Heimwee naar de kust

Een dagje naar het strand zoals wij dat kennen is in de geschiedenis een recent verschijnsel. Pas in het laatste kwart van de vorige eeuw werden strand en zee een moderne bron van vermaak. In het spoor van Rousseau trokken de impressionistische schilders en masse naar de kust om het eenvoudige leven en de wisselende gezichten van het water op het doek vast te leggen. Inmiddels valt er een museum te vullen met de schilderijen waarmee de kustlijn van Le Tréport onder de Belgische grens tot Grandville in het zuiden door Courbet, Jongkind, Daubigny, Van Dongen, Millet en anderen gevolgd is. Het Museum voor Schone Kunsten in het Normandische Caen heeft dat deze zomer gedaan. 'Désir de rivage de Grandville à Dieppe', de Normandische kust gezien door schilders tussen 1820 en 1945, t/m 31 augustus in het Musée des Beaux-Arts, Le Château in Caen, di-zo 10-18 uur. Cat. Ffrs. 260 (ca. Fl. 88,40).

Dat licht, die spectaculaire kustlijn, het grillige strand en de mensen die zich er vermaken, vormden een niet geringe aantrekkingskracht voor de schilders uit de negentiende eeuw. Groepsgewijs ontvluchtten ze hun door epidemieën en oorlog geteisterde steden om rust en frisse lucht te vinden. Ze zetten hun schildersezel op het strand neer en maakten vervolgens schilderijen die een enorme aftrek zouden krijgen.

Er valt een museum te vullen met een lange trits van schilderijen waarmee de kustlijn van Le Tréport onder de Belgische grens tot Grandville in het zuiden te volgen is. Het Museum voor Schone Kunsten in het Normandische Caen heeft dat deze zomer gedaan. Niet ver van het strand, waar in 1944 zulke dramatische gebeurtenissen zouden plaatshebben, zijn nu Courbet, Jongkind, Daubigny, Van Dongen en Millet in slagorde opgesteld. Een Nederlands museum zou hetzelfde met de Hollandse kust kunnen doen: van Katwijk tot Cadzand werden ook hier schilders door licht en lucht, door het leven van vissers en boeren aangetrokken. Op die Nederlandse expositie zouden de schilders Jozef Israëls heten, of Hendrik Mesdag, Gerhard 'Morgensternje' Munthe of Lovis Corinth, Anton Mauve of Jan Zoetelief Tromp. Ze schilderden ook impressionistisch, hielden ook van ijle luchten die zich boven zeewater opstapelden, maar hun luchten waren niet zo helder, eerder grijs en regenachtig. Zij zagen hun voorbeeld in de Fransen, die het licht uitgevonden, als late echo op wat de Engelsman Joseph Mallord Turner een halve eeuw eerder had gedaan. Turner op zijn beurt was weer beïnvloed door de grote Hollandse schilders uit de zebventiende eeuw, van wie hij bijvoorbeeld Jacob van Ruysdael bewonderde. Zo was de cirkel weer gesloten: van de bleekvelden bij Bloemendaal via het strand van Scheveningen naar de monding van de Seine bij Le Havre loopt een ononderbroken lijn.

Vanwaar die belangstelling voor het kustgezicht die halverwege de vorige eeuw zo plotseling de kop opstak? Veel belangstelling voor het strand was er eeuwen lang niet geweest. Frankrijk had in de achttiende eeuw zijn schilders die havengezichten maakten, die een bekoorlijk riviergezicht schilderden, maar voor het strand hadden ze weinig of geen interesse. Het strand was, anders dan tegenwoordig, geen aanlokkelijke plek om zich te verpozen. Langs de kust voeren vissers die hun waren op het strand afzetten. Hun bomschuiten liepen met hoog water tot vlak onder de rotsen, waar ze een paar uur later droog vielen, de vissersvrouwen in staat stellend om de vis op te halen. Het strand was er voor economische activiteit en voor mensen die deze eenzame plek nodig hadden voor hun bezigheden, strandschuimers en minnende paartjes. Verder kwam er niemand. Want volgens de oude verhalen spookte het voor de Normandische kust.

Halverwege de vorige eeuw ontdekten geologen en geografen de Normandische kust. De kust bleek een eldorado van planten en dieren te zijn, een ongerept stukje natuur dat relatief dichtbij de grote steden was te vinden. Nog altijd kan een student op de universiteit van Caen een studie kustonderzoek volgen. Hij leert er, aan de hand van de wetenschapper Henri Elhaï, drie types in het landschap te onderscheiden. De falaise (de kliffen die loodrecht uit zee opstijgen), het strand, dat anders dan in Nederland niet door duinen wordt gevormd maar een bij eb droogvallende strook land is, en de marais, het drassige achterland waar grote poelen brak water staan. Tussen die drie types door stroomt de Seine naar zee, met een eigen landschap van estuaries.

Precies deze landschapstypes vormden het uitgangspunt voor de negentiende eeuwse schilder. Daarmee is hun voorliefde voor deze streek nog niet verklaard. Want waarom gingen ze naar buiten, bleven ze niet liever thuis, op hun atelier waar het leven veel gemakkelijker was? Daar was die drang om in de open lucht te werken, het plein air schilderen was door Rousseau en Millet geïntroduceerd en vervolgens op grote schaal overgenomen. Rond 1870, 1880 toog elke schilder met moderne opvattingen naar het platteland. Rousseau en Millet hadden ook nog iets anders geïntroduceerd: ze hielden van het eenvoudige leven en zagen in de 'terugkeer naar de natuur' een streven waarin schilders konden voorgaan. Millet was de eerste die volkse mensen tot onderwerp koos, zijn biddend boerenechtpaar dat luisterend naar het angelus het werk op het land onderbreekt, veroorzaakte bij de goegemeente een flinke schok: zo iets was ongehoord, dat deed je als schilder toch niet! Maar Millet opende een nieuwe weg die tot ver over de grenzen reikte. Tot in Nederland aan toe, waar Jozef Israëls en Anton Neuhuys de Hollandse boer in zijn nederige hut portretteerden tot Vincent van Gogh die maar niet genoeg van spitters en korenrapers kreeg.

Aan de Normandische kust was het inmiddels een va-et-vient van kunstenaars geworden. Waren ze er al niet als klein kind geweest, dan kenden ze het uitzicht van horen zeggen. Het flaneren langs de boulevard, het hele dagen in het zand zitten was een nieuw genoegen geworden, dat bij mensen van een nieuwe tijd hoorde. Wat dat betreft waren de impressionisten hun tijd vooruit: nog voor de grote golf toeristen naar de elegante badplaatsen stroomde, waren zij al geattendeerd op het toen nog onberoerde volksleven. Heimwee naar hun jeugdtijd toen alles nog onverdacht was, moet daarbij zeker een rol hebben gespeeld, heimwee naar de kust symboliseert immers een oerverlangen naar de oorsprong van het leven. De zee als metafoor van het leven: dat beeld duikt steeds weer op.

Sommigen zaten er alleen gedurende zomermaanden, anderen verbleven er geruime tijd. De Hollandse Fransman Jongkind betrok in Honfleur een huis, dat hij in de goede tijd van het jaar bewoonde. Zijn naam wordt met die van veel impressionisten in verband gebracht als het gaat om schildersontmoetingen aan de Normandische kust. Toch, hoewel het vaak wordt gedaan, vereist het een moeizame gedachtenkronkel om Jongkind bij de impressionisten in te delen. Daarvoor miste hij toch het spontane, het van het momentane licht bezetene, maar in veel van zijn werk dat hij aan de Normandische kust heeft gemaakt, is te zien welke voortrekkersrol hij speelde voor de schilders van het licht.

Het werk van Jongkind zit wat betreft het avantgardistische karakter dicht in de buurt van dat van Eugène Boudin. Deze schilder, die in 1824 in Honfleur werd geboren en in 1898 in Deauville stierf - twee plaatsen aan de Normandische kust - wordt als een der belangrijkste voorlopers van het Franse impressionisme beschouwd. Hij had slechts één onderwerp: het strand, met vrolijk koutend gezelschap. Boudin heeft de kust teruggebracht tot een ijle lijn, waarvoor altijd een groepje mensen heeft plaatsgenomen. Ze hebben alles bij zich om een gezellige dag door te brengen. Bonte parasols tegen de zon, strandkorven om in te zitten, tentjes waarin men zich kon verkleden. Veel kleren gingen trouwens niet uit: bij Boudin zit iedereen met hooggesloten jurk en frak en een zonnehoed, de kinderen spelen met matrozenpakjes aan in het zand. Die kinderen zijn de enigen die wat met het zand doen, de moeders keuvelen met elkaar of breien een onduidelijk kledingstuk.

Bij Boudin zie je weinig van het weer. De zon schijnt, het is goed weer (met uitzondering van de visserstafrelen, daar ging zo juist de zon onder), maar echt doorwerkte luchten zijn bij hem nauwelijks te vinden. Op dat punt wijkt hij dus beduidend af van de latere impressionisten die hij zou ontmoeten. Boudin was 34 jaar oud, toen hij in 1858 de toen pas 18-jarige Monet ontmoette. Twee jaar later zou Boudin zijn eerste strandgezichten schilderen, beurtelings was hij daarvoor in Honfleur en in Trouville, de dubbelstad van Deauville. In deze tijd stak het verschijnsel van de chique badplaats de kop op. Dat gegeven moet Boudin in het bijzonder hebben geïntrigeerd, als geen andere 'kustschilder' heeft hij voorstellingen gemaakt van de recreërende bourgeoisie op het strand.

Hij is ook een van de weinige schilders wier strandgezichten altijd bevolkt zijn. Boudin lijkt zich weinig te bekommeren om een topografische weergave. Het is dat je weet waar hij 's zomers verbleef, zodat aan de anonieme plekken een naam kan worden gegeven. Maar voor hetzelfde geld zouden zijn onderwerpen zich ook aan de kust bij Bordeaux of in Bretagne kunnen afspelen.

Anders dan Boudin was zijn tijdgenoot Gustave Courbet (1819-1877) diep onder de indruk van het zeegebeuren. Hij was 22 jaar oud toen hij in 1841 voor het eerst de zee zag, tijdens een bezoek aan de havenstad Le Havre. Courbet sprak van 'een zee zonder horizon', een motief dat Monet later waarschijnlijk aan zijn idee van het perspectiefloze landschap heeft geholpen. Voor strandbezoek of vissers had hij minder belangstelling dan voor het natuurgebeuren. Bij Courbet hangt soms een onheilszwangere lucht boven het strand die elk moment kan openscheuren, zelfs als hij zijn schilderij 'Marine-le calme' ('Rustig zeegezicht') noemt. Smerig groen en weinig goeds beloven de golven die hij als hoofdmotief uitkoos voor 'La Vague', een van zijn beste schilderijen die over het natuurgeweld gaan. Courbet zag de zee als een gebeeldhouwde vlakte, een woestenij waar menselijk leven tenonder gaat, waar de golftoppen als de krullen op een Griekse zuil zich in arabeske vormen neerstorten.

Charles Franois Daubigny (1817-1878) zag dezelfde gifgroene zee als Courbet, maar hield haar op afstand. Daarom kun je een klein schip zien, een vissersboot die moeizaam door die groene zee ploegt. Bij Daubigny is de lucht ook minder onheilspellend, wat vreemd is gezien de smerige zee die alleen zo vies kan ogen door het slechte weer. Daubigny was al 37 toen hij de zee voor het eerst zag en hij vond er onmiddellijk een schildersmotief in. “Ik zie dat hier iets goed te doen is. Ik zie de zee die zo mooi is dat ik weinig zin heb om elders naar toe te gaan. Het weer was zo lelijk, dat ik nog bijna niets heb gedaan, maar ik heb wolkenpartijen gezien boven de zee gezien, die de luchten van Claude Lorrain doen verbleken; en dan die mosselvissers, de garnalenvissers, en meer nog, allemaal met een katoenen hoed op. Dergelijke onderwerpen moeten op groot formaat worden opgezet.”

Bleven de zee en het strand eeuwig dezelfde, vanaf de jaren twintig toen Kees van Dongen, Raoul Dufy en Emile Othon Friesz nog regelmatig aan de kust kwamen, raakte het onderwerp van de Normandische stranden uit de belangstelling. In de schilderkunst werd niet meer naar motieven gezocht, het ging er gaandeweg meer om de innerlijke gevoelswereld uit te beelden. De expressionisten kwamen al helemaal niet meer aan het strand, laat staan de abstracte schilders. Een enkeling als Nicolaes de Staël, met wie de expositie in Caen afsluit, vond in de scherpe scheiding die de horizon tussen water en land maakt, nog een aanleiding om in de jaren vijftig nog een abstract doek als 'Zee en wolk' te maken. Maar toen was al duidelijk dat de hoogtijdagen van het strandgezicht definitief voorbij waren.

Tegenwoordig zit er geen schilder meer aan zee, tenzij voor zijn vakantiegenoegen, de schildersezel ingeruild voor zonnebrandolie en frisbee. Het strand is kleurrijker dan ooit, bevolkt door mensen die nog steeds de drukkend warme steden ontvluchten om verkoeling te vinden. Het strand is een plaats om te zien en te zien geworden. Naar gifgroene golven wordt niet meer gekeken, niet door schilders, en slechts door een enkele strandwandelaar die de herfststormen trotseert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden