Heimwee naar beelden

(Trouw) Beeld Mark Kohn
(Trouw)Beeld Mark Kohn

Fotograaf Hannes Wallrafen werd vijf jaar geleden blind en ontwikkelde zich tot ’audiograaf’, al heeft hij een voorkeur voor de term ’geluidsfotograaf’. In Amsterdam is vanaf vandaag zijn recentste werk te zien. „Ik voel me niet zielig, wel geamputeerd.”

Henny de Lange

Nog voor het handenschudden vraagt Hannes Wallrafen of het regent. Dat soort dingen ontgaat hem als hij de hele dag binnen zit, maar hij heeft er wel een ’neus’ voor sinds hij blind is.

Geroutineerd zet hij koffie, maar bij het inschenken van het hete theewater wil hij hulp. Ondertussen legt hij de werking uit van zijn spraakcomputer en vertelt over de 280 sneltoetsen die hij uit zijn hoofd moest leren en andere apparaten die hem in staat stellen zelfstandig te functioneren. „Het heeft heel lang geduurd voordat ik het woord gehandicapt kon en wilde uitspreken. Maar ik ben het natuurlijk wel.”

Vijf jaar geleden werd Hannes Wallrafen in een paar weken tijd blind, als gevolg van een zeldzame erfelijke aandoening aan de oogzenuw. Voor iedereen zou dat een drama zijn, maar bij Wallrafen kwam de klap des te harder aan omdat hij fotograaf was. „Als fotograaf ben ik nu passé”, zei hij destijds in een interview in Trouw. Maar hij was vastbesloten om ’geen saaie, vervelende en zielige man’ te worden. „Dan kan ik net zo goed in bed blijven liggen of vertrekken uit het leven.”

Vandaag, vijf jaar en drie weken na de dag dat hij voor het eerst merkte dat hij niet scherp meer zag, presenteert Hannes Wallrafen zich officieel als ’geluidsfotograaf’. Zijn oren zijn ogen geworden. Samen met fotograaf Bert Verhoeff vertoefde hij maanden in Spakenburg om vrouwen in beeld te brengen en aan het woord te laten die nog klederdracht dragen. De beelden en geluiden uit Spakenburg zijn te zien en te horen op een tentoonstelling in De Melkweg Galerie in Amsterdam, waar hij als ’audiograaf’ wordt gepresenteerd.

Zelf noemt hij zich liever ’geluidsfotograaf’, omdat hij ’al luisterend naar geluiden en niet ziend tot beelden moet zien te komen’.

De kerkklokken van Spakenburg vloeien via zijn microfoon naadloos over in de zang van het koor Hosanna. Net als in zijn fotografie probeerde Wallrafen niet alleen wetenswaardigheden maar ook een gevoel over te dragen. Maar hij staat nog aan het begin van een lang leerproces, constateert hij. „Het geluidsgebeuren is een complexer terrein dan de fotografie. Daar had ik grip op de materie en een bepaald oog ontwikkeld. Nu zwalk ik vaak.”

Een zielige man die zijn huis niet meer uitkomt, bent u dus niet geworden.

„Nee, ik voel me niet zielig, maar wel geamputeerd,”

Wat mij vooral bijbleef van het interview vijf jaar geleden in Trouw, toen u net blind was, was dat u vol plannen zat over uw nieuwe levensinvulling. Het kwam haast onwezenlijk over, zo gedreven en enthousiast als u daarover praatte.

„Natuurlijk zat ik toen ook wel eens te janken, maar eerlijk gezegd heb ik het er nu moeilijker mee. Toen had ik kennelijk een soort elasticiteit die me in staat stelde om de strijd aan te gaan. Ik was aan het vechten en overleven en dat maakt ook een bepaalde dynamiek los. Ik zou op reis gaan naar Curaçao. Die reis is gewoon doorgegaan, al ging Rijtje, mijn partner, wel mee. Ik zou daar fotograferen en mensen interviewen en ik herinner me dat ik meteen ging verzinnen hoe ik dat allemaal moest aanpakken. Ik was voortdurend aan het inventariseren wat ik allemaal nog zou kunnen.

„In die beginperiode was ik ook erg bezig met de mensen om me heen. Mijn sociale leven was in tijden niet zo intens als toen. Al mijn vrienden en relaties had ik ingelicht, omdat het al een paar keer was gebeurd dat ik bekenden niet had gegroet, omdat ik hen domweg niet meer zag. Ik kreeg veel aandacht en steun. Het was een warm bad. Op zeker moment houdt dat natuurlijk op en komen er signalen: nou moet het maar eens over zijn. Maar het gaat natuurlijk nooit meer over.

„Laatst zat ik in een vergadering en vroegen ze of ik wilde notuleren. Volgens Rijtje komt dat ook doordat ik de indruk maak op mensen dat ik helemaal niet blind ben. Ze vergeten het.”

Toen de belangstelling wegebde, viel u toen in het bekende zwarte gat, al is deze beeldspraak in uw geval wel erg wrang?

„Toen viel dat wel mee, ik heb er nu meer last van. Er zijn dagen dat ik het liefst in mijn bed zou willen blijven liggen. Maar daar wil ik niet aan toegeven. Dan word ik inderdaad die zielige, saaie man.

„Gisteren nog had ik zo’n dag dat alles in het teken stond van mijn handicap. Een opeenstapeling van kleine dingen, maar alles bij elkaar leidt het wel tot de gedachte dat ik het leven zo niet leuk vind. Het begon met de metro die net wegreed van het perron en het was al laat. Dan sta je daar op zo’n verlaten perron en op dat tijdstip wordt ook niet meer omgeroepen waar de metro naar toe gaat. En ook niemand om dat te vragen. Dan ram ik met mijn stok maar tegen de metro tot de bestuurder een deur opent. Die metro ging naar het Centraal Station en daar moet ik dan weer overstappen op de tram. Ik hoorde de trambestuurder gezellig met zijn collega’s kletsen in het wachthuisje, met als gevolg dat we na twintig minuten eindelijk vertrokken.

„Ik wilde toen even naar mijn krantje luisteren, waar ik een abonnement op heb. Dan sturen ze je eens per week een gesproken samenvatting van het nieuws. Bleek de apparatuur het niet te doen. Het laatste stuk moet ik lopen, maar daar hebben ze de straat opengebroken. Er is wel een tijdelijk looppad met afzettingen, maar dat is erg lastig oriënteren, met als gevolg dat ik me een paar keer flink stootte. Toen ik thuis kwam, had ik de neiging om de deur voorgoed achter me dicht te trekken. Dat fataliteitsgevoel blijft meestal twee dagen hangen.”

Bent u depressief?

„Nee, ik ben niet depressief, maar ik heb van die dagen dat ik er niet tegen kan. Het scheelt ook welke tijd van het jaar het is. Met dit donkere weer zie ik helemaal niets. Anders zie ik soms nog wat vlekken, zeker als de contrasten groot zijn. Als deze lamp boven de tafel brandt, is dat voor mij een hele vage vlek. Maar van jou zie ik helemaal niets.”

Hij buigt zich voorover en voelt naar mijn schrijfblok. „Ik hoor dat je schrijft. Soms zie ik een stuk wit papier als een vage vlek. Vanuit de randen van mijn ogen kan ik nog wat vlekken zien. Maar volgens de artsen zie ik met beide ogen minder dan een half procent.”

„Waarom heeft u geen geleidehond?

„Met een hond zou mijn tempo op straat wel hoger zijn, maar dat gecommandeer naar zo’n beest ligt me niet. Bovendien kent een hond alleen vaste routes, hij brengt je niet overal. En wat me vooral tegenstaat, is dat ik met een hond een nog gedisciplineerder leven moet leiden. Mijn leven is een stuk saaier geworden door de orde die ik erin heb moeten brengen. Mijn sociale contacten zijn heel gericht. Even spontaan naar de kroeg is veel minder geworden.”

De erfelijke oogaandoening die bij u is vastgesteld, Lebers Opticus Atrofie, kan door moeders doorgeven worden aan hun zonen. De kwaal kwam in de familie van uw moeder voor, maar dat heeft ze nooit verteld en ze was inmiddels overleden. Eén van uw zussen was op de hoogte, maar wilde u er niet mee belasten. Neemt u hen dat kwalijk?

„Nee, waarom zou ik? Er kan je van alles overkomen. Dan maak je je hele leven druk over iets wat je misschien nooit treft. Maar ik kijk nu wel heel anders aan tegen het spelletje dat we als kind wel eens deden: wat zou je erger vinden? Doof of blind zijn? Mijn grootste angst is nu om doof te worden. Mijn gehoor is toch al niet optimaal als gevolg van een niet goed behandelde infectie. Maar daar staat tegenover dat mijn andere zintuigen veel beter functioneren dan vroeger.

„Er komen hier bijvoorbeeld wel eens eindexamenkandidaten van fotografieopleidingen, die met me willen praten over het vak. Ik vertel hun dat je als fotograaf een intiem oog kunt hebben, maar ook een afstandelijk oog.

„Al pratend kan ik vaak goed inschatten wat voor soort fotografen ik voor me heb. Achter een timide, verlegen stem gaat vaak niet het type schuil dat dicht op een onderwerp zal duiken. De gedrevenheid waarmee iemand praat, of juist het feit dat iemand na een uur praten nog niet goed uit zijn woorden komt, vertellen me veel.

„Vroeger keek ik naar het uiterlijk, naar gezichtsuitdrukkingen. Die informatie ontbreekt, maar stemmen zeggen ook heel veel. Ik luister ook graag naar de gesprekken in het café. Je hoort ook meteen of iemand mobiel zit te bellen of een echt gesprek voert.”

Wat mist u het meest?

„Beeld. De beelden van mensen, bekenden en onbekenden. Dat borrelt bij tijd en wijle op als een intens gevoel van heimwee. Nee, dat slijt ook niet, het wordt alleen maar erger. Ik heb wel eens discussies met mensen die blind zijn geboren. Die missen niets, vind ik, omdat ze niet weten wat ze missen. Mijn hoofd zit vol laatjes met beelden.”

Zijn die beelden vervaagd, of worden ze juist scherper?

„Dat hield me in het begin erg bezig. Nou, loeischerp zijn ze en het lijkt of ze nog steeds scherper worden. Het zijn haast foto’s. In mijn dromen trekken ze aan mij voorbij. ’s Nachts ben ik een ziende in mijn dromen. Tot in de details zie ik dan bijvoorbeeld mijn vulpen die ik gebruikte op school. Allerlei herinneringen schuiven door elkaar heen. Als ik wakker word, spreek ik ze wel eens in, omdat ik daar nog eens iets mee wil doen voor de radio. Op sommige dagen zou ik het liefst in bed willen blijven, in de hoop op nog een droom. Doordeweeks geef ik daar niet aan toe, maar in het weekeinde wel. Die dromen bieden mij overdag ook een zeker houvast.”

Zijn er dromen die regelmatig terugkomen?

„Vaak droom ik over architectuur. Ik loop heel veel door gebouwen. Nou ben ik ook verzot op ruimtes, misschien speelt dat mee. Als ik ergens ben, wil ik me altijd een beeld vormen van de ruimte, onder meer door te luisteren hoe het geluid weerkaatst. En dat hangt weer af van de gebruikte materialen. En als ik in een vreemde stad ben, zoals laatst in Palermo, dan vraag ik Rijtje voortdurend wat ze ziet. Nou is ze niet erg visueel ingesteld en soms heeft ze ook geen zin om steeds maar alles te beschrijven. Dan zit er niets anders op dan te luisteren. Die geluiden neem ik ook op. En zoals een ander thuis op de bank later vakantiefoto’s bekijkt, roep ik de vakantiesfeer op door te luisteren naar de marktkooplui en straatgeluiden op Sicilië. Daar kan ik dan ook echt van genieten.”

Wat gaat u doen na ’Spakenburg’?

„Ik heb subsidie gekregen om te onderzoeken of het haalbaar is om van een aantal bekende openbare gebouwen in Nederland, zoals het Muiderslot, de Tweede Kamer en het Anne Frankhuis, maquettes te laten maken. Die zouden dan bij de ingang moeten worden geplaatst, zodat blinden ze met de handen kunnen bevoelen om zo een idee te krijgen hoe die gebouwen eruitzien, of de vloeren van marmer zijn en waar het trappenhuis zich bevindt.

„Als ze hun hand ergens neerleggen, zouden ze ook de akoestiek moeten horen, bijvoorbeeld door middel van een toespraak die koningin Beatrix heeft gehouden in het Paleis op de Dam. Ik moet inventariseren welke tien gebouwen daar als eerste voor in aanmerking zouden kunnen komen.

„Verder zie ik nog zo veel mogelijkheden op mijn nieuwe vakgebied. Zo ben ik onlangs nog gevraagd om geluidswandelingen te maken door Amsterdam. Ik kan nog jaren vooruit. Alleen worden de jaren bij mij niet meer gemarkeerd door mijn geboortedag, maar door de dag dat ik voor het eerst merkte dat ik niet scherp meer zag: 14 januari 2004, twee dagen voor de achttiende verjaardag van mijn zoon.

„Twee jaar geleden ben ik begonnen om op die dag mijn familie te trakteren. Ja, zo’n dag kun je toch ook vieren? Dat klinkt wrang, maar zoals anderen hun huwelijksdag vieren, vier ik de dag dat ik blind begon te worden. Dat is toch ook een ingrijpende gebeurtenis in je leven?”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden