Hedy, Verdi en kunstsubsidie

dr. J. Hartog is hoogleraar economie aan de universiteit van Amsterdam.

Zoals bekend was Z.M. een zeer verdienstelijk fluitspeler, die nauwgezet de scheppingen van zijn hofcomponist Quantz uitvoerde. Een en dezelfde persoon die composities bestelde, ze uitvoerde, en het luisterend publiek subsidieerde, dat was toen niet ongebruikelijk. Burney vermeldt het bij voorbeeld ook over de keurvorst in Mannheim, al heeft hij het daar niet over goede kledij.

Onze minister van WVC speelt geen dwarsfluit, voorzover ik weet, en zeker niet in de openbare concertzaal. Maar ze verstrekt wel subsidies voor kunst en cultuur. Over die subsidies is de laatste tijd nogal wat gekrakeel ontstaan. Zijn zulke subsidies te rechtvaardigen?

Er zijn ten minste drie argumenten in gebruik voor subsidie aan kunst en cultuur. Het eerste argument is dat van de toegankelijkheid, ook voor mensen met een laag inkomen. Maar het is onhandig om dan de verkopers te subsidieren om zo voor iedereen de prijs laag te houden. Zo profiteren de verkeerde mensen. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat een jonge academicus gemiddeld drie keer zo vaak naar concert en theater gaat als een modale werknemer en twee keer zo vaak als een 'kansarme jongere'. Aankoopsubsidies voor beeldende kunst, die afhankelijk zijn van het inkomen van de koper, werken beter. Hetzelfde geldt voor bejaardenpas en cultureel jongerenpaspoort, omdat ouderen en jongeren meestal lagere inkomens hebben. Het is net als met subsidies op wonen: subsidies aan huurders met een laag inkomen komen beter terecht dan subsidies aan woningbouwers.

Een tweede argument mikt op het bewaren van onze culturele rijkdommen. Dat geldt natuurlijk voor musea, maar ook wel voor uitvoerende kunst. Je kunt bij voorbeeld de muziek van Sweelinck levend willen houden, of de toneelstukken van Brederode vrijwaren van een dodelijke stoflaag. Het is dan eigenlijk subsidie op kennis, om niet te vergeten wat voor moois we nog hebben. Zo iets als met startende ondernemingen: een subsidie voor de aanloop is verdedigbaar, maar het is alleen de moeite waard als daarop zelfstandig voortbestaan volgt. Het publiek moet later de draad opnemen. Het derde argument betreft subsidie aan scheppende kunstenaars, voor nieuwe produkten. Dit is een mooie analogie met innovatiesubsidies aan het bedrijfsleven. Het lijkt de zoveelste platte economengedachte om subsidies voor zoiets verhevens als kunst en cultuur te vergelijken met subsidies voor nieuwe broodroosters. Maar de analogie is onontkoombaar. De overheid kan subsidies geven om boeken te laten schrijven die anders niet geschreven zouden worden, muziek te laten componeren die anders niet gecomponeerd zou worden, schilderijen te laten maken die anders ongeschilderd zouden blijven. Maar zo kan ze ook subsidies geven voor onderzoek en ontwikkeling dat anders achterwege zou blijven. Het doel van de steun is ook niet verschillend: uiteindelijk gaat het allemaal om hogere welvaart. En tenslotte zijn de problemen bij het kiezen uit de aanvragen van subsidie hetzelfde: hoe pik je de waardevolle projecten eruit?

Subsidies aan het bedrijfsleven zijn in het verdomhoekje geraakt, omdat we nu denken dat de overheid successen en mislukkingen niet eerder herkent dan ondernemers. Zou dat in de kunst dan anders zijn? Frederik II en de keurvorst in Mannheim volgden hun eigen smaak als ze kunstenaars in dienst namen. Maar de democratie heeft geen eigen smaak. En toch wil de overheid het ook hier beter doen dan de markt, dan het publiek dat kiest met de eigen portemonnee.

Selectie door de markt zit echter niet altijd op het verkeerde spoor. Giuseppe Verdi componeerde succesopera's als Aida en La traviata en het kiezend publiek maakte hem tot een vermogend man. Hij wist heel goed dat hij aan het publiek was overgeleverd. "I lombardi is een groot fiasco geworden: een van die werkelijk klassieke fiasco's" , schrijft hij over een premiere in Venetie, " . . . Dat is de simpele waarheid die ik u met genoegen noch smart vertel." Hij was bereid om de wensen van het publiek serieus te nemen - "Het publiek staat in het theater alles toe, behalve iets dat het verveelt" , en aan een van zijn tekstdichters: "Laat na een mooi recitatief de echtgenoot ten tonele verschijnen en maak een mooi pathetisch duetje; laat de vader de zoon zegenen of iets dergelijks . . ." - maar hij volgde wel degelijk zijn eigen stem.

We weten natuurlijk niet wat we missen zonder subsidie, maar scheppende kunstenaars zijn vaak zeer hardnekkige aanbieders.Componist Mathijs Vermeulen bij voorbeeld gaf zijn baan als criticus bij De Telegraaf op, om zich geheel aan het componeren te wijden. Beeldhouwer Richard Roland Holst en enkele van zijn vrienden gaven hem geld en zo had Vermeulen met zijn gezin toch een bestaan, zij het een zeer sober. Dat betekent trouwens dat subsidie aan Vermeulen eigenlijk subsidie zou zijn geweest aan Roland Holst en zijn vermogende vrienden: zij zouden hun bijdrage hebben uitgespaard. Vermeulen zelf zou waarschijnlijk meer zijn geholpen geweest met een opdracht, inclusief de belofte van uitvoering: hij snakte ernaar om zijn muziek te horen.

Ik denk inderdaad dat opdrachten beter zijn dan subsidies. Zo is er de regel dat een percentage van de bouwsom voor overheidsgebouwen moet worden besteed aan kunstwerken in dat gebouw. Dat is beter dan vroeger, toen de overheid in ruil voor financiele steun kelders vol kunstwerken kreeg waar niemand raad mee wist.

Door de kunst niet af te schermen en apart te zetten, zijn er ook meteen reacties van gebruikers en consumenten, en dat lijkt me helemaal niet slecht. Zo zou je bij voorbeeld componisten kunnen steunen, door elk jaar bij de opening van het parlementaire jaar in dat prachtige nieuwe gebouw een nieuwe compositie te laten klinken. En als de minister van WVC niet mee wil spelen, kan ze misschien haar collega van Onderwijs vragen: in zijn tijd op het Sociaal Cultureel Planbureau, in de lunchpauzes, deed hij zeker niet onder voor Frederik II. Als er maar publiek bij mag, goedgekleed of niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden