HAVEN IN EEN HARTELOZE WERELD

In 1979 maakte de Amerikaanse historicus Christopher Lasch furure met zijn boek 'De cultuur van het narcisme', waarin hij het Amerikaanse individualisme - met zijn toegeeflijkheid, fascinatie voor beroemdheid en zijn 'sexuele oorlogvoering' tussen man en vrouw - beschreef. Onlangs verscheen het nieuwste boek van Lasch: 'The True and Only Heaven'. De titel verwijst naar 'The Celestial Railroad' van de dichter Nathaniel Hawthorne die de Amerikaanse gewoonte om de kermis der ijdelheden voor de 'ware en enige hemel' te houden, ook al bekritiseerde. door Bas van Stokkom Christopher Lasch, The True and Only Heaven; Progress and its Critics, W. W. Norton & Company, New York/Londen 1991.

Volgens Lasch zijn we toe aan een herwaardering van denkstromen waarin weerstand wordt geboden aan het vooruitgangsdenken. Als voorbeeld noemt hij het Amerikaanse populisme. Verder gaat hij na wat we kunnen leren van filosofen die op het belang van hoop, vertrouwen en het wonder hebben gewezen. In de moeilijke tijden die ons te wachten staan, aldus de auteur, zullen we deze kwaliteiten harder dan ooit nodig hebben.

In The Culture of Narcissism (1979) maakte Lasch een indringende analyse van het nieuwe Amerikaanse individualisme dat onder andere gekenmerkt werd door toegeeflijkheid, fascinatie voor beroemdheid en de 'sexuele oorlogvoering' tussen man en vrouw. Hij oogste veel roem met zijn boek, 'narcisme' werd een populair begrip, ook in Nederland waar het 'ik-tijdperk' net zijn intrede had gedaan. De aandacht voor groepssolidariteit, kenmerkend voor het activisme van de jaren zestig, was naar de uitdagende individuele levensstijl verschoven. Slogans als 'je lekker voelen' en 'gewoon jezelf zijn' bepaalden de tijdgeest. Het zelfonderzoek bij therapeut of psychiater floreerde, evenals de gezondheidsrage. De bekentenisliteratuur vond gretig aftrek en in de media deden mensen schaamteloos verslag van hun escapades.

Lasch toonde zich een knap cultuurcriticus die zijn pijlen in twee richtingen schoot, zowel naar 'links' als naar 'rechts', zowel naar het socialisme als naar het kapitalisme. De eerste stroming verwijt hij de gezinsmoraal te ondergraven door de behoeften van het kind heilig te verklaren, de tweede stroming verwijt hij de arbeidsmoraal te verwaarlozen door consumptieve genoegens de vrije loop te laten.

Wat 'rechts' betreft kan Lasch een heel eind meegaan met het oude liberale individualisme dat de strijd om materiele goederen voorop stelde. De homo economicus van de negentiende-eeuwse politieke economie, in Lasch' bewoordingen de 'American Adam', heeft echter plaats gemaakt voor de psychologische mens van onze tijd, het eindproduct van het bourgeois-individualisme. De nieuwe individualist blijft hebzuchtig maar niet op dezelfde manier als zijn onbuigzame voorloper. Hij verzamelt namelijk geen goederen en voorzieningen om zijn leven in de toekomst te zekeren, maar eist onmiddellijk genot en leeft vanuit een gevoel van rusteloze, voortdurend onbevredigde verlangens. Voor zijn materiele behoeften is hij afhankelijk van grote bedrijven en instellingen. De overgang van prive-eigendom naar 'corporate property' en van ondernemende activiteit naar de afhankelijkheid van loon en salaris heeft het liberale individualisme ingrijpend gewijzigd.

Terwijl de Amerikaanse Adam nog begiftigd was met deugden als vlijt, soberheid, matiging en het vermijden van schulden, wordt in de nieuwe kapitalistische wereld ijdelheid en genot aangemoedigd. De innerlijke kracht is verdwenen, de self made man wordt nu door anderen gemaakt en het ik opent zich voor de 'maatschappelijke invasie' van media en deskundigen. Om een succesvolle carriere te verzekeren komt het er op aan de eigen persoonlijkheid te verkopen en de medespelers door technieken van 'interpersonal relations' te controleren en intimideren. Economische strijd is vervangen door 'psychological warfare'.

Hoewel Lasch zich lange tijd thuis voelde in de progressieve denktraditie, keert hij zich in 'De cultuur van het narcisme' nadrukkelijk ook tegen 'links'. Met name feministen en freudiaanse marxisten heeft hij niet gespaard. In zijn ogen behoren zij tot een coalitie van nieuwe therapeutische experts die het onderwijs en het welzijn in de greep hebben gekregen en die het gezin als belangrijkste hindernis voor de ontwikkeling van de 'bevrijde persoonlijkheid' beschouwen.

Het therapeutische jargon van de sociale wetenschappen en het welzijnswerk lijkt ertoe te dienen om het gezin, de 'haven in een harteloze wereld', af te breken en om tegen te spreken wat iedereen uit eigen ervaring weet. Volgens Lasch keert het progressieve denken zich tegen zichzelf als het de gezinsmoraal tracht te elimineren. Het creeert namelijk een nieuwe afhankelijkheid, die van experts en van talrijke overheidsinstanties. Zelfhulp en competentie moeten ervoor wijken.

Lasch' kritiek heeft hem niet populair gemaakt in linkse kringen. Veel conservatieven prijzen hem daarentegen omdat hij zou hebben afgerekend met het doctrinaire radicalisme. Lasch kwam daardoor in een positie terecht die hem niet zinde: aangevallen door degenen die evenals hijzelf een nieuwe wereld willen bouwen en omarmd door degenen die het verlies van een oude wereld betreuren. De frustratie met de receptie van zijn werk groeide. In The Minimal Self (1984) probeerde hij zijn denkbeelden te verhelderen. Veel interpretatoren verwarden namelijk narcisme met egosme. Het minimale of narcistische zelf is echter geen persoonlijkheid die weet wat hij wil, maar het is een onzeker en identiteitsloos zelf, gekenmerkt door een 'innerlijke leegte'. Tevens trachtte hij aan te tonen dat zijn ideeen niet zouden misstaan op de politieke agenda van feministen en milieu-activisten.

In de eerste paragraaf van zijn nieuwe boek doet Lasch opnieuw verslag van zijn frustraties over linkse intellectuelen. Maar de poging om zijn vroegere medestanders te overtuigen en aan te tonen dat hij zich niet bij de vijand heeft aangesloten, laat hij varen. Hij beseft terdege dat vooral zijn pleidooi de moraal van de kleine burgerij in ere te herstellen, in progressieve kring slechts op hoongelach kan rekenen.

The True and Only Heaven bestaat eigenlijk uit twee boeken. In het overheersende 'eerste boek' beschrijft hij het ontstaan van het vooruitgangsidee en de reacties erop, met name die van populistische auteurs. In het 'tweede boek' contrasteert Lasch geloof, hoop en vertrouwen met de vooruitgangsleer waarin de kille berekenende logica van de 'nieuwe klasse' van hoog opgeleide deskundigen een centrale rol speelt. Hij vestigt de aandacht vooral op het onderscheid tussen optimisme en hoop. Optimisme verklaart het verleden dood en ontkent de greep die het verleden op het heden heeft. De toekomst zou daarom ongekende mogelijkheden bieden. Hoop daarentegen bevestigt het goede leven temidden van de vele beperkingen van het heden. Zij die hopen zijn altijd voorbereid op het ergste, op komende teleurstellingen, maar hun vertrouwen in het leven is gebaseerd op de overwonnen teleurstellingen van het verleden.

Lasch maakt de lezer erop attent dat schrijvers en filosofen die dieper zijn ingegaan op deugden als hoop en dankbaarheid, in sterke mate beinvloed zijn door de puriteinse denktraditie. In hun ogen is de deugd eerder een emotionele dan een morele categorie. Bij Ralph Waldo Emerson bijvoorbeeld heet de deugd 'true fire': ze komt niet voort uit berekening maar wordt bepaald door een hogere wil die een veilig en gemakkelijk leven uitsluit. In het 'verweekte' moderne protestantisme is dit vuur uitgedoofd.

Ook de pragmatist William James, door Lasch aangeduid als 'laatste puritein', is van oordeel dat het liberale christendom de gelovige weinig te bieden heeft. Typisch voor James is dat hij de vraag naar waarheid van religieuze ideeen omzeilt en ze enkel op hun effect beoordeelt, op de mentale strijdbaarheid die ze teweegbrengen, wat hij de 'cash value' van religie noemt. Het fanatisme dat hieruit dikwijls voortspruit, benadrukt hij, kan zeker gevaarlijk zijn. Maar het herosche ideaal wordt hedentendage zo sterk geassocieerd met de cultus van macht dat zijn ware betekenis, belangeloze overgave aan riskante of grootse ondernemingen, vergeten werd.

Lasch voert ook Georges Sorel ten tonele, hoewel deze denker als Europeaan en katholiek buiten de hoofdlijn van het boek valt. Sorels pessimisme is sterk verwant met wat Emerson en James het wonder noemden, een bevestiging van het leven in het zicht van grenzen: alleen krachten die buiten het bewuste controle van een persoon liggen kunnen werkelijke veranderingen teweegbrengen. Evenals de eerste protestantse theologen oordeelt Sorel dat de ware deugd in de overschilligheid ten opzichte van beloningen schuilt, hemelse of andere. De belangeloze dienst vinden we volgens hem terug bij soldaten, uitvinders en kunstenaars. Wat hen aanspreekt is de strijd, niet de overwinning.

In zijn 'eerste boek': vooruitgang en zijn critici, situeert Lasch de oorsprong van het vooruitgangsdenken in de zeventiende eeuw als de wetenschappelijke revolutie het idee verbreidt dat de toename van kennis onomkeerbaar is en dat deze kennis het leven van de mens zal verbeteren. Lasch benadrukt dat vooral dit laatste idee door de calamiteiten van de twintigste eeuw onhoudbaar is geworden. Wetenschappelijke kennis kan ten goede of ten kwade worden gebruikt. Een andere versie van het vooruitgangsdenken - uitgewerkt door de eerste filosofen van het kapitalisme, onder wie David Hume en Adam Smith - bleek evenwel opmerkelijk resistenter. Deze economische versie bracht een wending teweeg die niet minder revolutionair was dan die van wetenschappelijke ontdekkingen: het verlangen, in vroegere tijden veroordeeld als een bron van ongeluk en instabiliteit, werd volledig gerehabiliteerd. Volgens Hume en Smith kon de grote economische machine alleen worden voortgedreven door verlangens vrijuit te laten gaan, analoog aan de onverzadigbare nieuwsgierigheid die het wetenschappelijke project voortstuwde. Weliswaar zagen zij de onwenselijke effecten van hebzucht in, maar de prikkel tot materieel voordeel die zij in het leven riep, was onontbeerlijk om de 'welvaart van de naties' te vergroten.

In de twintigste eeuw onderging deze visie een belangrijke wijziging. De veronderstelling dat sparen en investeren hand in hand zouden gaan, bleek niet te kloppen. Met name John Maynard Keynes wees erop dat de klassieke economen de waarde van spaarzaamheid overdreven. Niet zuinigheid maar winstverwachting is de motor die de onderneming aandrijft. Winst veronderstelde op haar beurt een groeiende levensstandaard van de bevolking. De morele imperatief van Keynes luidt dan ook: geld uitgeven, niet oppotten. Daarmee stelde hij vooruitgang gelijk aan de oneindige uitbreiding van consumptie, een onophoudelijke herdefiniering van materiele verwachtingen. Het zal daarom niet verbazen dat Lasch een frontale aanval op de Britse econoom onderneemt, niet alleen op zijn ideeen maar ook op zijn persoonlijke levenswijze en lidmaatschap van de decadente Bloomsbury-kring. Deugden als zelf-opoffering en vastberadenheid werden door Keynes ingeruild voor ijdelheid.

De moraal die Lasch voor ogen heeft is 'herkenning van grenzen', niet 'luxe voor allen'. Deze moraal treft hij aan in het populisme van het negentiende-eeuwse Amerika dat reageerde op de steeds groter wordende macht van industrielen en bankiers. De essentie van het populisme schuilt zijns inziens niet in behoud van gewoonte en traditie, maar in 'produktie'. Het populisme was oorspronkelijk een vakbeweging die het stichten van landbouw-cooperaties en scholen op haar programma had staan. Het wilde de bedreigde boeren en ambachtslui beschermen en veroordeelde industriele vernieuwing omdat hierdoor de onafhankelijkheid van eigendom zou worden ondermijnd en de 'loonslavernij' om zich heen zou grijpen. Pas veel later ging de vakbeweging zich identificeren met industriele groei.

De Amerikaanse middenstand beschikt volgens Lasch nog altijd over gezonde common sense-inzichten zoals het besef dat alles zijn prijs heeft en dat inspanning wordt beloond. Het 'Middle America' beschikt over gemeenschapszin, zelfrespect en verantwoordelijkheidsgevoel. Solidariteit wordt hoger gewaardeerd dan mobiliteit; rijkdom en privileges worden gewantrouwd.

Lasch respecteert de kleine burgerij om haar zelfstandigheid, gevoeligheid voor grenzen en de 'bescheiden roeping', maar tegelijk realiseert hij zich dat de lagere middenklassen in toenemende mate conservatief zijn geworden en zich aangetrokken voelen tot de slechtste impulsen van het moderne leven: anti-intellectualisme, vreemdelingenhaat en racisme. De populistische traditie is daarom geen wondermiddel voor de ziekten die de moderne wereld teisteren, zo besluit Lasch zijn 591 pagina's tellende speurwerk. Maar dezelfde traditie was de enige serieuze poging de grote vraag van de twintigste-eeuwse politiek te beantwoorden: wat dient eigendom te vervangen als materiele grondslag van de burgerdeugd?

Ook in The True and Only Heaven betoogt Lasch in een superieure stijl. Het boek lijdt echter onder een te ambitieuze opzet en een eindeloze reeks van uitweidingen over denkers en denkstromen. De verbluffende combinatie van ideeengeschiedenis, psychoanalyse en cultuursociologie die in eerdere studies voortdurend nieuwe inzichten opleverde, heeft plaatsgemaakt voor een ideeenhistorisch moeras waarin de lezer snel meegezogen wordt. Niettemin kan de volhardende lezer heel wat leren. Lasch ziet als geen ander de diepere problemen van de moderne tijd en beschikt over het vermogen de juiste vragen te stellen. Het boek eindigt evenwel, zoals de auteur min of meer zelf beaamt, in een doodlopende steeg: de progressieve denktraditie is uitgeput, terwijl het populisme geen uitkomst brengt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden