Heerlijk, wéér een laatste sigaret

Freud begreep het, menig Nederlandse schrijver deed het: roken. Dichter Remco Ekkers verkent de 'gelukkige tijd', toen het opsteken van een rokertje nog normaal was. Wat is het toch, dat verlangen naar een sigaret?

Ken je het verlangen naar een sigaret,

naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd

als ik iets zei dat ze niet begreep

antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan

die uitspraak een aantal malen

in mijn hoofd moest herhalen:

op zich is dit heel intrigerend

totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons

doen

dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen

worden beweerd dankzij het feit

dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is

het verlangen zelf.

Wat betekent dit slot van Koplands gedicht? Dat het verlangen naar een sigaret zo groot is, dat het het verlangen zelf genoemd kan worden? Of is het een onbegrijpelijke uitspraak, die de schijn wekt een welomschreven betekenis te hebben?

Het gedicht begint met een begrijpelijke vraag: 'Ken je het verlangen naar een sigaret / naar die gelukkige tijd dat je nog rookte'

Het verlangen is zo sterk dat de 'ik' denkt dat alleen hij het begrijpt. Hij kan zich niet voorstellen dat de uitspraak van iemand anders, die ook was gestopt met roken, even betekenisvol is.

Zoals ook pubers kunnen zeggen dat hun gevoel van wederzijdse liefde zo sterk is dat niemand dat kan begrijpen. Hun liefde is uniek.

Het verlangen naar een sigaret is voor ieder uniek, maar kijkend naar veel mensen krijgt het verlangen een collectieve dimensie. Het verlangen is diep en overheersend. Het dringt door tot de ultieme zingeving, zo sterk dat het leven zonder de bevrediging van het verlangen zinloos lijkt. De persoon die heeft besloten niet meer te roken verliest zijn lust om te leven, hij denkt dat hij beter dood kan zijn.

Tegelijkertijd is er het feit dat het verlangen wel bevredigd kan worden, even, namelijk door een sigaret.

Zeno, de hoofdpersoon van de roman 'Bekentenissen van Zeno' van Italo Svevo, lost dit op door telkens een laatste sigaret te roken.

Hij weet als geen ander, denkt hij, dat elke sigaret alleen maar het verlangen oproept naar de volgende, dat geen sigaret het verlangen bevredigt, zoals elke kus het verlangen naar een nieuwe kus oproept.

Kijken naar iemand op wie je verliefd bent activeert het VTA, de Ventral Tegmental Area, een plezierplek die ook door drugs wordt geprikkeld. De kus van een geliefde werkt als een drug.

Het verlangen naar nicotine of liefde houdt zichzelf in stand. Bij liefde is dit evolutionair zinvoller dan bij nicotine. Bovendien dooft het verlangen bij liefde, jammer genoeg, langzamerhand, terwijl de zucht naar nicotine eerder sterker lijkt te worden. Tragisch is dat juist de nicotine (en de teer van de tabak en de toegevoegde stoffen waarover de fabrikanten zo geheimzinnig doen) zo ongezond is.

Zeno Cosini is een zakenman in Triëst. Hij zet op aanraden van een psychiater zijn herinneringen op papier, een advies dat ook voor minder literair begaafden zeer nuttig blijkt. Het gaat niet alleen over zijn rookverslaving, maar ook over zijn liefdesleven.

Hij wil een beter mens worden, maar het blijft bij machteloze pogingen. Is het verlangen naar een sigaret te vergelijken met zijn verlangen naar volwassen liefde, naar onbederflijk geluk?

"Binnenkort zal er geen echte sigarettenroker meer bestaan", schreef Théodore de Banville aan het einde van de negentiende eeuw. Dat binnenkort viel tegen, maar het is niet ondenkbaar dat over vijftig jaar het roken van sigaretten een merkwaardige gewoonte uit het verleden is geworden.

Wij zien nu tot onze verbazing personages in de film dampen en het is nog niet zo lang geleden dat geïnterviewden op de tv voortdurend in een rookwolk gehuld waren. En wie herinnert zich niet de leraar die schaamteloos rookte in de klas?

De leraar wiskunde rookte Roxy. Per les stak hij vier of vijf sigaretten op, inhaleerde diep en het merkwaardigste is dat ik me herinner dat hij af en toe hoestte en dat ik dat niet weerzinwekkend vond, integendeel. Zo leerden wij ¿ misschien alleen degenen die al erfelijk belast waren ¿ roken lekker vinden. Mijn beide ouders rookten. Mijn moeder hield er na haar vijftigste, zo ongeveer, mee op. Alle merken die zij rookte, ken ik nog en ik heb een beeld van de pakjes: Miss Blanche, Laurens, Golden fiction, Caballero en eerder het groene slappe pakje Old Mac.

Een zekere Joke schrijft op een site: "Hallo mijn vader rookte vroeger (ik weet niet hoe je het schrijft!) Chiefwip, en ik, als kind weet nog dat het een groen pakje was! Maar ik weet verder niet meer hoe het er uit zag. Kan iemand mij helpen?"

Kinderen zijn merkwaardig trouw aan de beelden van hun ouders.

Mijn vader rookte sigaren tot zijn vroege dood; hij werd 61.

Waarom hebben mensen eeuwenlang onbekommerd gerookt? Welke behoefte werd er mee bevredigd?

Théodore de Banville vroeg zich af waarom "al je energie te steken in het creëren van een verlangen dat niet bevredigd kan worden. Is het niet tamelijk dandyesk om je leven te geven aan een wreed, onblusbaar en compleet nutteloos verlangen?"

In Oscar Wilde's roman 'Het portret van Dorian Gray' (1891) zegt Lord Henry, die Dorian ertoe verleidt te leven voor het plezier: "Een sigaret is een volmaakt voorbeeld van een volmaakt genoegen. Het is iets verrukkelijks en laat een gevoel van onbevredigdheid achter. Wat kan men zich nog meer wensen?"

Het geheim van de sigaret is dat hij je doet verlangen naar de volgende. Je rookt en bij de eerste trekken denk je: ah heerlijk, maar daarna moet hij gewoon opgerookt en na kortere of langere tijd, dat hangt van je verslaving af, verlang je naar een nieuwe. Misschien heb je na de eerste van die dag gedacht: ik stop er mee. Wat is er eigenlijk aan? Maar na een tijd ben je dat vergeten en lokt de volgende.

Bij Italo Svevo is het roken geproblematiseerd. Zeno zegt: "Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft als het de laatste is. Ook de andere hebben hun speciale smaak, maar die is minder intens.

Om de absurditeit ervan te verminderen trachtte ik een filosofische inhoud te geven aan mijn manier van de laatste sigaret. Je zegt met een prachtige vastberadenheid: Nooit meer!, maar wat blijft er van die vastberadenheid over als de belofte wordt nagekomen? Deze houding is alleen mogelijk wanneer het besluit hernieuwd moet worden.

Zou ik misschien zo aan de sigaret verknocht zijn geraakt omdat ik daarop de schuld van mijn onvermogen kon afschuiven? Maakte ik mezelf niet wijs dat ik, zodra ik ophield met roken, de ideale, krachtige persoonlijkheid zou worden die ik me voorstelde?"

Tegenwoordig staat er op pakjes: 'Roken is dodelijk.'

De roker grijnst en zegt: "Leven ook."

Zeno zegt: "Het leven lijkt in zijn verloop een beetje op een ziektegeval; het kent hevige crises en perioden van langzaam herstel, met daarnaast de dagelijkse verbeteringen en verslechteringen. Maar het verschilt in zoverre van andere ziekten dat het altijd dodelijk is, daar is geen remedie tegen te vinden."

De schrijver, Svevo, die altijd bleef roken, overleed door een auto-ongeluk in 1928. Dat bewijst niets. Overigens had hij nauwelijks verwondingen, maar begaf zijn hart het. Hij werd 67 jaar.

Het vervelende voor waarschuwers tegen roken is dat er mensen zijn die rokend zeer oud worden en dat er mensen aan longkanker sterven die nooit gerookt hebben.

Freud rookte sigaren. Hij heeft veel begrip voor de verslaving aan tabak. In 'Het onbehagen in de cultuur', schreef hij: "Het leven dat ons wordt opgelegd, is ons te zwaar. Om het draaglijk te maken zijn verzachtende middelen onontbeerlijk." Ook het gebruik van cocaïne leek hem billijk en heilzaam. Of hij ook hieraan verslaafd raakte? In 1887 stopte hij, maar in 1895 was hij weer begonnen.

Vele intellectuelen werden in de vorige eeuw rokend afgebeeld. Van Camus is nauwelijks een foto te vinden zonder sigaret. Sartre rookte pijp en sigaretten.

Roland Barthes, de literatuurtheoreticus en filosoof, leed in zijn jeugd aan tuberculose. Niettemin zag je hem steeds met sigaar of sigaret. Tegenstanders van Barthes beweren dat het duidelijk is dat rokende filosofen in een nevel verkeren. Zij fantaseren meer dan dat ze helder nadenken. Mulisch-haters wijzen op zijn eeuwige pijp.

We kennen meer verstokte rokers in de Nederlandse letteren: Paul van Ostaijen, Anna Blaman, Simon Vestdijk, Hermans, Vasalis, Doeschka Meijsing en nog levend Connie Palmen. Hermans schreef het verhaal 'De laatste roker', maar dat gaat over een bemoeizieke overheid, die alles onder controle wil houden, voor ons bestwil.

Xandra Schutte schreef een hilarisch stukje over een stopcursus in de krochten van het Victoria Hotel. Voor 325 euro zou je in één dag van de sigaret worden gebracht, met behulp van deprogrammeertechnieken uit de rationeel-emotieve psychologie. Leven met verslaving is leren leven met ongelukkig zijn. Dat geldt overigens ook voor velen zonder verslaving.

Schutte heeft het over 'verlangen in een dwangmatig keurslijf'. Het is haar niet gelukt om het keurslijf uit te doen.

Terug naar Sartre. In 'Het zijn en het niet' schreef hij over zijn rookgedrag. "Elke gebeurtenis die ik zonder sigaret tegemoet zou treden, zo leek het me, zou fundamenteel verarmd zijn."

Dit gaat ver. Liever dood dan een leven zonder tabak.

'Roken is het symbolische equivalent van zich de hele wereld vernietigend toeëigenen.' De roker betaalt een hoge prijs. Sarte sprak over 'het brandoffer'.

Sartre ging stoppen. Hij miste "de geur van tabak, de warme kop van de pijp tussen mijn vingers". Hij dacht dat het niet-roken te verdragen was, maar hij onderschatte zijn verslaving.

Hij ging meer roken dan voorheen. Een dokter waarschuwde dat zijn benen geamputeerd zouden moeten worden als hij doorging met roken. Simone de Beauvoir was verontwaardigd toen hij zei dat hij niet meer zou stoppen.

Sartre was geen vrij mens, maar wel eigende hij zich 'de wereld vernietigend toe'. Zijn existentialisme houdt in dat we onszelf vorm geven door te handelen; we zijn gedoemd tot vrijheid, maar in de praktijk van zijn leven was hij gedoemd tot verslaving.

Inmiddels is roken ouderwets geworden, achterlijk zelfs. Niet-rokers kijken naar rokers met medelijden of zelfs verachting. Zij zijn paria's. Een groepje mensen dat kouwelijk op straat, onder een afdakje, of zelfs in de regen, staat te roken, gaat gebukt onder meewarige blikken van voorbijgangers. Soms worden die zelfs agressief: "Ga ergens anders je giftige dampen verspreiden en niet voor ons kantoor, voor de uitgang van ons station!"

Niet-rokers kijken ook wel eens als antropologen met verbazing naar mensen die zuigen aan een wit staafje, en vervolgens uit mond en neusgaten grijze dampen blazen. Wat doen ze toch? Alsof het een vreemde, lagere soort is. Moeten wij betalen voor hun ziekenhuisopname? Zo wordt ook wel aangekeken tegen heel dikke mensen.

Volgens velen is het extra aantrekkelijk en spannend om te roken als je besloten hebt op te houden. Zeno vindt dat ook.

Aan de ene kant laat je zien dat je je niet zomaar de wet laat voorschrijven, door al die gezondheidsmaniakken, die moeders, die verstandige partners, zelfs niet door je zelf. Het is opwindend tegen het gezonde verstand in te roken. Het doorbreken van het verbod lijkt een daad van vrijheid.

Aan de andere kant voel je je slap om al die verbroken beloftes. Je voelt je een slaaf van een chemische stof.

Rokend maakte je ook deel uit van een cultuur, maar dat is steeds minder het geval. Het nonchalante rokertje in de mond van de filmheld is verdwenen. De rokende auteur is onzichtbaar geworden. De pianist met een sigaret in de mond tijdens het oefenen van een pianoconcert is verleden tijd.

Nu voel je je nog solidair met onbekenden in de pauze van een toneelstuk, buiten rokend en pratend op de stoep van de schouwburg. Je praat over je verslaving, maar het groepje heeft iets zieligs en dat voelen alle deelnemers aan het gesprek aan.

In 'Het zijn en het niet' wijst Sartre er op dat de dorst een soort gemis is. Als je dorst begrijpt als een verlangen naar het opheffen van de dorst, naar een vernietiging van de dorst dus, moet je je ook realiseren dat de dorst op zich prettig is. Dorst zet aan tot handelen. Als we het eenvoudig houden in een voorbeeld: ik heb dorst, ik wil drinken en al drinkend verdwijnt mijn dorst, maar ik herinner me de dorst als iets dat een belofte inhield. Het is jammer dat de dorst weg is. Gelukkig komt hij vanzelf terug en kan ik weer drinken.

Er is dus het verlangen én de bevrediging ervan én het besef dat dit zich herhaalt. Bij roken werkt dit proces perfect: een sigaret vervult het verlangen, maar versterkt tegelijk het verlangen. Het verlangen wordt nooit afdoende bevredigd. Er is sprake van een eeuwig verlangen. Dit geldt ook voor seksuele begeerte, die op zichzelf prettig, want belovend is en die zich nooit geheel laat bevredigen, alleen schijnbaar tijdelijk.

Ik herinner me nu dat ik als puber op de fiets stapte, verlangend om het meisje op wie ik meende verliefd te zijn, te zien of op zijn minst langs haar huis te fietsen. Onderweg ¿ het was kilometers fietsen ¿ zong ik een populair lied van die dagen, waarin haar naam voorkwam. Ik herinner me dat het fietsen en zingen, het onderweg zijn prettig was en al deel uit maakte van de bevrediging van mijn verlangen naar haar.

Als ik om haar huis fietste, was het even 'over', terug op weg naar huis, voelde ik me blij om wat ik had gedaan, maar de volgende dag begon het weer te kriebelen. Wie kent niet zulke wisselende gevoelens, in andere variaties?

Epicurus vindt dat we geen nieuwe verlangens moeten kweken, want dat schept alleen maar geestelijke onrust. We moeten evenmin bederven wat we hebben door te verlangen naar wat we niet hebben. Brood en water en eenvoudige voeding is genoeg; we moeten zeker niet verlangen naar dingen die we niet nodig hebben en die ons alleen maar opnieuw en eindeloos laten verlangen.

Het verlangen heeft de neiging zichzelf in stand te houden; het is als een gevulde leegte. De vulling van de leegte leidt tot aanhoudende teleurstelling; we zeggen: 'Is dat nou alles?'

Missen

Mijn laatste sigaartje gooide ik

in de Brisbane River. Langzaam dreef het

naar het oosten, de Pacific

waar ik later dolfijnen zag zwemmen.

Over het verlangen naar een sigaret schreef

de dichter van het verlangen dat het het

verlangen zelf is.

Een onbegrijpelijke mededeling die ik soms

even denk te begrijpen.

Er is een holte die gevuld wil worden

een zeurend gat. Ik mis je.

Het verlangen naar liefde.

Remco Ekkers is letterkundige en dichter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden