HEIDEMIJ

'Met alle respect, meneer Lijdesdorff, maar als u een schadeclaim in wilt dienen voor 3,5 maand gratis dwangarbeid tijdens de oorlog, bent u bij ons toch echt aan het verkeerde adres. Wij hebben begrip voor uw gevoelens, maar ons treft geen enkele blaam'.

In woorden van gelijke strekking liet de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij, tegenwoordig Arcadis, René Lijdesdorff uit Den Haag medio vorig jaar weten dat hij niet hoeft te rekenen op inwilliging van zijn verzoek. Ter ondersteuning van de argumentatie stuurde het bedrijf het jubileumboek 'Honderd jaar Heidemaatschappij' naar Den Haag, zodat Lijdesdorff zelf kon lezen dat ook gerenommeerde wetenschappers geen enkele reden zagen om de specialist in grondzaken te verdenken van een kwalijke rol tijdens de oorlog.

Furieus is René Lijdesdorff over de koele, zakelijke manier waarop de Heidemaatschappij denkt zich per brief aan haar verantwoordelijkheid te kunnen onttrekken. “Van wie krijg je normaal je geld als werknemer?”, vraagt Lijdesdorff zich retorisch af. “Juist, van je baas. En mijn baas in het werkkamp Mantinge was toevallig de Heidemaatschappij. Waarom kreeg ik in plaats van zo'n ontwijkende brief geen uitnodiging voor een gesprek om de zaak in der minne te schikken? Door deze houding heeft het bedrijf zijn gezicht al verloren.”

Of Arcadis ook de zaak verliest die de advocaat van Lijdesdorff, mr. R. Kiek, wil aanspannen, moet worden afgewacht. Inzet van het conflict is een bedrag van 25 000 gulden dat Lijdesdorff wil overmaken aan Herinneringskamp Westerbork. “Want het gaat mij niet om persoonlijke genoegdoening”, zegt de inmiddels 77-jarige Hagenaar, “maar om een symbolisch gebaar in de richting van mijn makkers uit die tijd van werkkamp Mantinge. Van hen heeft vrijwel niemand de oorlog overleefd.”

René Lijdesdorff is geboren in 1920 en groeit op in een joods gezin aan de Amsterdamse P. C. Hooftstraat. Zijn jeugd verloopt onbekommerd. De gebeurtenissen in Duitsland, waar joden het leven nagenoeg onmogelijk gemaakt wordt, verontrusten het gezin Lijdesdorff niet. “We dachten dat het allemaal zo'n vaart niet zou lopen. Ook na de bezetting in 1940 lieten de Duitsers ons een tijd met rust. Een bevestiging van ons vermoeden: niks aan de hand.”

Totdat René op 28 maart 1942 een oproep krijgt om zich drie dagen later te melden op het Centraal station voor transport naar Drenthe, voor verplichte tewerkstelling. Een enkeltje Wijster is ingesloten. “Ik moest zelf voor werkkleding zorgen”, herinnert Lijdesdorff zich. “Een schop moest ik nog kopen, want die had ik niet.” Op de laatste dag in maart voegt hij zich bij de drie- à vierhonderd lotgenoten (“Gek genoeg bijna allemaal mensen met een vaste baan”) voor de reis naar het oosten. “In Wijster werden we van de trein gehaald en moesten we lopend onze weg vervolgen naar kamp Mantinge.”

Drie uur later arriveert de groep van een kleine tachtig man bij de poorten van het werkkamp. De dwangarbeiders worden verdeeld over zes slaapzalen. Al snel wordt duidelijk wat van hen verwacht wordt: onder toezicht van de Heidemaatschappij moeten de joodse arbeidskrachten in de uitgestrekte polders grondwerk verrichten, sloten graven en wegen aanleggen. Van 's morgens acht tot 's middags vijf uur. Bij de selectie van het personeel is geen rekening gehouden met lichaamsbouw.

“Jaap Cune, een bekende joodse jazz-violist van voor de oorlog, was er ook bij”, weet Lijdesdorff. “Die deed 's avonds in de barakken altijd vingeroefeningen, want dat graven was niet goed voor zijn vak.” Zelf - klein van stuk en van beroep etaleur - heeft hij ook allesbehalve de bouw van een grondwerker. “Maar het werk ging me desondanks goed af. Overigens is er in die drieëneenhalve maand nooit iemand afgehaakt. We hebben elkaar altijd heel goed gesteund.”

De avond voor het vertrek (15 juli 1942) krijgt de groep te horen dat ze de volgende ochtend naar doorgangskamp Westerbork gaat. “De politie uit Schalkhaar heeft ons daar naar toe begeleid. We kwamen met z'n allen - ook jongens uit de andere werkkampen werden naar Westerbork gedirigeerd - in één grote barak terecht. De Duitse kampcommandant gaf ons allemaal een briefje en een potlood en zei dat we het adres van vrouw en kinderen moesten opschrijven. 'Dan kunnen jullie volgende week met het hele gezin naar Polen', zei hij. De schoft! Ik vulde geen briefje in, want ik was nog een vrije jongen. Die gezinnen zijn daadwerkelijk op transport gezet. Van hen is nooit iemand teruggekomen.”

René Lijdesdorff blijft met anderen achter in Westerbork. “De Duitsers hadden jonge werkkrachten nodig voor het bouwen van barakken en het aanleggen van een spoorlijn. Ik kan wel zeggen dat ik mijn leven te danken heb aan mijn handen. En aan de Hollandse werkmeester in het kamp. Die haalde me telkens van de transportlijst als ik daar weer eens op stond. Mijn ouders en mijn broer hadden minder geluk. Die heb ik in Westerbork nog gesproken. Zij zijn in september 1943 naar Auschwitz vervoerd en daar vergast.”

De bevrijding in mei 1945, na 3,5 jaar Westerbork, herinnert Lijdesdorff zich niet als een blijde gebeurtenis. “De Nederlandse regering heeft hoegenaamd niets voor ons gedaan na de oorlog. Terug in Amsterdam kregen we een zak rauwe erwten mee. Meer niet, nog geen kaartje voor de tram. In ons huis aan de P.C. Hooftstraat zaten NSB'ers. Die kreeg ik er niet uit. De politie zei dat ze niets kon doen.” Lijdesdorff slaagt er wel in een briefje uit zijn ouderlijk huis mee te nemen dat zijn ouders in een deur op zolder hadden verstopt. Daarop stond waar ze enkele waardevolle spullen hadden verstopt. “Zo vond ik hun trouwboekje terug en hun liefdesbrieven.”

Hoewel het woord 'genoegdoening' altijd wel in zijn achterhoofd heeft gezeten, is het er pas een half jaar geleden echt van gekomen. “Kort na de oorlog staat je hoofd er niet naar. Daarna word je verliefd, je krijgt verkering, je probeert de draad van het gewone leven weer op te pikken. Je maakt een hoop dingen mee. Totdat we een half jaar geleden met kennissen over de oorlog spraken. Ze wilden foto's zien. Ik had nog plaatjes van de tijd in Mantinge. Toen ik die foto's terugzag, ging er plotseling een knopje in m'n hoofd om. Ik heb de Heidemaatschappij begin juli vorig jaar een brief geschreven en omdat het antwoord me niet beviel, eind juli nog één. Het antwoord daarop was zo onbevredigend, dat ik mij heb gewend tot het Cidi en daarna ook tot een advocaat.”

Lijdesdorff betreurt het dat het tot een rechtszaak moet komen om genoegdoening te krijgen. “Ik had het liever op een andere manier geregeld. Ik ben de laatste weken erg geëmotioneerd doordat alles weer opgerakeld wordt. Ik slaap ook slecht. Maar dat is deze zaak me wel waard. De Heidemaatschappij mag misschien volhardend zijn, ik ben dat zeker ook.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden