Heiliger dan de preek

Op 29 maart betoogde de historicus Van Deursen in Letter & Geest dat een preek-wedstrijd indruist tegen de traditie van een predikant “die werktuig is in de hand van zijn Meester.” Vooral puriteinen als Bernard Smytegelt (1665-1739) wisten volgens Van Deursen door prediking het Hemelrijk te ontsluiten. Kerkhistoricus Breukelaar voelt zich geroepen zijn stem te verheffen tegen Van Deursens voorstelling van zaken. “Deze moderne Smytegelt vergeet over de andere sleutel tot het Hemelrijk te spreken: de tucht.” Dr. A. H. B. Breukelaar is theoloog, kerkhistoricus en gemeentepredikant.

Nu was ik juist op de aankondiging afgegaan, want na alle onzin die naar aanleiding van de preek-wedstrijd te berde is gebracht in de kolommen van Trouw, verwachtte ik eindelijk een wijze en bedaagde geleerde te horen, die rustig uiteen zou zetten welke rijke baaierd de kerk der eeuwen heeft voortgebracht aan definities en vormen van prediking. Immers, waar geleerdheid en wijsheid samengaan (wat volgens de Prediker aller predikers nauwelijks denkbaar is), ontvangen de hoorders een heilzame boodschap.

Misschien daagt de eenvoudige kerkganger dan het licht, dat het initiatief van Jan Greven c.s. zo gek nog niet is in deze tijd, waarin de kerk in de publieke opinie doorgaat voor een uitstervend fenomeen. Alleen al uit apologetisch perspectief is een preek-wedstrijd in dit tijdsgewricht de moeite waard - en is het voor de kerkbank-zitters tot hun eigen heil wijzer zich te onthouden van scherpe veroordelingen, aangezien zij daarmee de duivel voet geven (Ef. 4:27).

Maar kennelijk heeft er een onaangekondigde ruil plaatsgevonden tussen de geleerde en de puritein, die mij, als sommige kerkgangers onder het gehoor van Bernard Smytegelt indertijd, direct had moeten bewegen mij te onttrekken aan zijn gehoor. Ik was echter in een genegen Paasstemming, heb zijn rede gehoord, en voel mij, als herder van een gemeente en verantwoordelijk voor Christus' kerk en de voortgang van Gods heil, nu geroepen mijn stem te verheffen.

Al de eerste drie zinnen van Van Deursen namelijk, bevatten per zin minstens één fout. Dat de preek zo oud is als de christelijke kerk zelf, is alleen waar als je ervan uitgaat dat de preek een christelijk verschijnsel is. Echter, de jood Paulus kende de kunst der prediking reeds vóórdat hij christen werd. Hij was een rabbijn, wellicht uit de school van de wijze Farizeeër Gamaliël. En rabbijn Paulus was, evenals zijn illustere voorganger Jozua, een voorbeeldig prediker, gemeten aan de navolging die hij heeft gevonden. Overigens duidt het loutere feit dat er navolging bestaat al op een kunst die je kunt leren.

Dat we het beweerde kunnen 'nalezen' in de Handelingen der Apostelen, omdat daar staat dat “Petrus bijna tweeduizend jaar geleden op de pinksterdag met de elven opstond en zijn stem verhief”, is ook alleen maar waar als je ervan uitgaat dat de schrijver van de Handelingen een soort geschiedschrijving bedreef gelijk de volijverige register-schrijvers van Graft (Noord-Holland), zoals Van Deursen.

Echter, iedereen die iets weet van geschiedschrijving (en dat is iets anders dan het bijhouden van registers), weet dat feiten min of meer ficties zijn. Vier ooggetuigen van hetzelfde ongeluk leveren al vier verschillende verhalen op. En wie méér wil vertellen dan zulke feiten alleen, wie óók nog een boodschap te melden heeft, zoals de vier canoniek verklaarde evangelisten - onder wie de schrijver van de Handelingen - voegt de gekozen gegevens naar de boodschap die hij wil overbrengen. Hij vertelt over het verleden met een betekenis voor het heden.

Deze vorm van informatieverschaffing heet geschiedenis. En zoals de oude retorica, waarin wijsheid van eeuwen besloten ligt, al wist: historia narratio rerum gestarum (“geschiedenis is het verhaal van dingen die gebeurd zijn”).

Wie dus iets weet van geschiedschrijving, weet dat zij een 'conste' is, namelijk vertelkunst en dat haar produkt, de 'fraeije historie ende alwaer', een voortbrengsel is van de retorica.

De produktie van geschiedenis is tot niet zo lang geleden volkomen onderworpen geweest aan de regels van de welsprekendheid. Iedere geschiedschrijver vertelde over gebeurde zaken naar de regels van de kunst een verhaal met een moraal, of hij heette geen historicus.

Wil men het boek Handelingen opvatten als geschiedenis, dan dus alleen in deze klassieke zin. Men stelle zich dit werk niet voor als handelingen van kerkenraden of synodes, zeker niet als verslaglegging in de moderne, audio-visuele zin, maar alleen als verbaal kunstwerk naar de normen van zijn tijd.

Wie dit in ieder geval wèl onderkennen zijn de geleerden die zich gebogen hebben over het boek Handelingen en zijn schrijver, de schrijver van het Evangelie van Lukas. Want zij weten feiten van fictie te scheiden en weten dat de ware boodschap in de fictie ligt. Feiten zijn stom, geschiedenis spreekt.

Kortom, wàt Petrus ook gepredikt mag hebben en wanneer, zijn 'preek' op die 'pinksterdag', zoals onder woorden gebracht in Handelingen, is een artefact van de schrijver van Handelingen en het Evangelie volgens Lukas. Zowel deze 'preek' als de vermelding van die 'Vijftigste Dag' dienen de boodschap die deze schrijver predikt: “de Gezalfde die wij joden verwachtten is gekomen, en leeft heden. Volg Hem na!”

Wie geschiedenis aanziet voor stomme feiten, zondigt tegen de geschiedkunde. Maar wie de heilige overlevering aanziet voor stomme feiten zondigt nog erger. Juist daarom is het tot heil van het moderne kerkvolk noodzakelijk zich te verdiepen in de uitleg van de Schriften en kennis te nemen van de cultuur waarin zij zijn ontstaan. Dat is ook precies in de geest van de humanistische Reformatoren (sola scriptura!), hoe vermoeiend de quasi-puriteinen van tegenwoordig zulks ook vinden. Maar ja, Gods liefde kon weleens meer wederliefde vergen dan een mens lief is. Bijvoorbeeld het horen van Zijn Woord.

Dat de preek van Petrus dus de eerste preek was (de derde zin van Van Deursen) is dus dubbel fout. Het was niet de eerste preek en we kunnen dat niet nalezen in de Handelingen. Tenzij men, met een beroep op zeventiende-eeuwse Hollandse puriteinen, voorgeeft dat zowel deze preek als het betreffende verhaal in Handelingen rechtstreeks door de Heilige Geest zijn ingegeven, zoals sommige christelijke historici geloven dat puriteinen rechtstreeks door de Geest ingeblazen preekten.

Helaas schijnen sommige 20ste eeuwse predikanten hier te lande zoiets ook te geloven over hun éigen preken. Met die stupiditeit misleiden zij niet alleen hun gehoor, dat tot zijn onheil hetzelfde gaat beweren, maar quod peius, ook zichzelf.

De onaangekondigde kanselruil tussen de geleerde wijze en de puriteinse predikant bedroeft niet alleen mij, maar - naar ik geloof en dus stellig weet - de Heilige Geest van de Eeuwige (Ef. 4:30). Want de niets-vermoedende lezer krijgt een historie opgediend, die noch 'fraeij' is noch 'alwaer', en derhalve tegen de Geest zondigt.

Deze historie is niet fraai, want eindigt in een moraal (het fraaie deel, dat is: schoon, stichtelijk), die de verkondiging volgens de Heidelberger catechismus ondergraaft. Immers, de wèl fraaie catechismus geeft als antwoord op de vraag “Wat zijn de sleutels van het koninkrijk der hemelen?” als antwoord: “De verkondiging van het heilig Evangelie en de christelijke tucht, waardoor het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten wordt” (zondag 31, vraag 83). Onze Smytegelt redivivus beperkt de verkondiging echter tot de preek, en wel in de vorm die hij als norm stelt, en vergeet vervolgens om over die andere sleutel te spreken.

Wat de preek betreft: helaas voor hem is de preek die hij verlangt - gereformeerde dogmatiek in de trant van sommige nederduytsche zeventiende-eeuwers - bij lange na niet de maatgevende verkondiging van het heil, zeker niet in de vorm die hij verlangt: daverend tot in alle hoeken van het kerkgebouw.

Willen wij de opstellers van de Heidelberger cathechismus recht doen, dan moeten we onder deze verkondiging heel wat meer verstaan dan toevallig ingegeven kanselwoorden van een dominee. De verkondiging van het evangelie die zij bedoelden had namelijk wezenlijk te maken met de tucht, die andere sleutel tot het Koninkrijk.

De tucht, disciplina, betekent: discipel zijn, de goddelijke levensleer volgen. Tucht is een kwaliteit van de gemeente. Het is de heil-brengende manier waarop christenen zich behoren te gedragen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de wereld rondom. Samen met de verkondiging vormt de tucht de meervoudige sleutel tot het Koninkrijk, dat is het gebied waar God regeert. Ter verduidelijking: waar Hij regeert is waar Zijn wil gedaan wordt. En Zijn wil is, voor wie Zijn wet kennen: liefde betrachten tot Hem en tot de naaste (Mc 12:29-31 en parallellen). En dat is iets dat in de gemeente geoefend wordt en nergens anders geoefend kan worden.

Die meervoudige sleutel tot Gods Koninkrijk bedoelt dus in wezen een goed functionerende gemeente. Want zulk een gemeente is heilsverkondigend aanwezig in de wereld, bestaat tot heil van de wereld en tot eer van God. En daarbij ook nog tot heil van de leden zelf.

Daarom is het, dat de dogmaticus Berkhof in zijn klassieker over het christelijk geloof kon schrijven, dat de samenkomende gemeente zèlf sacrament is. Een sacrament is namelijk een middel om het heil van God over te dragen.

Een gemeente die functioneert naar Gods wil is sacrament bij uitstek. Gelukkig wordt dat nog beleden door mensen als de voor de preek-prijs genomineerde Jacobine Geel, geciteerd in hetzelfde nummer van Trouw, waar zij zegt dat het samenzijn van de gemeente haar heiliger is dan de preek.

Mensen die elkaar in liefde genegen zijn, een gemeenschap in de Geest van God, dat is tucht en verkondiging beide. Gods Woord spreken èn doen, het Woord èn de daad, lehren èn lernen. Dat is: het Koninkrijk Gods openen.

Het Koninkrijk sluiten daarentegen is: mensen uitsluiten van de gemeenschap in die Geest; mensen weghouden van Gods liefde. Er zijn honderden manieren om dat te doen. Bijvoorbeeld door in dit tijdsgewricht in Nederland de sleutels op te vatten als een preek, en dan ook nog in de geest van een of andere zeventiende-eeuwse Hollandse puritein.

De historie volgens onze Smytegelt/Van Deursen is niet alleen niet 'fraeij', zij is evenmin 'alwaer'. 'Alwaer' bedoelt de waarachtigheid en betrouwbaarheid van de historie, niet zozeer de juistheid van empirisch vast te stellen feiten. Behalve de genoemde onstichtelijkheden zijn er tal van misleidingen in zijn betoog, waartegen de lezer gewaarschuwd zij.

De ergste der dwaasheden daarin begaan is de cirkelredenering. Dat is een verstandsverduistering waarin, naar bekend, zelfs de grootste wetenschappers verstrikt kunnen raken. Onze Smytegelt redeneert als volgt rond: de prediking der christelijke kerk vindt haar grootste bloei in de zeventiende eeuw, met name in de Nederlandse Republiek. Predikheren toen en daar deden niet mee aan preekwedstrijden. Wie tegenwoordig aan zulke wedstrijden meedoet heeft dus “het begrip prediking radicaal van inhoud veranderd.” Dit is petitio principii waar het verstand bij op tilt gaat! Zoals Erasmus schreef over de bulderende bidder: O crassum ingenium! Suspicor fuisse Batavum (“Wat een lompe geest! Vast een Hollander” - hij was overigens een Zeeuw).

Afgezien van de afgrondelijke aanmatiging die besloten ligt in deze voorstelling van de preekgeschiedenis - of is het de heilige eenvoud van de provinciale onnozele die nog nooit over de dijk geweest is? - is het vooral de zotheid die hier Gods koninkrijk toesluit. Welke dezer beide zonden groter wordt geacht, hoogmoed of dwaasheid, het zal Gods eigen lieveling à la Antoine Bodar vergen om Petrus aan de hemelpoort ten goede te bewegen voor deze (zet'm op, Antoine!). Ik gun Smytegelt zijn eigen tijd en voorkeur van harte. Ieder zo zijn eigen smaak. Maar wil hij de christenheid in deze kleine Nederduitstalige uithoek van Gods schepping nog bereiken met een heilzaam woord, al dan niet daverend, dan zal hij zich toch eerst moeten verdiepen in de geschiedenis van de christelijke preek. God geve hem de tijd zich nog te bekeren!

Om dit proces te verhaasten wil ik hem er alvast op wijzen, dat hij - mits berouwvol en tot bekering genegen - alras een bevrijdende ontdekking zal doen: de onbetwiste opperspreekstalmeesters van Gods Woord, althans voor zover dit geklonken heeft in de christelijke kerk, waren tot in alle vezels van hun ziel verplicht aan de leer van de openbare rede. Aurelius Augustinus, die een glansrijke toekomst als retorica-leraar aan het keizerlijk hof tegemoet ging, Johannes 'Gouden mond' Chrysostomos, Cyrillus van Alexandrië, Dominicus de Calaroga en zijn orde van predikanten, de magister artium en Augustijner heremiet Maarten Luther, de jurist en humanist Johannes Calvijn: zij kenden hun Aristoles, hun Hermogenes of hun Cicero als hun broekzak. Zij etaleerden hun aangeleerde vaardigheden en kunsten met uiterste inspanningen voor de troon van de Eeuwige. Zó preekten zij de Geest uit de hemel - naar behoren! Want zonder die eeuwige wedstrijd in het vlammend vertoon der kunsten valt Hij in slaap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden