Review

Heinrich Heines 'arme neef' speelde niet zo'n grote rol

Dr. L. Meulenberg: “Jij mijn arme neef”, de plaats van Jezus in de geestelijke ontwikkeling van Heinrich Heine, Kok, 96 blz., ¿ 19,00.

Hij is sloom, net als ieder ander die niet voor eigen rekening werkt en veel collega's heeft en in de grote bedrijvigheid gemakkelijk onopgemerkt blijft. Alleen het krediet van de onderneming gaat hem ter harte. En het is voor hem van nog groter belang dat zij zich handhaaft, aangezien hij bij een eventueel bankroet zijn levensonderhoud zou verliezen.'

Een protestantse dominee lijkt, nog steeds volgens Heine, op een kleine neringdoende: “Hij moet de mensen zijn geloofswaar aanprijzen, maar de artikelen van zijn concurrenten met laatdunkendheid afdoen. En zo staat hij als een echte kleine zelfstandige in zijn winkeltje, vol naijver tegenover alle grote handelshuizen, met name de grote onderneming in Rome, die vele duizenden boekhouders en pakknechten in dienst heeft en bovendien kantoren in alle werelddelen.”

Heines ouders wilden niet veel meer met de synagoge te maken hebben en deden hun zoon bij de franciscanen op school. Toen Heine eens aan zijn vader vroeg wie zijn grootvader was, antwoordde zijn vader, half lachend: “Jouw grootvader was een kleine jood met een lange baard”. In zijn onschuld vertelde Heine dit de volgende dag op school en - meteen ging van mond tot mond dat Harry Heine een jood was. Er werden dierengeluiden gemaakt en er ontstond een rel, die eindigde met een pak slaag voor Heine.

Dat heeft hij nooit vergeten. Toch liet hij zich in 1825 in de lutherse kerk dopen. Het kleurige van de katholieke kerk sprak hem meer aan dan het kille en saaie van het protestantisme, maar hij verwachtte van de protestanten meer voor de bevrijding van de mensheid en daarom werd hij luthers. Niet dat hij een overtuigd christen geworden is: hij zag zijn doop als zijn 'entreekaartje' voor de Europese cultuur en hoopte op een carrière bij de overheid of aan de universiteit. Het heeft hem niet gebaat: alle deuren bleven voor hem gesloten. Wanneer hij het in Duitsland benauwd krijgt wijkt hij uit naar Frankrijk en wordt in Parijs correspondent van Duitse bladen.

Daar houdt hij zich ook intens bezig met de godsdienst en de filosofie. De godsdienst loopt voor zijn gevoel op zijn laatste benen: de heiligen ruimen het veld, de engelen worden gekortwiekt, de wonderen houden geen stand en “het is de oude Jahweh zelf, die zich opmaakt om te sterven”. In Duitsland verpulvert de filosofie de fundamenten van het traditionele geloof. Voor deze filosofie is de wereld identiek met God en Hegel beweert dat “in de mens God zelf tot zelfbewustzijn komt”. Zo wordt, volgens Heine, “de hemel bestormd en de hele bezetting van de hemel over de kling gejaagd”.

Wanneer de kerk op de wijsbegeerte gaat leunen graaft ze haar eigen graf en Heine vindt het uitstekend dat de kerk verdwijnt. Hij ziet de ellende van de armen in Londen en Parijs en hij heeft te doen met Duitse boeren, die als landverhuizers naar Amerika trekken, omdat ze de hun door de adel opgelegde lasten niet langer kunnen dragen. Deze mensen moeten zich niet door de kerk wijs laten maken dat ze na hun dood naar de hemel gaan, maar hier op aarde het hemelrijk vestigen: “De massa verdraagt niet langer met christelijk geduld haar ellende. Ze snakt naar het geluk op aarde. Heine krijgt sympathie voor Marx en de eerste communisten.

Wanneer in 1848 een revolutie uitbreekt en het volk van Parijs drie dagen lang het heft in de stad in handen heeft, wordt er niet geplunderd. Heine is enthousiast: de nieuwe tijd breekt aan!

Maar dan raakt Heine verwikkeld in allerlei ruzies en wordt hij ziek. Zijn kijk op de wereld verandert. Hij had in Berlijn van Hegel geleerd, dat God in de mens tot zelfbewustzijn komt. Nu zegt hij: “Er zijn bij mij ernstige twijfels gerezen, of professor Hegel zaliger wel echt gelijk had, toen hij mij vijfentwintig jaar geleden verzekerde, dat de mens een God is, die zich met flair op twee benen kan voortbewegen.” Hij vindt dat “het atheïsme naar kaas, brandewijn en tabak begint te stinken” en gaat ook aan het communisme twijfelen: die communisten zullen nog eens alle mooie bomen omhakken en overal aardappelen poten!

Alles wat hierboven staat ontleen ik aan een boekje dat Dr. L. Meulenberg, hoogleraar kerkgeschiedenis in Nijmegen, aan Heine heeft gewijd. Meer dan veertig jaar geleden zei iemand eens tegen me: “Als je Heine gelezen hebt kun je alle andere boeken ongelezen laten.” Ik heb mij toen onmiddellijk de verzamelde werken van Heine aangeschaft, maar ik heb ze niet uitgekregen. Ik heb er wel genoeg in gelezen om te kunnen zien dat Meulenberg een prachtige inleiding tot het journalistieke werk van Heine geschreven heeft; de gedichten blijven buiten beschouwing.

Meulenberg heeft zijn boekje alleen een wat misleidende titel gegeven. Jezus (door de dichter “zijn arme neef” genoemd) speelde voor Heine niet zo'n grote rol. Aan het eind van zijn boek maakt Meulenberg Heine iets godsdienstiger dan hij was: Heine wilde uitdrukkelijk zónder pastoor en zonder dominee kerk begraven worden. Maar zijn bewogenheid, zijn levendigheid, zijn scherpzinnigheid en zijn ragfijne intuïtie komen bij Meulenberg heel goed uit.

Tot slot nog een uitspraak van Heine over filosofen zoals Hegel, die volgens hem “het gordijn voor de hemel weggetrokken” hebben. Wat zie je als je dan naar de hemel kijkt: “Daarboven zit alleen nog maar een oude joffer met handen van lood en een treurig hart: de noodzaak!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden