en opat”. Boellaard had hem toen indringend toegesproken. „Hij moest dat niet doen. Het zou zijn honger niet stillen, erger nog: hij kon er ziek van worden. Maar bovendien: het ondermijnde zijn eergevoel als mens.”

Dat laatste, zegt Reijntjes, was een ’heel waardevolle tip’ die hij nooit meer vergat.

Behalve zelfrespect leverde Boellaards opvoeding hem ook de wens op om rijk te zijn en te behoren tot de hoogste kringen. Het lukte de intelligente en ijzersterke Boellaard die ambities waar te maken. Hij eindigde zijn werkend bestaan als voorzitter van de Koninklijke Jaarbeurs in Utrecht, commissaris van Ago, en financieel in zeer goeden doen.

Een druk sociaal leven had hij al vóór de oorlog. Nadat hij met z’n gezin in 1938 intrek had genomen in het landhuisachtige Kloosterend, vonden daar met enige regelmaat feesten plaats. Op de foto’s paraderen societydames in lange jurken met bontstola’s op het gazon.

Toen de partijtjes in de jaren vijftig werden hervat was bij de gastheer de herinnering aan de oorlog nooit ver weg. Zo won de tuin nog aan oppervlakte, doordat Boellaard er telkens als er Wiedergutmachungsgeld binnenkwam, een stukje bij kocht. Uitkijken over door de Duitsers betaald land zag hij als een kleine vergoeding voor alle mishandelingen en vernederingen die hij had ondergaan. Dat het hem tegelijk aan het kamp herinnerde, was geen bezwaar. Daar dacht hij toch wel aan.

Onder in een van zijn boekenkasten bewaarde Boellaard twee dierbare albums. In het ene plakte hij alles wat hij maar vinden kon over Natzweiler: ansichten van de chambre à gaz, foto’s van dubbele rijen prikkeldraad, van wachttorens en medische experimenten, portretten van de beulen, verslagen van de processen, tekeningen van medegevangenen, reisverslagen van pelgrimages. Aan het album moet hij veel tijd hebben besteed. Welke tijd? De boellaardse werkweek bedroeg zeker zestig uur. Zijn spaarzame vrije tijd benutte deze ondernemer voor het samenstellen van een gruwelboekwerk.

Ook het tweede album illustreert hoezeer Boellaard in twee werelden leefde. Hij maakte het ter herinnering aan zijn zestigste verjaardag. Voorin plakte hij de visitekaartjes vol dubbele namen en adellijke titels van de vrienden die zijn verjaardagsfeest hadden bezocht. Daarna volgde het geschenk van de Natzweilers: de voormalige gevangenen hadden een tekst of tekening gemaakt om uitdrukking te geven aan hun dankbaarheid jegens hun vertrouwensman.

Dezelfde twee werelden zien we ook in Boellaards agenda’s uit de tijd dat hij directeur was van de Olveh (het latere Ago, het huidige Aegon). Het bedrijf vervaardigde voor hem elk jaar een persoonlijke agenda met op het leren omslag in goud zijn handtekening. Zoals iedereen noteerde Boellaard voorin zijn bloedgroep en de alarmnummers van dokter en brandweer. Maar daarboven schreef hij elk jaar weer in duidelijke blokletters zijn kampnummers. NN5561 voor Natzweiler, NN100649 voor Dachau.

Boellaards verlangen te behoren tot de hoogste kringen is in hoge mate te herleiden tot zijn ouderlijk milieu. Voor andere typerende eigenschappen geldt dat juist niet: zijn psychologisch inzicht, zijn vermogen om te gaan met diverse soorten mensen, zijn zorgzaamheid voor zijn soldaten en medegevangenen. Terwijl vader Boellaard, de generaal, neerkeek op zijn onderofficieren en liever niet had dat zijn zoontje speelde met minder volk, hechtte die zoon juist aan een goed contact met de dienstplichtigen.

Boellaard was dan ook meer dan simpelweg het product van een voorgeslacht van generaals. In velerlei opzicht brak hij uit die traditie en omarmde hij de moderniteit. Hij ging in zaken en verruimde zijn blikveld, ook emotioneel en intellectueel. In de jaren dertig maakte hij, na een persoonlijke crisis, kennis met het nieuwe vak psychologie. Hij paste de opgedane inzichten toe in het kamp en in zijn werk, en verdiepte zich in de psychologie van nazimisdadigers. Naast zijn moed en integriteit was het zijn psychologische wijsheid die hem tot de leidsman maakte in Dachau en Natzweiler.

Met de nadering van de Geallieerde troepen werd het kamp Natzweiler in het najaar van 1944 ontruimd. De meeste gevangenen gingen naar Dachau. Daar moesten ze nog een winter en een vlektyfusepidemie doorstaan. Nadat het kamp op 29 april door de Amerikanen was bevrijd, werd het wegens besmettingsgevaar direct weer in quarantaine gezet. Het ’grote sterven’ ging door. Het wachten was op evacuatie door de diverse landen van herkomst. Er werd een internatonaal comité gevormd dat het voedsel verdeelde en onderling geweld voorkwam. Voor Nederland zat Boellaard in dit International Prisoners Committee. In zijn nalatenschap vond ik een foto met Boellaard in een burgerpak, te midden van gevangenen in de bekende strepenpakken, om zijn arm de band van het comité. Die foto, waarop hij er verrassend sterk uit ziet, siert het omslag van zijn biografie.

Inmiddels ben ik erachter gekomen wanneer en waarom die foto werd gemaakt. Het was op 6 mei, een week na de bevrijding. Dat Boellaard een burgerpak uit de SS-voorraden mocht halen, was omdat hij zou worden geïnterviewd. De foto is geen foto, maar een still uit een journaalfilm. Dat filmpje was nog nooit opgespoord. Maar nu wel – dankzij aantekeningen die ik vond in Boellaards papieren en met behulp van filmhistoricus Gerard Nijssen (die ook voor Andere Tijden vaak prachtmateriaal weet op te sporen). Het unieke filmpje uit een nog gesloten concentratiekamp bleek al die jaren te zijn bewaard. Voor het eerst horen we de stem van een Nederlandse gevangene in Dachau. Bent u kapitein Boellaard?, vraagt de journalist. Wat mij aan het gesprek het meest treft, is hoe rustig en feitelijk Boellaard de vragen beantwoordt.

Pim Boellaard was een man van staal met verrassend zachte kanten. Hij dwong ontzag af door de ongeïntimideerde wijze waarop hij de hoge nazi’s Heydrich en Himmler te woord stond, door wie hij in mei 1942 als specimen van het Nederlandse verzet werd verhoord – een unieke ’eer’. Hij redde in de steengroeve van Natzweiler anderen het leven door hun vracht over te nemen en bemoedigde hen door ’s avonds van de strafexpeditie terug te keren met dezelfde kaarsrechte houding als waarmee hij na het ochtendappèl vertrok. Hij kon arrogant zijn en hard, zeker als hij iemand oninteressant vond.

Een van de eigenschappen die hem tot een held maakten was dat hij juist in crisissituaties floreerde. Maar zijn vermogen om pijlsnel en zonder aarzelen te beslissen – in crises essentieel – maakte dat hij in het gewone leven nogal snel geïrriteerd en ongeduldig kon zijn. Toch hij was ook aardig en behulpzaam. Hij genoot van de bonte boeketten die ik voor hem meebracht. Straalde door al zijn pijn heen bij het zien van zijn trouwfoto van zeventig jaar eerder. En huilde droge oudemannentranen bij de herinnering aan het gezicht van zijn vader, de ’oude generaal’, toen hij, doodgewaand, op 16 mei 1945 in levenden lijve voor hem stond. Zijn nuchterder moeder had er overigens op vertrouwd dat haar zoon het zou redden, vertelde hij daarbij.

Hoe traditioneel hij ook was, Boellaard zag vrouwen niet als het zwakke geslacht. Het deed me goed te ontdekken dat deze vertegenwoordiger van het old boys’ network op latere leeftijd bevriend raakte met zelfstandige, professioneel geslaagde vrouwen, die bepaald niet kritiekloos tegen hem opkeken. Zijn aan de Bijbel ontleende motto ’Weest manlijk, zijt sterk’ zie ik veeleer als een opdracht aan zichzelf.

Na acht jaar onderzoek en tien meter archief is mijn achting voor Boellaard nog groter dan toen ik naast hem aan zijn ronde mahoniehouten tafel zat, omringd door foto’s van hemzelf met leden van ons koningshuis. Meer nog dan een verzetsheld was Boellaard een held in de wijze waarop hij drie jaar gevangenschap en concentratiekamp doorstond. Hoe mensen een dergelijke beproeving kunnen doorstaan is een universele vraag, die een open, onbevangen blik vereist. De onderzoeker die de zeldzame kans krijgt een intieme blik te werpen in die hel, moet zich ontdoen van de ballast van zijn ideologie of van zijn waardeoordelen. Boellaard kwam uit een andere wereld dan de mijne en uit een andere wereld dan die waarin wij nu leven.

Dat hij vanuit die standsbewuste, negentiende-eeuwse achtergrond de gruwelen der nazikampen doorstond, sterker nog: daar zijn glansrol vond, blijft – hoeveel factoren ik daarvoor inmiddels ook kan aanvoeren – toch een beetje een raadsel. Beter gezegd: een wonder.

Op het koperen huwelijksfeest van zijn ouders, 1915. (FOTO'S UIT DE BIOGRAFIE)
Met zijn zoon Willem, 1933. (FOTO‿S UIT DE BIOGRAFIE)
Rond 1933 (FOTO‿S UIT DE BIOGRAFIE)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden