Essay

Hebben we ons succes echt aan onszelf te danken? Nee hoor

Beeld ANP XTRA

De overtuiging dat we zelf voor ons succes hebben gewerkt, maakt ons zelfgenoegzaam, stelt historicus en psycholoog Eelco Runia. Hij waarschuwt voor de blinde vlekken van onze meritocratie.

Wat me vorig jaar het meest opviel bij de verkiezing van Rob Jetten tot de nieuwe fractievoorzitter van D66 waren de vereende pogingen van het partijestablishment om duidelijk te maken dat hier geen sprake was van protectionisme, geslaagd netwerken of een toevallige samenloop van omstandigheden. De beste had gewoon gewonnen. Jetten was de verdiende winnaar.

Met de behoefte om te doen alsof de winnaar de terechte winnaar is, is iets geks aan de hand: het moet verhullen dat succes tegenwoordig vaak een self-fulfilling prophecy is. Succes is niet zozeer een gevolg van wat je in je mars hebt, maar van je vermogen om de indruk te wekken dat wat je ‘toevalt’ echt, heus, je te danken hebt aan wat je in je mars hebt.

Marten Toonder beschreef het al in 1955 in ‘Het Slaagsysteem’ - waar Ollie B. Bommel door Simon O. Slagslager op het hart gedrukt krijgt dat ‘het er niet zozeer om gaat dat men iets kan’, maar dat ‘men iedereen de indruk moet geven, dát men het kan’. Succes valt je volgens Slagslager ten deel als je ‘de slaaghouding’ in praktijk brengt ‘en helder en duidelijk spreekt’. En daar was Rob Jetten misschien inderdaad het best in.

Meritocratische zelfgenoegzaamheid

Ik stel voor het vermogen te geloven dat je je succes aan jezelf te danken hebt ‘meritocratische zelfgenoegzaamheid’ te noemen. Populistische kritiek op ‘de elite’ kan beschouwd worden als een misschien schril getoonzette, maar toch ook veelzeggende respons op daarop. Dat deze zelfgenoegzaamheid zo’n vlucht heeft kunnen nemen is een gevolg van het feit dat de praktijk van de meritocratie de theorie ontgroeid is - met als gevolg dat meritocratie inmiddels het tegendeel is van wat zij ooit beoogde te zijn.

Hoe de meritocratie de afgelopen twintig jaar veranderd is van een bevrijdende in een onderdrukkende ideolo- gie, is voorzien door degene die het woord zestig jaar geleden bedacht: de Engelse socioloog Michael Young. In zijn in 1958 gepubliceerde toekomstroman ‘The Rise of the Meritocracy’ (een zogenaamd in 2034 geschreven, als sociologisch traktaat vermomde satire) schetst Young het ontstaan van een nieuwe elite van bestuurders - een elite die haar macht niet dankt aan afkomst of welstand maar puur en alleen aan eigen verdienste.

Historicus en psycholoog Eelco Runia

Verdienste wordt in Youngs wereld bepaald door op iedereen dezelfde simpele formule los te laten: IQ + inspanning = wat iemand waard is (merit). Young laat zien dat de samenleving die dit principe consequent hanteert uiteindelijk geen middenklasse meer kent. Doordat mensen met een hoge merit-score geneigd zijn te trouwen met partners die ook een hoge merit-score hebben, en de kinderen die uit dit soort huwelijken geboren worden op allerlei manieren door hun ouders gestimuleerd worden, sorteren zich een onder- en een bovenklasse uit en raakt merit uiteindelijk geconcentreerd in één gesloten upper class.

Een wrang kenmerk van Youngs meritocratische samenleving is dat ook degenen aan de onderkant eigenlijk geen reden hebben om ontevreden te zijn. Ze vinden het eigenlijk zelfs wel terecht dat ze ‘stommelingen’ genoemd worden. Ook, of misschien: juist de stommelingen zijn doordrongen van het besef dat de meritocratische samenleving iedereen kansen biedt, dat niemand expliciet of categorisch wordt buitengesloten, dat de toetsen volkomen eerlijk worden afgenomen en dat de resultaten niet liegen.

‘De grote gelijkmaker’

De situatie die Young beschrijft, is hard op weg werkelijkheid te worden. Dat veel landen graviteren naar een tweedeling blijkt niet alleen uit de groeiende economische ongelijkheid, maar vooral ook uit ontwikkelingen in het onderwijs.

Van het onderwijs werd ooit gehoopt dat het ‘de grote gelijkmaker’ zou zijn - het vehikel dat ervoor zou zorgen dat elk kind zijn of haar talenten maximaal kan ontplooien, ongeacht de sociaal-economische positie van de ouders. Vergeet het maar. De realiteit is dat de Nederlandse onderwijsinspectie zich zorgen maakt over de toenemende segregatie in het onderwijs en spreekt van ‘bubbels van gelijkgestemden waar leerlingen nauwelijks uitkomen’.

Die segregatie begint al op de basisschool. Sommige basisscholen zien 62 procent van hun leerlingen doorstromen naar vwo, terwijl het landelijk gemiddelde op 21 procent ligt. Van die elitescholen belandt slechts 11 procent van de leerlingen op het vmbo, een percentage dat landelijk op 50 ligt.

Het vervolgonderwijs versterkt vervolgens de tweedeling. Thijs Bol, een Amsterdamse onderwijssocioloog, constateerde in de Volkskrant dat kinderen van hoogopgeleiden ‘samenklonteren op categorale gymnasia, tweetalig onderwijs en Montessorischolen’. Tegenover die scholen met een ‘ambitieuze leeromgeving’ staan scholen met - zoals dat eufemistisch heet - een ‘uitdagende leerlingenpopulatie’. De vmbo-scholen dus.

Het hoger onderwijs is het sluitstuk van deze ‘onderwijs-apartheid’. Of ze het nu willen of niet, universiteiten en hogescholen bestendigen en versterken heden ten dage de kloof tussen de onderste en de bovenste lagen van de samenleving. In Amerika is het inmiddels zo ver dat 70 procent van de studenten van topuniversiteiten afkomstig is uit de 25 procent rijkste gezinnen.

Hardwerkende Nederlanders

In Nederland gaat het subtieler. Maar ook hier is het hoger onderwijs al lang niet meer de gelijkmaker die we er soms nog steeds in zien. Vroeger konden de dochter van de slager en de zoon van de politieagent zich met een doctoraal toegang tot de elite verschaffen. Nu de 30 procent van de bevolking die intellectueel in staat is een universitaire studie tot een goed einde te brengen ook daadwerkelijk studeert, is een masterbul niet meer dan een papiertje - en wordt je werkelijke waarde bepaald door je cv, je netwerk en je vermogen de indruk te wekken dat je weet hoe de hazen lopen.

Dit betekent uiteraard niet dat het niet buitengewoon verstandig is een zo goed mogelijke opleiding te volgen. Wat het wel betekent, is dat het antwoord op de vraag waar je wieg stond, een grotere voorspellende waarde heeft voor waar je terechtkomt, dan je intelligentie of je ijver. De econoom Branko Milanovic rekende ooit voor dat 60 procent van het inkomen dat je verdient, simpelweg bepaald wordt door het land waarin je toevallig geboren bent, 20 procent door het gezin waarin je opgroeide en dat je hoogstens de overige 20 procent te danken hebt aan je eigen talenten en inspanningen. Dat zijn, voor wie gelooft dat al die hardwerkende Nederlanders helemaal op eigen kracht hun doorzonwoning, hun caravan en hun home-cinema bij elkaar verdiend hebben, tamelijk ontnuchterende percentages.

Het netto effect van wat er in economie en onderwijs gebeurt, is dat de wereld waarin we twee eeuwen geleefd hebben zo snel verandert, dat het lang niet uitgesloten is dat de tweedeling die Michael Young in 1958 voorspelde al veel eerder dan in 2034 gerealiseerd zal zijn.

Ongemakkelijke waarheid

Ondertussen blijven we vasthouden aan wat zowel het ideaal als het ordeningsprincipe was waarmee de middenklasse groot werd: de meritocratie. Het adagium van Napoleon - dat elke soldaat een maarschalksstaf in zijn ransel heeft - is weliswaar veranderd in de slogan dat ‘succes een keuze is’ maar wordt van hoog tot laag omhelsd. Ook nu het in de praktijk hoe langer hoe moeilijker wordt van de klasse der stommelingen toe te treden tot de klasse der weldenkenden.

De groeiende tweedeling toont een ongemakkelijke waarheid: we zijn geneigd te denken dat het afschaffen van op geld of afkomst gebaseerde privileges tot meer sociale mobiliteit zal leiden, maar in de praktijk is het tegendeel het geval. Het is wat Young had voorzien: een samenleving kan ‘open’ en ‘egalitair’ zijn (in de zin van dat op geld of afkomst gebaseerde privileges er niet tellen) en toch nauwelijks sociale mobiliteit kennen.

De drijvende kracht achter het samenklonteren van de samenleving in twee klassen werd al door Young voorspeld: de elite is aan de haal gegaan met het meritocratische ideaal en is zich gaan realiseren dat het gebruikt kon worden om de eigen positie te consolideren, ja te verstevigen. (Ik zeg er misschien ten overvloede even bij dat ik hier niet een samenzwering aan het ontwaren ben. Dat de elite de mogelijkheden van het meritocratische principe heeft ingezien, en er op is gaan inspelen, is een autonoom proces, samengesteld uit miljoenen halfbakken individuele beslissinkjes).

Blind voor eigen klasse

In zijn boek ‘Privilege’ laat de Amerikaanse socioloog Shamus Rahman Khan zien dat het echte geheim van de elite niet schuilt in het feit dat ze zo succesvol gebruik heeft leren maken van het meritocratische principe ‘IQ + inspanning = wat iemand waard is’, maar in de manier waarop ze haar eigen succes, en andermans gebrek aan succes, heeft leren legitimeren.

Zoals Khan het formuleert: “degenen die tot de elite behoren zijn ervan overtuigd dat ze hun positie te danken hebben aan hun eigen individuele talenten.” En dat ze derhalve - zijn we een meritocratische samenleving of zijn we dat niet? - recht hebben op hun succes.

De consequentie van deze legitimatie is dat de elite van tegenwoordig niet geneigd is zich een ‘klasse’ te voelen. De elite van nu bestaat uit individuen die de argeloze overtuiging huldigen dat zij het fenomeen ‘klasse’ ontstegen zijn. Zij hebben gewoon hun best gedaan, hun talenten ontplooid en konden het ook niet helpen dat zij op leuke plekken terechtgekomen zijn. Die blindheid voor de eigen klasse is uitzonderlijk. Een 18de-eeuwse jonker wist dat hij tot de klasse der aristocraten behoorde, een 19de-eeuwse dorpsdokter wist dat hij tot de klasse der notabelen behoorde, een 20ste- eeuwse afdelingschef bij V&D wist dat hij tot de middenklasse behoorde, maar u, 21ste-eeuwse Trouwlezer, weet niet dat u deel uitmaakt van de meritocratische elite.

Meritocratische zelfgenoegzaamheid - waarin je wat je bereikt hebt, ja wat je bent, uitsluitend aan jezelf te danken meent te hebben - maakt je per definitie blind voor het feit dat je wel degelijk tot een klasse behoort. Tot de klasse van al die anderen die ervan overtuigd zijn dat ze niet hebben kunnen helpen dat ze bereikt hebben wat ze bereikt hebben. Die niet willen weten zijn dat ze hun succes goeddeels te danken hebben aan Simon O. Slagslagers ‘slaaghouding’.

Het is deze zelfgenoegzaamheid die er de reden van is dat de elite hoogst verbaasd, ja, verontwaardigd pleegt te reageren als zij door populisten als een klasse aangesproken wordt. En die verklaart waarom de buitenwacht kregelig reageert als D66 ons probeert wijs te maken dat degene die bij de verkiezing van de fractievoorzitter boven kwam drijven degene was die de overwinning het meest verdiende.

Dit essay is een fragment uit zijn Lebuinuslezing die hij uitgesproken heeft in de Lebuinuskerk te Deventer.

Lees ook:

Zonder slimme ouders kom je er niet meer

De opleiding van de ouders is zo bepalend voor de schoolprestaties van kinderen dat er een nieuwe klassensamenleving ontstaat, met hardnekkige ongelijkheid. Dat stelt hoogleraar Paul de Beer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden