HEIM GELDERLAND

De Nijmeegse Jezuïeten troffen, toen ze na de Tweede Wereldoorlog hun klooster aan de Houtlaan weer betraden, op hun kamers babybadjes en kindertoiletten aan. De SS had het religieuze complex in het diepste geheim omgebouwd tot een arische fokkerij. Een geheim dat tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven.

De Jezuïeten hadden verwacht soldatenvertrekken aan te treffen, SS-vlaggen aan de wand, sporen van een wagenpark dat inmiddels van het front was weggevlucht. Maar de paters ontdekten iets geheel anders. Hun Jezuïetenkamertjes van 3,5 bij 3,5 waren doorgebroken en van twee kleine was één grote kamer gemaakt. In de hoek van het vertrek waar in 1942 een boekenkastje stond met de Bijbel en andere werken, lag nu een kinderbadje, nog in papier verpakt. En het toilettenblok van de paters in diezelfde rechtervleugel was compleet gesloopt. Op die plaats stonden nu tien kleine kindertoiletpotjes, op rij.

Het drong langzaam maar zeker tot de paters door: de SS moest hun filosofenschool hebben gebruikt als een soort kindertehuis, of een huis voor ongehuwde moeders. Nee, het was nog schokkender. De SS had het Berchmanianum - de trots van de Jezuïeten - omgevormd tot Lebensbornheim Gelderland, een fokkerij waar arische kinderen moesten worden verwekt; 'Super-teutonen' zoals de Amerikaanse aanklager Robert Kempner hen tijdens de Neurenbergprocessen zou noemen. Kinderen met blond haar en blauwe ogen, produkt van een arische SS-vader en een net zo arische moeder.

Er is altijd een vermoeden geweest dat de SS in Nederland een Lebensbornheim moet hebben gehad. L. de Jong schrijft in zijn 'Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' dat meisjes of vrouwen die door het produceren van kinderen wilden getuigen van hun geloof in het nationaal-socialisme, vanaf begin 1943 opgenomen konden worden in 'een kraamkliniek te Nijmegen' die tot de onder Himmler ressorterende stichting Lebensborn behoorde.

De Jong, die voor de inrichting het woord 'stoeterij' gebruikt, geeft aan dat onbekend is hoeveel Nederlandse vrouwen Lebensbornkinderen ter wereld brachten. Een exacte lokatie van de kliniek kent De Jong niet. Ook in het recente boek Master Race van C. Clay en M. Leapman wordt het enige Nederlandse Lebensbornheim genoemd, maar ook hierin blijft onduidelijk waar het zich bevond.

In het archief van de orde van Jezuïeten, dat nog steeds in het pand aan de Houtlaan is gevestigd - het Berchmanianum heeft tegenwoordig de functie van bejaardentehuis en verpleeghuis voor religieuzen -, biedt het huisdagboek van de orde het eerste bewijs dat het Lebensbornheim aan de Houtlaan gevestigd moet zijn geweest. In de Historia Domus staat in Latijn de terugkomst van de paters in '44 beschreven: “Binnen was bijna alles, deels of helemaal, veranderd en wel door de eerste bezetters (Later hebben ook de Amerikanen en Canadezen er hun intrek genomen, HM), dat wil zeggen door de Duitsers en hun vrienden-verraders die het huis tot gynaecologische kliniek voor ongehuwde moeders hebben bestemd. Zo hebben ze bijvoorbeeld de hele bibliotheek ontruimd en daar kamertjes geconstrueerd voor zieken en op de verdiepingen kamers gemaakt voor twee artsen en hun gezinnen... Na drie jaar voldeed alles aan de moderne eisen en was het gebouw ruim voorzien van huisraad - het merendeel was geroofd uit huizen van joden. Het huis dat zij Lebensborn Gelderland hadden genoemd, kon plechtig worden geopend...”

Pater Piet Beijerbergen van Henegouwen, inmiddels tachtig jaar maar nog steeds pastoor van de Amsterdamse Verrijzeniskerk, had de passages in dit dagboek kunnen schrijven. Hij blijkt een van de eersten te zijn geweest die zich na het vertrek van de Duitsers uit Nijmegen naar de Houtlaan begaven. “Ik was ondergebracht in een school in het centrum van Nijmegen en ben, toen op 17 september 1944 de parachutisten bij Groesbeek landden, eerst naar het Canisius-college gegaan om dat gebouw veilig te stellen. Ik weet het nog goed, het was een zondagmiddag. Daarna ben ik met twee paters richting Houtlaan gefietst, waar we als eersten het door de SS-verlaten complex betraden. Onze kamers in de studentenvleugel waren doorgebroken en op de plek van de toiletten stonden inderdaad die kinderpotjes. Ik moet zeggen dat het er allemaal prachtig uitzag. Alles was netjes geschilderd, de kamers hadden goed sanitair. Ik denk dat er ruimte was voor zo'n dertig vrouwen met kinderen. Ons huis was natuurlijk een prachtige lokatie voor die grieten.”

Pater Henry van Waesberghe was direct na de oorlog de rector van het Berchmanianum en is sinds een paar jaar weer terug op de Houtlaan, nog sterker: de negentigjarige Jezuïet bewoont nu een van de uitgebroken kamers die voor de Lebensborn-moeders bestemd waren. Hij bracht na het vertrek van de Duitsers zijn Jezuïeten in een open vrachtwagen terug naar de Houtlaan en bevestigt het verhaal van pater Beijerbergen van Henegouwen.

Van Waesbergen gaat voor naar de refter, waar hij in 1942 met 60 leerlingen en 10 docenten zat te ontbijten toen er een 'Hauptmann' binnenstapte. Van Waesbergen weet zich exact de Duitse tekst van de man te herinneren, en declameert met zware stem: “Das Haus ist beschlagnahmt! Sie dürfen nur Privatsachen mitnehmen! Aber nicht die Zimmerbücher!” En de bejaarde Van Waesbergen moet even kuchen van zoveel verbaal geweld. “Over dat laatste heb ik me altijd zo verbaasd. Als Jezuïet had je altijd de Bijbel en andere werken op de kamer staan. Dat die Duitser daarvan op de hoogte was. En waarom mochten we die niet meenemen? Achteraf denk ik dat hij duidelijk wilde maken dat we alleen wat kleding mochten meenemen en zo snel mogelijk weg moesten.”

De Jezuïeten vertrokken vervolgens naar het 'campagnehuis' dat elk klooster heeft, op loopafstand van het hoofdgebouw, waar leerlingen en docenten op z'n tijd tot rust kunnen komen. Maar dit verblijf op het buitenhuis op de Hoge Hoenderberg bij Nijmegen was tijdelijk, via een klooster van de Duitse Jezuïeten in Valkenburg, kwamen de Nijmeegse paters uiteindelijk in een verlaten meisjespension in Eijsden terecht.

De plaatsen die de paters hadden vrijgemaakt werden in november 1942 ingenomen door de leden van een Vorkommando van de SS-Lebensorganisatie uit München, die op de Houtlaan als eerste de naam Berchmanianum van de gevel haalden. De buurtbewoners uit de tijd zagen dat er puin werd afgevoerd en dat de kleine smalle ramen van de bibliotheek werden vervangen door ruimere vensters. Het praatje ging dat er een huis voor ongehuwde moeders gevestigd zou worden. Wat de werkelijke plannen van de SS waren, was toen onbekend. Nu nog, want de Jezuïeten hebben over het Nijmeegse Lebensbornproject nooit naar buiten willen treden.

De Lebensborn-organisatie, die in 1935 in Duitsland is opgericht door wetenschappers die hun rassentheorieën in praktijk wilden brengen, is door SS-Reichsführer Heinrich Himmler bijna direct onder beheer van zijn 'raszuivere' elitetroepen gebracht. Kern van Himmlers project was het aanmoedigen van arische vrouwen zoveel mogelijk zuivere kinderen te krijgen. Naast het uitroeien van de Untermenschen, paste in het nationaal-socialistische gedachtengoed het stimuleren van de aanwas van de Ãœbermenschen.

HEIM GELDERLAND VERVOLG VAN PAGINA 1

SS'ers werden aangespoord voordat zij naar het front gingen, en de kans liepen gedood te worden, geschikte vrouwen te bevruchten. Raszuivere vrouwen die in de veroverde gebieden door SS'ers zwanger waren gemaakt, konden rekenen op verzorging en financiële bijstand. En toen deze kweek niet genoeg nieuwe ariërs opleverde, trok de SS onder andere Tjechië en Polen in om daar arische kinderen weg te roven. Als later bleek dat zij toch niet aan de arische kenmerken voldeden of niet gezond waren, stond hen in een kamp de dood te wachten. Werden zij goedgekeurd, dan konden zij rekenen op een plaats in een SS-tehuis en later in een adoptiegezin.

In Duitsland zijn eind jaren dertig, begin jaren veertig twaalf Lebensborn-huizen gesticht waar arische vrouwen hun SS-kindje konden baren. Hoewel slechts veertig procent van de vrouwen die belangstelling hadden, werd 'goedgekeurd', hadden de tehuizen altijd een wachtlijst. In de Duitse huizen zijn tussen 1936 en 1943 ongeveer 5 000 kinderen geboren die bezit waren van de SS en met zwaarden en swastika's een oud-Germaanse naamceremonie ondergingen. In de tehuizen - vaak voormalig joodse tehuizen en sanatoria - was borstvoeding verplicht en nagellak verboden. De zuivere vrucht moest immers de beste verzorging krijgen, ook al voordat het geboren was. Lichaamsbeweging, frisse lucht en goed voedsel was het devies.

Vanwege het geringe aantal beschikbare plaatsen in de Duitse Lebensborn-huizen en de daarmee samenhangende onvrede over de geringe 'productie', keek de SS ook over de 'grens' van de Heimat. Delen van het Reich waarin ook zuivere 'rasgenoten' leefden, zouden ook bij het Lebensbornproject betrokken moeten worden. Met name in Noorwegen, Denemarken, België en Luxemburg begon de SS met de inrichting van eigen fokkerijen. En het oog van de SS viel op een in die tijd nog splinternieuw kloostercomplex in Nijmegen, het studiehuis van de Jezuïeten van architect Josef Cuypers dat in 1929 was gereedgekomen.

Het kolossale complex voldeed aan alle normen. Het lag geïsoleerd en was eenvoudig te beveiligen, het gebouw zelf was modern en zou volgens de Lebensborn-organisatie plaats kunnen bieden aan zestig moeders en honderd kinderen. Het Nijmeegse klooster zou in eerste instantie de overvolle Duitse huizen moeten ontlasten en daarom was de ligging - pal aan de voormalige rijksgrens - zo ideaal. Lebensbornheim Gelderland zou dus in principe geen Nederlandse vrouwen moeten herbergen, maar Duitse. In de kamers van de Jezuïeten zouden zij door SS'ers (en niet door andere raszuivere Duitse militairen) moeten worden bevrucht en na negen maanden gezonde Nijmeegse lucht moeten bevallen.

Er is zeer weinig materiaal over de Lebensborn-plannen die de SS met Nederland had. Lebensborn bleef een geïsoleerd SS-project en toen de geallieerden Nederland bereikten, verdween met de SS ook al het schriftelijke materiaal. In een brief waarschuwt Himmler in december 1942 nadrukkelijk dat alle leidinggevende verpleegkundigen en artsen van Heim Gelderland de Duitse nationaliteit moeten hebben. Niet alleen vanwege de geheimhouding, ook om de moeders en kinderen te beschermen tegen de tegenstand uit de plaatselijke bevolking.

In dat verhaal over de angst die de Lebensborn-moeders hadden voor de reactie uit de bezette en ingelijfde gebieden, past ook een brief van barones Juul op ten Noord aan Himmler. Zij was een van de weinige Nederlandse vrouwen die in het Lebensproject een kind van een SS-er hebben gebaard en als persoonlijke vriendin van Himmler vroeg zij opname in een Heim buiten Nederland. De meeste Nederlandse vrouwen weken in die tijd uit naar 'Heim Ardennen' in België.

“Liebe Juul!”, schreef Himmler zijn vriendin op 15 september 1943 terug. En hij zegde haar toe dat zij naar Berlijn kon komen om daar een valse identiteit en een andere nationaliteit te krijgen. Vervolgens kon zij als 'Duitse' vrouw in een van de Lebensborn-huizen haar arische kind ter wereld brengen. Curieus is dat de vrouw zwanger was van een Nederlandse SS'er, zo blijkt uit een andere brief van Himmler. Hij schreef de man die hij zich 's wat meer om het kind moest bekommeren en een houding moest aannemen 'die bij een Germaanse man past'.

Aan het einde van 1942 reisde mevrouw Viermetz van de Zentrale Lebensborn uit München naar Den Haag om SS-topman J. Rauter toestemming voor de Nijmeegse broedplaats te vragen. Het Vorkommando was inmiddels begonnen het pand in te richten met - 'om de kosten te drukken' - geroofd joods meubilair. “We hebben, omdat we niets anders konden krijgen, nog jaren tegen de eikenhouten wielen met lampjes zitten aankijken”, zegt pater C. L. Brenninkmeijer die na de oorlog econoom van de Jezuïeten zou worden. “Maar wat erger was, de SS had voor huize Gelderland de complete inventaris geroofd van het Apeldoornsche Bosch (de joodse psychiatrische inrichting die januari 1943 door de Duitsers is ontruimd, de patiënten werden met veertig veewagons naar Auschwitz afgevoerd, HM) We hebben na de bevrijding nog twee jaar moeten eten met bestek met de inscriptie van het Bosch. Vreselijk was dat. Zodra het mogelijk was, hebben we alles terugbezorgd bij de rijksinstelling voor teruggave van joodse goederen.”

Het Heim had in de zomer van 1943 de deuren kunnen openen, later stond de feestelijke opening op februari 1944 gepland. Heinrich Himmler zou voor de opening het Nijmeegse huis persoonlijk hebben geïnspecteerd. Maar volgens de paters die na de oorlog in het Nijmeegse huis terugkeerden, was Lebensbornheim Gelderland er weliswaar klaar voor, maar is het nooit in bedrijf geweest.

“Honderd procent zeker weet ik het niet”, zegt pater Van Waesberghe. “Maar toen we terugkeerden, leek alles ongebruikt. Ik heb niets kunnen vinden dat op een verblijf van zwangere vrouwen of kinderen duidde.” En ook pater Brenninkmeijer gelooft niet dat er bevallingen in 'zijn' klooster hebben plaatgevonden. “Ik denk dat de SS gewoon de tijd niet heeft gehad het plan uit te voeren. Nijmegen was al vroeg frontstad. In september 1944 landden bij Groesbeek de parachutisten al. Dan zet je daar toch geen zwangere vrouwen neer.” Ook de kolenboer die de SS in de zomer van cokes voorzag (“Dan lag de prijs lager”) en nu nog steeds tegenover het klooster woont, heeft nooit gemerkt dat het huis daadwerkelijk door vrouwen werd bewoond. “De vrouwen die zich op het terrein bevonden, waren personeelsleden.”

Zelfs het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (Riod) in Amsterdam weet niet wat er in Heim Gelderland is gebeurd. De informatie blijft bij die ene alinea in het boek van L. de Jong. Voor nadere informatie moet gezocht worden in de Duitse bondsarchieven. Via Freiburg, Potsdam, Berlijn, weer Potsdam en Koblenz eindigt de zoektocht uiteindelijk in Mainz waar G. Lilienthal werkzaam is bij het Medizinhistorisches Institut. Hij blijkt specialist op het gebied van Lebensborn en kent de dossiers van de Lebensbornprojecten, ook die over Nederland. “Uit de stukken blijkt dat huize Gelderland inderdaad nèt niet in bedrijf is geweest.” Maar volgens Lilienthal hebben de oprukkende geallieerden daartoe nauwelijks bijgedragen.

Het was met name de onderlinge verdeeldheid en concurrentie tussen de burgerlijke NSDAP-bestuurders in Nederland en de militaire SS die de opening van het Heim hebben vertraagd. De nationaal-socialisten hadden in Nederland onder de vlag van de National-Sozialistische Volkswohlfahrt (NSV) al diverse huizen voor Nederlandse moeders die in verwachting waren van een Duitse militair. De Boerhaave-kliniek is daar een voorbeeld van en werd daarom in de oorlog ook wel de Baarhoeve genoemd. In juli 1943 waren in deze huizen al duizend kinderen ter wereld gekomen.

Rijkscommissaris A. Seyss-Inquart en met name zijn rechterhand, de invloedrijke F. Schmidt, voelden niets voor concurrentie op de markt van de kweek van arische baby's. Zij duldden geen aparte SS-huizen die alleen SS'ers en SS-baby's zouden huisvesten. Anders dan in Noorwegen waar de SS veel invloed had, wist Seyss-Inquart in Nederland de start van Heim Gelderland te dwarsbomen. In juni 1944, na de landing van de geallieerden in Normandië, gaf Himmler uiteindelijk het bevel dat Heim Gelderland “tot nader order, niet geopend wordt”.

In november van datzelfde jaar schreef SS-Oberführer dr. G. Ebner, de leider van de gezondheidsdienst van Lebensborn, aan een collega: “Onze huizen in Holland, België, Luxemburg en Frankrijk hebben we helaas moeten ontruimen. Hopelijk komt spoedig weer de tijd, waarin wij ze kunnen heropenen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden