Hebben pianoscholen nog een toekomst?

Opvallend staan ze in de platenzaken opgesteld, de goudkleurige cd's van Great Pianists of the 20th Century. Met een omvang van 200 cd's, door Philips Classics uitgebracht in 100 dubbelalbums, is dit het grootste cd-project van deze eeuw. Het overtreft het vorige mega-project van Philips, het integrale werk van Mozart, met 20 cd's. Het gaat om opnamen van 74 pianisten, in totaal 250 uur muziek, waarvan 3808 minuten niet eerder op cd verscheen. Voor het eerst is ook sprake van een samenwerking tussen een groot aantal labels en van sponsoring door een pianofabriek: de firma Steinway, op wiens instrumenten de meeste opnamen werden gemaakt. Eind 1999 moet de serie compleet zijn.

In het voorjaar beleeft Utrecht weer het Internationaal Franz Liszt Pianoconcours; pianisten uit alle hoeken van de wereld zullen er op af komen. Vooral in de voorrondes is het altijd weer een belevenis te horen hoe deelnemers in hetzelfde repertoire de Steinway-vleugel op een totaal andere manier laten klinken.

Opmerkelijk daarbij is dat de herkomst van een pianist doorgaans goed hoorbaar is: Russen spelen technisch zeer solide, hebben een prachtige toon, maar hebben vaak iets eenvormigs. Amerikanen slaan aanzienlijk harder en musiceren met minder coloriet. Italianen spelen heel gaaf, met gevoel voor lyriek en dramatiek, terwijl bij de technisch onberispelijke Japanners die emotionele facetten juist ontbreken.

Misschien dat dit verklaart waarom er ondanks de triomfen van Japanners in pianoconcoursen slechts een enkeling op de internationale podia doorbreekt. Tekenend is dat in 'Great Pianists of the 20th Century' de Japanse Mitsuko Uchida in haar eentje het hele werelddeel Azië vertegenwoordigt.

Generaliserend kunnen er nog meer geografisch bepaalde kenmerken worden genoemd: Duitsers bijvoorbeeld spelen droog, maar tekstueel en stilistisch door en door verantwoord, Zuid-Amerikanen temperamentvol, Engelse beschaafd en charmant.

Het is de vraag in hoeverre deze eigenschappen bepaald worden door temperament en culturele achtergrond, of door de aanwezigheid van een traditie, een pianoschool. Het gaat dan om een herkenbare manier van spelen die bepaald wordt doordat techniek, esthetiek en interpretatie worden onderwezen volgens een vaste methode.

In dat licht is er bijvoorbeeld sprake van een Japanse school. Het minder persoonlijke van veel Japanse pianisten komt voort uit hun muziekonderwijs: imitatie speelt daarin een belangrijke rol speelt, zeker in de veel gebruikte Suzuki-methode. Kinderen moeten op het gehoor de leraar zo letterlijk mogelijk naspelen.

In tegenstelling tot de Japanse stoelt de Russische school op een rijke traditie, waarvan met name de broers Anton en Nikolai Rubinstein de grondleggers waren. Deze twee grote pianisten brachten eind vorige eeuw resp. de conservatoria van Moskou en Sint Petersburg tot bloei. Ook na de Revolutie bleef daar een rijke pianotraditie bestaan, hoewel enkele van de grootste pianisten (zoals Sergei Rachmaninov, Vladimir Horowitz) na 1917 het land verlieten. Er werd een fijnmazig systeem van muziekscholen voor jong talent opgezet; kinderen krijgen er al vanaf peuterleeftijd instrumentaal onderwijs. Zij stromen met een hoge ontwikkeling door naar de vooropleidingen en conservatoria. Het bijzondere niveau was gedurende de Koude Oorlog in het Westen nauwelijks bekend, totdat giganten als Svjatoslav Richter en Emil Gilels naar het buitenland mochten om concerten te geven.

Kenmerkend voor de Russische school is het belang dat wordt toegekend aan toonkwaliteit en verfijnd pedaalgebruik. Een bepaalde klank kan volgens dit systeem maar met één vaste armbeweging worden gemaakt; die wordt uitentreure getraind in de les. Dit verklaart de tamelijk eenvormige manier van spelen van de (minder getalenteerde) Russen op concoursen.

In diezelfde tijd na 1917 vestigden uitgeweken Russen als Sergei Rachmaninov en Vladimir Horowitz, maar ook Polen (Ignaz Friedman en Josef Hofmann) en pianisten uit andere Oost-Europese landen (bijvoorbeeld de Litouwer Leopold Godowsky) zich in de Verenigde Staten. Zij cultiveerden de laat-romantische manier van spelen uit de 19e-eeuw. Hun pianospel was gebaseerd op de vrijheid van belcanto-zangers; zij ging geheel uit van de klank- en kleurmogelijkheden van de piano, was elegant, licht en uiterst virtuoos.

Opnamen van de belangrijkste vertegenwoordigers uit deze periode, doorgaans het Gouden Tijdperk van het pianospel genoemd, laten horen dat de stelling niet opgaat dat er tegenwoordig technisch beter wordt gespeeld.

Met de oorspronkelijke notentekst namen deze pianisten het niet zo nauw. Ze zetten die graag naar eigen hand en hielden er ook van zelf bewerkingen te maken. Een reactie tegen de uitwassen hiervan kon niet uitblijven; deze kwam vanuit Duitsland. Koploper hierin was Artur Schnabel (1882-1951). Zijn credo was: terug naar de bedoelingen van de componist. Claudio Arrau, Chileen van geboorte maar in Duitsland opgeleid, drukte zijn afkeer van het Gouden Tijdperk in een interview eens als volgt uit: “Ik werd altijd vreselijk kwaad als ik Josef Hofmann of zijn leerling Shura Cherkassky binnenstemmen (motieven, korte melodieën tussen de hoofdmelodie en de baslijn - red.) naar voren hoorde halen die eigenlijk van weinig belang waren. Ik vroeg me af waarom ze dat deden: ik denk uitsluitend om de aandacht te trekken.”

In hun repertoirekeuze gingen deze moderne pianisten veelal niet meer uit van standaard programma's die als een goed uitgebalanceerd diner werden opgediend, maar ze prefereerden een historische opbouw of wijdden recitals aan één componist. Daarbij grepen zij terug naar de klassieke meesterwerken, de sonates en concerten van Mozart, Beethoven en Schubert, die tot ongeveer 1930 nauwelijks gespeeld werden. Hun tekstgetrouwe musiceren vanuit zogeheten Urtext-edities (uitgaven van een compositie volgens de oorspronkelijke opzet) werd in de loop van de eeuw meer en meer overgenomen. Artur Rubinstein was bijvoorbeeld een van de eersten die Chopin ontdeed van het saloneske imago dat diens muziek in de uitvoeringen van de laat-romantische pianisten had gekregen.

Deze moderne school, die niet alleen het pianospel maar het hele muziekleven betrof, zou tot in onze tijd domineren. Toch kwam er een reactie op. Die werd veroorzaakt door de laatste vertegenwoordigers uit het Gouden Tijdperk met Vladimir Horowitz (1904 -1989) als meest spraakmakende vertegenwoordiger. Na zijn dood werden er steeds weer nieuwe 'laatste romantici' ontdekt, zoals de Cubaan Jorge Bolet, de Rus Shura Cherkassky en tegenwoordig de Amerikaan Earl Wild. Zij inspireerden jongere pianisten; die proberen, zoals in ons land Wibi Soerjadi, hun spontane, op klank gerichte manier van spelen over te nemen. Bovendien veroorzaakten sommige individualisten en excentriekelingen, zoals Glenn Gould, Friedrich Gulda of Ivo Pogorelich een ware hype.

Het ontstaan van nationale pianoscholen hield ook verband met de eigenschappen van de piano's die in de betreffende landen werden gemaakt. In Wenen werd bijvoorbeeld tot omstreeks 1900 het Weense mechaniek gebruikt. Dat vraagt om een andere aanslagtechniek dan het overal elders in Europa op dat moment al gangbare moderne mechaniek. Toen uiteindelijk de grootste Weense pianofabriek B"sendorfer het Weense mechaniek losliet, werd de speeltechniek aangepast; zo viel een wezenlijk aspect van de Weense pianoschool weg.

Ook de nationalistische Fransen speelden lange tijd nog bij voorkeur op piano's van eigen bodem. Deze Erards en Pleyels hadden een lichtere aanslag en helderder klank dan de Duitse, later Amerikaanse Steinway's. Daarom bleef de Franse pianoschool geënt op de ouderwetse, 19e-eeuwse pianotechniek, gebaseerd op het gebruik van uitsluitend de vingerkracht, terwijl elders in Europa armgewicht en ontspanningstechnieken werden ingezet om de zware vleugels de baas te worden.

Nu nog zijn pianisten van de Franse school soms nog herkenbaar aan hun ietwat lichte en ongebonden speelwijze, het zg. jeu perlé. Met de ondergang van de Franse piano-industrie in het midden van de 20ste eeuw, verloor de Franse pianoschool een belangrijk deel van zijn bestaansrecht.

De mondiale verspreiding van grammofoonplaten en cd's, maar ook de wereldwijde tournees van pianisten èn de mogelijkheden om overal ter wereld vakopleidingen en meesterklassen te volgen of aan concoursen mee te doen, zorgen er momenteel voor dat op pianoscholen die op plaatselijke tradities zijn gebaseerd, steeds meer verdwijnen. Met de huidige leegloop van topmusici uit Rusland is zelfs die sterke school tanende. Volgens de Rus Lazar Berman is dat nu al zover. In een interview zei hij onlangs: “Waarschijnlijk ben ik de laatste exponent. Natuurlijk hebben we ook nu wereldberoemde jonge pianisten, Kissin bijvoorbeeld, maar ik kan hem geen Russische pianist meer noemen; hij is een Amerikaan geworden, want het gaat alleen maar om de show.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden