Column

Heesto san terug in Japan: Grafschenner

Schrijver Detlev van Heest reist kort na de kernramp door Japan, het land waar hij twaalf jaar woonde. In deel 17 spreekt hij een brandweerman die in Gamo lijken opspeurt.

In Gamo is de branding te horen. Zes wouwen cirkelen boven deze woonwijk. Eén huis staat scheef als een parallellepipedum op zijn plaats. Van de honderden overige huizen zijn alleen de funderingen over. Ik betreed een tegeltjesvloer, waarschijnlijk een hal, trek een cd uit het zand. 'If I believe'. De zangeres heet Mai Kuraki. Ik steek de cd in mijn jaszak en voel me schuldig. Ik ben een jutter die doden berooft, een grafschenner. Luisterend naar Mai ga ik daar in Amsterdam eens goed over nadenken.

Bij het karkas van een loods prikt een brandweerman met een enterhaak in de rommel. Hij komt naar me toe: "U kunt hier beter niet te lang blijven. Gevaarlijk. De zeewering is weg. Bovendien kan er weer een tsunami komen."

"U zoekt naar?"

"Stoffelijke overschotten. Vanochtend hebben mijn collega's en ik er zes gevonden."

Ik schrik van de droogte van zijn mededeling. "Wat een vreselijk werk."

"De nabestaanden zijn gelukkig als we hen van de onzekerheid verlossen."

"U berooft ze ook van de hoop."

"Zonder uitvaart heeft een overledene geen rust. De gemiddelde dagoogst van mijn ploeg bedraagt tien lijken," vertelt hij zonder te verblikken. "De meeste lijken halen we met een graafmachine onder de rotzooi vandaan." Op een stalen dwarsbalk die de loods nog enigszins bijeenhoudt, staat een parool dat herinnert aan de tijd dat een ongeluk nog in een klein hoekje zat: 'Veiligheid Op De Eerste Plaats'.

"Gebruikt u geen speurhonden?"

"Niet nodig."

"U gebruikt uw eigen neus?"

"De lijken stinken nog niet. Het is lang koud geweest."

Ik wijs naar de lucht. "De roofvogels helpen u."

"Wouwen eten liefst levende prooi. Ze zoeken ratten. Ratten zoeken lijken. Als we ratten zien, weten we waar we moeten graven."

Ik scharrel op een bedrijventerrein bij de haven. Een bulldozer duwt auto's op een hoop. Een uitgebrande hal. Een fotoalbum, een incontinentiestoel, een geplette vorkheftruc. De stank van olie, verkoling en spocht. Een auto ondersteboven leunend tegen een boom.

Restauranthouder Hiroshi Sato te Sendai had me afgeraden naar de verwoeste kuststreek te gaan. Vooral als het donker was, was het daar niet pluis.

"Men zegt dat Chinese bendes daar nu toeslaan. Ze struinen door het rampgebied en plunderen de verlaten huizen en fabrieken. In Watari, waar de meeste inwoners in opvangcentra verblijven, zijn veel huizen leeggeroofd. In Ishinomaki is een vrouw verkracht. Een rijsthandelaar uit Kesennuma vertelde me dat. En in Ishinomaki schijnt ook iemand vermoord te zijn. Het ergste is nog dat de Japanse media daar niet over berichten."

"Ja, Chinezen," zei ik. Het deed me denken aan de geruchten in 1923, na de grote aardbeving in Tokyo. Koreanen zouden destijds waterbronnen vergiftigd hebben. Uit wraak werden honderden Koreanen vermoord. Tegen de vriendelijke Sato zei ik maar niet dat de geschiedenis sterk tot recidive neigt, al schept ze genoegen in kleine wrede variaties.

Sato's rechterhand omklemde het heft van een keukenmes. Hij greep een ui. Zelden was ik mijn ouders zo dankbaar dat ze mij niet als ui op de wereld gezet hadden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden