Harry Mulisch in Weimar: nar tussen hoogvliegers

WEIMAR - De uitnodiging was, opmerkelijk genoeg, in het Nederlands gesteld. Of ik niet geinteresseerd was in het bijwonen van het culturele festival in Weimar, dat tot eind augustus gehouden wordt. Vooral voor Nederlandse lezers kan een bezoek van belang zijn, vervolgde de brief, omdat Harry Mulisch zal deelnemen aan een 'talkronde' over 'nationalisme en wereldburgerschap', die 9 en 10 juli in het kader van het festival gehouden wordt. De afzender was mevrouw Sabine Wolter, namens de Stiftung Weimarer Klassik.

Het debat zou ingeleid worden door lezingen van de Franse filosoof Alain Finkielkraut en de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, vermeldde het bijgevoegde programma. Op naar Weimar! Drieeneenhalf uur giert, piept en rammelt de oude trein van de Deutsche Reichsbahn vanuit Berlijn naar het Thuringse heuvelland, naar het beroemde stadje aan de Ilm. Het allermooiste is het natuurlijk om je intrek te nemen in Hotel Elephant, waar Goethe al in en uit liep en waar Thomas Mann zijn Lotte (of liever: Goethe's Lotte) liet logeren. Maar achter de strakke, uit 1938 stammende facade heeft het postmodernisme in al zijn luxe toegeslagen en is de oude Gasthof omgetoverd in een Grand Hotel met kamerprijzen tussen 200 en 360 Mark.

Geen nood, Weimar verdrinkt in zijn eigen cultuurhistorie, en het hotel Russischer Hof dat ooit Franz Liszt, Robert en Clara Schumann en Iwan Toergenjew onder zijn gasten telde, is een goed alternatief. Helaas belooft in dit geval de classicistische facade meer dan zij waar kan maken: het interieur van de Russischer Hof ademt nog geheel de donkerbruine burgerlijkheid van de DDR.

De eerste wandeling door Weimar voert natuurlijk naar het huis waar Goethe van 1782 tot zijn dood in 1832 woonde. Een museum is het nu, maar eigenlijk was het dat al in Goethe's tijd, zo veel kunst verzamelde de grootste dichter van de Duitse taal om zich heen. Weimar is toch een soort Olympus. Gevelstenen markeren de huizen waar de goden woonden, Lucas Cranach, Friedrich von Schiller, Johann Sebastian Bach, Franz Liszt, Friedrich Nietzsche. Om van de vele illustere bezoekers maar te zwijgen.

Een van hen zit naast het huis van Goethe op een terrasje. De namiddagzon schijnt en Harry Mulisch heeft zijn jasje over de stoel naast hem gedrapeerd.

De Olympier die in eigen land wordt geeerd - zij het niet zonder zure ondertonen - is hier sinds het verschijnen van 'Das Attentat' in 1986, maar vooral sinds 'Die Entdeckung des Himmels,' de schepper van een meesterwerk.

De Frankfurter Allgemeine Zeitung sprak in maart van dit jaar van een grote roman en noemde Mulisch een schitterende verteller. Der Spiegel wijdde drie pagina's aan de Ontdekking van de Hemel ('ein grosser Zeitroman der europaischen Nachkriegsgeneration') en zowel in het weekblad Stern als in de Frankfurter Rundschau werd niet geaarzeld Mulisch' roman op een lijn te stellen met Umberto Eco's 'In de naam van de roos'.

De grote schrijver verheft zich uit zijn terrasstoel, schikt zijn blauwe colbert, dat naadloos om zijn torso sluit en blikt een ogenblik in de etalageruit van een antiquariaat. Bestudeert hij zichzelf of geldt zijn belangstelling de tafelbustes van Goethe en Schiller? Zijn coiffure is onberispelijk, zijn gezicht gebruind, het pijpje staat als een ornament in zijn mondhoek. Zo wandelt Mulisch naar zijn hotel, het Elephant.

De volgende dag volgt een Nederlandse filmploeg Mulisch op zijn schreden door het Goethe-huis. Als hem gevraagd wordt voor de camera nog eens door de aaneengeschakelde kamers te wandelen, suggereert hij behulpzaam: “Zal ik mijn gezicht naar het licht houden?” Bij Goethe's werkkamer aangeland geeft hij de cameraman nog een nuttige wenk: “Je kan me in Goethe's spiegel filmen, zie je?

'' Het is adembenemend te zien hoe de sterfelijkheid wordt opgeheven.

Het zaaltje waar de volgende dag onder leiding van de 'Feuilletonchefs' van de Suddeutsche Zeitung, Ivo Frenzl en Johannes Willms, over Nationalisme en Wereldburgerschap gedebatteerd wordt, is voor driekwart gevuld. Met de andere genodigden voor de gespreksronde zit Mulisch op de eerste rij en laat de filosofische bijdragen van Finkielkraut en Sloterdijk over zich heen komen.

Het is een ernstig gebeuren. Finkielkraut duidt onze tijd als 'de eeuw van het mes' en verbindt het thema van het nationalisme vooral met de oorlog op de Balkan. Europa, zo schetst hij, wil het imago van het oude continent van zich afwerpen, het nieuwe Europa is eeuwig jong en wil de Amerikaanse droom van de ongebreidelde consumptie terugwinnen. Europa is het nieuwe Amerika, zegt Finkielkraut, waarin de landen op de Balkan ongewenste gasten zijn.

Finkielkraut houdt zijn rede in het Frans, maar de Duitse vertaler kan zijn denkcategorieen slechts moeizaam volgen. “Het avontuur van de tweetaligheid is nog niet voorbij,” zegt Peter Sloterdijk daarom bij het begin van zijn lezing die in een uur tijd het hele politieke evolutieproces van de mens zal omspannen.

Hoe houd je groepen, grote groepen, ja massa's van mensen in een enigszins goed functionerende gemeenschap bijeen, is de vraag die Sloterdijk oproept en hij deinst er niet voor terug voor de beantwoording van die vraag terug te keren naar de alleerste horden in de geschiedenis van de mens, de periode die hij als die van de palaeo-politiek omschrijft.

Staats-atleet

Sloterdijks evolutieleer mondt uit in de figuur van de 'staats-atleet' - “individuen die 'het samenzijn in het groot' van jongs af aan als een mentaal gewichtsheffen oefenen, niet in sportscholen, maar in filosofische akademies, retorica-opleidingen, aan vorstenhoven en op priesterscholen. (..) De homo politicus kan men het beste zien als een tienkamper voor de staat.”

Maar in onze tijd lijkt dat goed-functionerend samenzijn in een nieuwe fase te zijn aangeland, penseelt Sloterdijk in brede streken verder. Sinds Nietzsche's 'God is dood' “staan de mensen als tot wees geworden veelheden in een monsterlijk wereldlandschap naast elkaar.” Socialisme is daarin a-socialisme geworden. “Men kan de indruk krijgen dat het een-persoonsappartement het vluchtpunt van de beschaving is en de alleenwonende de kroning van een eeuwen durend antropologisch verfijningsproces.”

Sloterdijks slotzinnen klinken aangrijpend somber. “De laatste mens in het individualisme van het industriele tijdperk is niet meer de sociale positivist, die het geluk uitgevonden heeft, met zijn pleziertje voor de dag en zijn pleziertje voor de nacht. De laatste mens is veel meer de mens zonder terugkeer. Hij wordt in een wereld ingebouwd, die niet langer de voorrang van de reproduktie erkent.”

De gespreksronde begint, het podium vult zich met grote Europese geesten uit diverse landen. Als apostelen in Da Vinci's Laatste Avondmaal zitten ze voor ons: de Zweedse hoofdredacteur van 'Dagens Nyheter' Arne Ruth, de Zwitserse essayist Paul Nizon, de Italiaanse publiciste Maria Gazetti, de Franse historicus Michel Korinman, de Duitse politicologie-professor Iring Fetscher en natuurlijk Harry Mulisch.

Of Nederlanders ook zoiets als nationalisme kennen, is de enige vraag die gespreksleider Willms aan Mulisch voorlegt. Die heeft niet veel woorden nodig.

“Nee, Nederlanders willen alleen geld verdienen.” En wat Duitsland aangaat, zo vertelt Mulisch kort dat de Nederlanders - anders dan de Fransen - met de rug naar hun oosterburen toe staan. “Vrienden van mij kopen zondag niet 'Welt am Sonntag' maar 'The Observer'. Bij de Fransen is dat natuurlijk heel anders.

U kent toch die uitspraak van de componist Erik Satie: Qui n'aime pas Wagner, n'aime pas la France?''

De zaal vult zich met gelach, het is de eerste keer dat zich zoiets als vrolijkheid ontlaadt en merkwaardigerwijs lijkt Mulisch precies dat beeld van de Nederlander te bevestigen dat zich vaker in zulke internationale gezelschappen openbaart, namelijk dat van de nar tussen de hoogvliegers. Het is of Nederlanders zich tussen de grote Frans-Duitse raderen van het intellectuele discours moeten redden met een bon mot en een witz.

De Olympische statuur van Mulisch is een beetje gekrompen, al moet men misschien consideratie hebben met het feit dat Mulisch enige moeite had met het aanwenden van zijn Duits. Hij moet zich gevoeld hebben al een pianist achter een niet gestemde vleugel. Maar elan kan de Nederlandse schrijver niet ontzegd worden. Als de volgende dag, tijdens de tweede gespreksronde, aan Mulisch de vraag gesteld wordt of bij Nederlanders de angst voor de Duitser weer toeneemt, repliceert hij: “Waarom wordt eigenlijk nooit gevraagd of de Duitser bang is voor de Nederlander?” En weer lachen de goden in Weimar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden