Hartsvriendinnen voor het leven

Bettie Endeman 1932-2014

De Tantes heetten ze in familiekring en daar waren ze trots op. Ze waren een eenheid, daarnaan twijfelde niemand.

Onafscheidelijk waren ze. Bijna heel hun volwassen leven hadden ze gedeeld. Sinds ze elkaar als jonge vrouwen hadden leren kennen op hun werk, was er geen enkele twijfel dat ze altijd bij elkaar zouden blijven.

Hun beider families noemden de namen van Bettie en Aukje in één adem. Neven en nichten spraken over De Tantes. Aukje, de warme, gezellige, bemoederende tante. En Bettie, de rustige, verstandige en nuchtere tante.

Maar ze waren geen liefdespaar, mocht iemand dat denken. Hartsvriendinnen, zo noemden ze zichzelf. Hun band was steviger dan menig huwelijk. Toen ze vijftig jaar samen waren, vierden ze dat met een groot feest, zoals ze dat met alle kroonjaren gewoon waren.

Ze hadden elkaar gevonden in 1958. Bettie was hoofd verpleging in een paviljoen van het psychiatrische ziekenhuis in Wolfheze, bij Arnhem; de zes jaar oudere Aukje was daar hoofd van de huishouding. Dat Bettie zo'n verantwoordelijke baan zou krijgen, had niet voor de hand gelegen. Haar vader was landarbeider in het Overijsselse Dalfsen en hij had het niet breed. Haar moeder was ziekelijk en Bettie moest, als oudste meisje van acht kinderen, bijspringen in de huishouding. Dat deed ze gehoorzaam, maar ze zat liever op school. Leren deed ze zo graag dat ze een hekel had aan vakanties.

Toen haar moeder een zware bevalling had doorgemaakt, moest Bettie thuisblijven om het hele huishouden te doen, al was ze nog maar tien jaar oud. Als beloning kreeg ze een dambord, een flink cadeau voor kinderen die gewoonlijk luciferdoosjes als speelgoed hadden.

De schoolmeester stond aan haar kant: 'Dit kind moet naar de hbs', zei hij. Maar daar was geen geld voor; ze moest ook bij andere gezinnen gaan werken. Toen ze 17 jaar was, had ze er genoeg van. Ze had twee jongere zusjes en geheel tegen haar gehoorzame aard in, zei ze: 'Laat zij ook eens wat doen, ik wil verpleegster worden'.

Ze zette haar zin door en werd leerling in het psychiatrisch ziekenhuis in Wolfheze. Op haar tweede werkdag moest ze een vrouw in bad doen die haar in de vinger beet. Later werd ze ook eens aan haar haren door de gang gesleept, maar dat schrikte haar niet af van de psychiatrie. Toen ze na drie jaar haar diploma had, ging ze naar een gewoon ziekenhuis in Enschede om het algemene verpleegdiploma te halen en ook het Ooievaartje voor kraamverpleegster. Toch keerde ze terug naar Wolfheze. Ze hield van de psychiatrie. De patiënten bleven er langer en ze kon een band opbouwen met de mensen.

Bettie had ook zin voor avontuur en met Aukje vatte ze het plan op om te emigreren. Massa's Nederlanders trokken in de jaren vijftig naar Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. Bettie had een oom en tante in Canada en dat was de reden dat de hartsvriendinnen daarheen wilden. Toen Bettie de vereiste pokkeninjecties had gekregen, werd ze ziek. Op haar kamer werd een bed bijgeplaatst voor Aukje die haar verzorgde. Sindsdien zijn ze altijd samen blijven wonen.

Naar Canada

In 1960 voeren ze in negen dagen op de boot naar Canada. Toen ze uiteindelijk in Toronto aankwamen in maart, lag daar een meter sneeuw. Ze trokken langs de ziekenhuizen met de paar woorden Engels die ze spraken: 'Do you have a job for me, please?' Bettie vond snel een baan in een ziekenhuis, Aukje ging werken in een verpleegtehuis. Ze leerden Engels op een avondcursus en trokken op met andere Nederlanders in de Christian Reformed Church.

Het beviel hen prima in Canada, toch kwam er na vijftien maanden al een einde aan hun avontuur. Bettie kreeg te horen dat haar vader ernstig ziek was en niet lang meer te leven had. Ze keerden terug, maar tot hun verrassing stond haar vader hen op te wachten. Hij bleek ziek te zijn van verlangen naar haar en zou nog dertien jaar blijven leven.

Achteraf gezien was de terugkeer verstandig geweest. Bettie kreeg problemen met haar gehoor en moest geopereerd worden. Aukje kreeg de ene aandoening na de andere en belandde zo ongeveer elk jaar in het ziekenhuis. Of ze zoveel medische pech hadden kunnen betalen in Canada is zeer de vraag.

Bettie werd paviljoenshoofd van psychiatrisch ziekenhuis Veldwijk in Ermelo. Ze wilde niet meer intern wonen, maar er heerste woningnood in Nederland. Op het erf van een grote boerderij vond ze in 1964 een houten zomerhuisje. Klein maar knus aan de rand van een bosje. Er was zo weinig ruimte dat de naaimachine tussen hun bedden stond. Als het 's winters erg koud werd, dan gingen de dames logeren bij familie in de buurt.

Die familie was belangrijk voor Bettie. Ze vierde Kerst en Sinterklaas met familie, die op hun beurt na de zondagse kerkdienst bij de dames kwamen koffiedrinken. Dan kwam in het kleine huisje al gauw de fles wijn op tafel, werd er gerookt en mochten neefjes en nichtjes de bus met chips plunderen.

Huis op de hei

Na zeven jaar konden ze een van de eengezinshuizen huren die Ermelo op de hei had laten bouwen. Toen hun spullen verhuisd waren, leken de kamers nog steeds leeg. Ze verdwaalden in het huis, zo groot leek het. Toen het ook nog begon te stormen en regenen, gingen ze gauw weer naar hun vertrouwde houten huisje, voor een laatste nacht.

In het nieuwe huis hadden ze elk een eigen slaapkamer. Er was ruimte genoeg om je even terug te trekken, want natuurlijk hadden ze weleens onenigheid. Dat duurde nooit lang. 's Avonds gaven ze elkaar dan weer een nachtzoen.

Bettie wilde weer wat nieuws in haar leven en ging drie jaar in Utrecht studeren voor sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Met haar diploma kreeg ze werk in de nieuwe Flevopolder. Daar was nog geen psychiatrische hulp en met haar pas verworven rijbewijs bezocht Bettie de mensen thuis om rapport te kunnen uitbrengen aan de psychiater in Zwolle.

In de boerderijen trof ze zwijgzame Zeeuwen, in de eerste wijken van Lelystad ontmoette ze praatgrage Amsterdammers. Allemaal waren ze de weg kwijtgeraakt in hun leven in de nieuwe polder. Bettie luisterde en schreef pas later in haar geparkeerde auto op wat ze had gehoord of ze sprak een bandje in. Ze wilde het gesprek niet verstoren met geschrijf.

Toen ze op haar zestigste met pensioen ging, was het even moeilijk. Aukje, die door medische problemen al veel eerder was gestopt, moest eraan wennen dat Bettie nu veel thuis was. Maar ze hebben het gerooid.

Met haar studiehoofd kon Bettie het niet laten theologie te gaan studeren in Apeldoorn en ze werd ouderling. En ze maakte met Aukje vele verre reizen, van Canada tot Nieuw-Zeeland. Toen ze twee jaar geleden 80 en 85 jaar oud werden, was dat weer reden voor groot feest.

Bettie vond het moeilijk om de ongemakken van de ouderdom te aanvaarden. Toen ze een paar keer met de fiets gevallen was, stopte ze met fietsen. Maar aan de rollator wilde ze niet. Bettie was altijd de sterkste van de twee geweest, en ze klaagde nooit over mankementen. Dus toen ze ineens op een middag zei dat haar benen zo raar voelden en dat ze hoofdpijn kreeg, was dat reden genoeg om 112 te bellen. In de ambulance is ze mogeljk al buiten bewustzijn geraakt. Ze heeft nog drie dagen in het ziekenhuis gelegen en daarna nog een paar dagen in een hospice in Harderwijk. Dat heeft ze allemaal niet meer beseft.

Elisabeth Endeman werd geboren op 9 juni 1932 in Dalfsen. Ze stierf op 1 april 2014 in Harderwijk.

Toen ze vijftig jaar samen waren, vierden ze dat met een groot feest, zoals ze dat met alle kroonjaren gewoon waren

Aukje en Bettie (rechts). Hun namen werden altijd in één adem genoemd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden