Harry Mulisch

'Nog tachtig seconden,' weerklinkt de machtige stem van de kaartenlistige. 'Tachtig,' herhaalt de stedenverdelger zijn woorden en legt zijn veelbeslissende hand op de hendel.

Schroot sist voorbij en zegt: Bok! Bok! Over zijn schuddende kanon hangt vier sekonden de blauwogige Corinth en omlaag tussen de zeilende schepen onder hen raast het schriklijk vuur in de voorstad. En in de staart roept de nimmer falende Alan de manende woorden: 'Kwispel eens, schipper.' Zo spreekt hij: en dan de landoverstormer doet dreigend waggelen het vreesaanjagend luchtschip. Zoals de tijd voortgaat, ook wanneer de nacht stijgt in de ogen van de stervenden, spreekt de stem van de kaartenlistige Harry: 'Nog zeventig sekonden.' 'Zeventig.' De jonge Patrick lacht, hij weet niet tot wie. Het goddelijk schone gelaat als een morgenlijk veld overdekt met glinsterende dauwdroppels, zoekt Corinth met trotse ogen de naderende stad, maar rouwsluiers bedekken al haar gezicht. Een voor een doofden de lichten, maar vreselijker lichten gloeien onder de sluiers, ontelbare. Daarboven, zoals bijen zoemen boven de besuikerde mond van het slapende kind - en de vader komt aanhollen door de boomgaard met de handen in zijn haar - zoemen, zwenken, cirkelen de Liberators. Over het staal vouwt de blauwogige zijn handen en ziet rustig, hoe het nadert. Een heuvelrug trekt onder hem weg, en glanzend water. 'Nog veertig sekonden. Bomluiken open.' 'Veertig. Bomluiken,' herhaalt de aardschudder en in het knersen en in zijn rede valt de rede van de nylonkousversierde schutter Frank op de rug van het nachtzwartgeschilderde. 'Godsallejezus, als ik in Dresden woonde, ging ik meteen verhuizen.' Aldus zijn onverschrokken woorden: en motoren meer dan mogelijk dringen in het luchtvaartuig en het dofdonderend gerucht der ontploffingen en waaiende smook omvat hen, zoals de zee vol zeldzame vissen de drenkeling. De seinensteile Jim schreeuwt: 'Tweehonderd meter rechts van het rode merk! Hoogte houden! 'Zo schreeuwt hij door het voorwereldlijk tumult: en de edele Archie in de cockpit schreeuwt in wisselgesprek: 'Tweehonderd meter rechts!' En reeds verschijnt uit de zwarte gordijnen een rode vuurbol, zoals het oog van de wilde kat plotseling glanst in de nachtelijke struiken. 'Nog dertig sekonden!' 'Dertig!' In de neus hoort de blauwogige held de bommen voorbijgillen van hogere schepen, en hoe helder zijn oog, de olympische blik, alleen verduisterde flitsen ziet hij, gloed, brand, waartegen de onderste schepen getekend met de scherpste pen rustig voortvliegen. 'Nog tien sekonden!' 'Tien!' 'Godskloten,' mompelt binnensmonds de blauwogige, zijn zweet tappelings stromend van de hitte beneden hen, en ziet onder goddelijk gewelfde wenkbrauwen twee schepen, gebotst en brandend, als herfstblaren dwarrelen door het duister luchtveld, meesleurend een derde schip in grillige gang ter aarde. Maar reeds schreeuwt de kaartenlistige navigator: 'Bommen los!' En hem antwoordt de stedenverdelger gillend: 'Bommen los!' En het heerlijk luchtschip springt op, steigert en loeit van wellust uit vier muilen, en de aardschudder krijst trappelend de onsterfelijke woorden: 'Hoi! Hoi! Hoi! Daar gaan ze! Heil Hitler! Heil Hitler!' Zo krijst hij en is uitzinnig; maar de kaartenlistige spreekt; 'Hondertwintig graden en rechtdoor vliegen!' 'Hondertwintig, rechtdoor!' herhaalt de onverschrokken aanvoerder en lacht. En nadat zij vijf minuten gevlogen hebben in een edele boog over de stad, - en zij zijn weer boven het stille, donkere veld, waar de bomen buigen onder de storm en de vrome landman geknield op zijn akker omhoogziet, - en gezegd hebben, wij zullen ham en eieren eten, het was de laatste keer, wij waren ambtenaren, het is voorbij, wat nu? - spreekt de arglistige Frank de woorden: 'Ik wil wedden, dat de helft een bad neemt in de Elbe.' En de nimmerfalende Alan oppert zijn plan met de woorden: 'Laten we eens gaan kijken, jongens! Suzanna in het bad!' En hij zwenkt en daalt naar de rivier: en terwijl het water bulderend motorgeweld gekweld terugwerpt, volgt het luchtkasteel de zachte wendigen van de stroom naar de rokende stad, die branden zal zeven dagen, zeven nachten. En de werkloze aardschudder Patrick loert over de schouder van de landoverstormer en schreeuwt de lachende woorden: 'Kijk! Kijk!' In het zwarte water ziet hen onder het bevend schijnsel van de vlammen de blauwogige Corinth: hoofden, koppen, testen, roerloos. En dan lacht hij in zijn kopel de lach van de overwinnaar en schreeuwt: 'Zal ik ze eens een serenade geven?' En allen lachen, alle vliegers, Jim, Alan, Frank, Patrick en Archie, en dan jaagt hij de kogels voor zich uit het water in , waar de hoofden spatten, tuimelen, botsen, springen, keilen, verzinken, en lacht, alle vliegers, allen lachen in de nacht, en zingen: 'Adieu, mein kleiner Gardeoffizier, Adieu, Adieu, und vergiss mich nicht, Und vergiss micht nicht.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden