Harry Mens

Harry Mens (Lisse, 1947) is projectontwikkelaar en talk-show host van het RTL5 programma Business Class. Hij haalt om uiteenlopende redenen vaak het nieuws: als de zakenman die Bill Clinton naar Nederland haalde, als de vriend van Pim Fortuyn die zijn aan Leefbaar Nederland overgemaakte 45000 euro terug wil hebben en tenslotte als de ogenschijnlijk voorbeeldige echtgenoot die er dan tien jaar lang een dubbelleven op nahield.

1. Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

,,God bestaat, dat weet ik zeker. De vraag is alleen: hoe moet ik hem omschrijven? Ik ben ervan overtuigd dat er geen verschil is tussen de god van Saddam Hoessein en die van George Bush; het besef van goed en kwaad staat gekerfd in alle harten. Hoe ik moet omgaan met mijn mede-mens had mij net zo goed door islamieten kunnen worden bijgebracht, maar ik ben toevallig opgegroeid in een katholiek gezin in Lisse. Mijn vader was bollenkweker, een super-katholieke man, geloviger dan ik ooit zal worden. Als ik zat te klieren tijdens de hoogmis kon ik van hem een opdonder krijgen. Geloven was een ernstige zaak. Mijn moeder ging er makkelijker mee om. Tot mijn zesde mocht ik bij haar zitten, aan de vrouwenkant. Ze droeg een bontjas waar ik heerlijk tegenaan kon leunen. Ik heb wel eens heimwee naar die tijd, van vóór de democratisering. Toen de priester nog met zijn rug naar ons toegekeerd stond, de mis in het latijn werd opgedragen en er voor vrouwen op de kansel geen plaats was. De kaarsen, de wierook -zoveel dat het je haast bedwelmde- het Halleluja van Hündel dat wij zongen met het jongenskoor: dát was mijn katholieke leven. Een mystieke sfeer waarin iedereen -intellectueel of dom, baas of knecht-tot bezinning kwam en rust vond. Ik was niet zo lang geleden in de Sint Pieter in Rome. Mooi hoog gebouw, prachtige akoestiek. Ik kreeg meteen de neiging om te zingen. Daar viel de herinnering aan vroeger als een deken over mij heen. Zo was het. En zo zal het nooit meer worden.''

2. Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

,,Mijn vrouw is gereformeerd, onze kinderen zijn in de gereformeerde kerk gedoopt. Wat ik in die kerk tegenkwam F3 we het toch over ijdel gebruik hebben- vond ik nog erger dan de praatjes die ik zo af en toe van kromme pastoors te horen kreeg. Ik zag mensen die zich op de bloembollenbeurs als beulen gedroegen, heel vroom voorin de kerk zitten. Middenin de week maar 's zondags niet - je kent dat wel. Farizeeërs, allemaal Farizeeërs. En ik zal nooit de uitvaartdienst van meneer Veldhuizen-van Zanten meer vergeten. Hij was als Jumbo-piloot betrokken bij dat verschrikkelijke vliegtuigongeluk op Tenerife. De man was zwaar gereformeerd en die dienst loog er niet om. Eigenlijk kwam de boodschap van de dominee hier op neer: dat krijg je er nou van als je op zondag gaat vliegen. Zo'n man moesten ze afschieten. Wie is hij om namens God te spreken? Wat ik doe of laat is een zaak tussen God en mij. Ieder mens weet precies wanneer hij de fout in gaat en wanneer niet. Ik ben misschien niet zo sociaal als mijn vader, maar ik ben ook zeker niet a-sociaal. Als ik anderen kan helpen, doe ik dat. En meer zeg ik daar niet over want als je met dit soort zaken koketteert, wordt het altijd verkeerd uitgelegd. Ik dien God op mijn manier, neem dat maar van mij aan.''

3. Gij zult de dag des heren heiligen

,,Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren: ik was veertien jaar en ik stond op zondagmorgen bij de bollentuinen om bloemen te verkopen. Het regende. Ik werd kletsnat. Mijn broer stond honderd meter verderop met bloemen en weer honderd beter verder stond nog een broer. We hielden een wedstrijdje en ik won: aan het einde van de middag had ik 37 gulden en 60 cent bij elkaar verdiend. Toen ik thuiskwam, stopte mijn vader het geld in zo'n vetvrij zakje van de slager, bond er de ring van een weckpot omheen en zei: 'Nu had ik het zo gedacht: pater van den Hoorn vertrekt morgen weer naar de missie in Pakistan, als we snel zijn kunnen we hem dit geld nog meegeven.' Nou jongen, ik heb staan stampvoeten, vreselijk! Mijn moeder, die veel materialistischer was ingesteld, was het er ook helemaal niet mee eens. Ze zei: 'Ben jij belazerd? De helft is genoeg hoor.' Maar mijn vader wilde er niets van weten: alles gaat naar pater van den Hoorn. De tranen stonden mij in de ogen. Ik weet nog dat ik wegkeek toen ik hem het zakje gaf. 'Bedankt,' zei de pater en hij gaf mij een gesigneerde foto. Ik heb die foto nog altijd. En ik moet je eerlijk zeggen: als ik er naar kijk, krijg ik weer tranen in mijn ogen. Zelfs nu ik het je vertel, schiet ik vol. Dat komt doordat ik aan mijn vader denk. Ik heb hem nooit kunnen vertellen dat ik achteraf wel heb begrepen wat hij mij die zondag wilde leren.''

4. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn vader ging dood toen ik 17 was. Hij was pas 51. Toen hij stierf had hij vijfentwintig baantjes. Gemeenteraad, kerkbestuur - noem maar op. Hij was altijd in de weer voor zijn vrouw, zijn zeven kinderen en de mensen in zijn omgeving. Hij was de Lech Walesa van Lisse. Mijn vader was ooit begonnen op het land en toen hij genoeg had verdiend om anderen voor zich te laten werken, hield hij de eetgewoontes uit die eerste jaren aan: veel en vet. Hij kreeg suikerziekte en werd, toen hij op zakenreis was in Duitsland, door een hartinfarct getroffen. Hij heeft nog tien dagen geleefd. Ik hem opgezocht in het ziekenhuis in Keulen. Ze hadden, voor de gelegenheid, de beademingsapparatuur even losgekoppeld. Ik zag natuurlijk wel dat het ernstig was, maar ik nam afscheid met het idee dat hij er nog bovenop zou komen. Ik ging naar huis en mijn vader stierf. Een paar dagen later kwam een Duitse lijkwagen bij ons de straat inrijden. Heel luguber. Mijn moeder zat voorin, naast de chauffeur. Ik wilde naar haar toelopen, maar werd tegengehouden door de chauffeur van de lijkwagen die mij vroeg: 'Muss ich mit ihnen abrechnen?'

Vanaf dat moment wist ik dat mijn jeugd voorbij was en het echte leven was begonnen. Er doken allerlei ooms en tantes op die zich met van alles wilden bemoeien, maar na veertien dagen was iedereen weer vertrokken en stonden we er alleen voor. Mijn moeder deed er alles aan om mij thuis te houden. Mijn broers en zussen gingen vrij snel de deur uit en ik bleef achter. Als ik met een meisje thuiskwam, had mijn moeder altijd commentaar. Op een gegeven moment kreeg ik het door: ik mocht niet weg, ik was de man in huis. Toen mijn moeder een nieuwe relatie opdeed en hertrouwde kon ik, op mijn 26ste, eindelijk uitvliegen. Ik ben heel zorgzaam voor haar gebleven, maar het is een taaie tante hoor. Ze is nu 79 en rijdt nog altijd auto. Mijn moeder kan wel wat hebben. Ja, met mijn vader heb ik nog altijd een relatie. Ik laat geen tranen meer om zijn dood, maar er zijn momenten in mijn leven waarop ik er toch weer mee wordt geconfronteerd. In 1978 had ik financiële problemen, ik was radeloos, de weg kwijt. Toen ben ik op een zaterdagmiddag naar zijn graf gefietst en heb daar heerlijk een potje zitten grienen. Daarna was het over. Ik kon weer verder. Tegen mensen die zich zorgen maken, zeg ik altijd: ga naar het kerkhof, daar knap je van op. Het relativeert enorm. Een goede begrafenis is een sauna voor de ziel. Op mijn 51ste verjaardag belde mijn broer mij op: 'Nu ben je ouder dan papa!' Kennelijk was hij er, net als ik, ook al jaren mee bezig. Ik zit in de blessuretijd en ik heb het gevoel dat die best eens heel lang zou kunnen duren.''

5. Gij zult niet doden

,,Ik ken mensen die mijn bloed wel in een koppie kunnen drinken: jaloerse mensen die ik vroeger zakelijk te slim af was, maar die nu wel braaf aanschuiven in mijn televisie-programma. Ik heb ze wel door, hoor. De meeste mensen deugen niet, daar heb ik mij inmiddels wel mee verzoend. Maar - je zult het vast gek vinden wat ik nu ga zeggen - ik blijf toch een mensenvriend. Ik denk hooguit een keer: wat ben jij een klootzak! Meer niet. Ik wens niemand een ernstige ziekte toe en ik wens zeker niemand dood.''

6. Gij zult geen onkuisheid doen

,,Het verhaal is in de bladen vreselijk aangedikt, maar het is waar: ik ben door Suze, mijn vrouw, het huis uitgezet. Ik heb meer dan tien jaar een dubbelleven geleid en het is voor alle partijen beter dat daar nu een einde aan is gekomen. Toch zou ik het geen onkuisheid willen noemen: er sprong gewoon een vonk over, zoals dat tussen duizenden andere mensen ook dagelijks gebeurt. Maar omdat ik Harry Mens ben -en niet meneer Jansen uit Sittard- is het kennelijk schokkend. Achteraf zeg ik: ik had misschien eerder open kaart moeten spelen, maar mijn dochters waren 12 en 14 toen ik hiermee werd geconfronteerd en ik wilde hen eerst naar de finish brengen. Ze zijn nu volwassen, zelfstandige vrouwen en - hoewel ik mijn vrouw natuurlijk veel verdriet heb gedaan - geloof ik toch dat ik het op de juiste manier heb opgelost. Als ik nog eens voor zo'n situatie kom te staan, zal ik het precies zo doen. Aan de andere kant voel ik mij ook enorm bevrijd. Je moet niet denken dat het makkelijk is om twee levens te leiden. Ik gun het niemand. Nee, ik heb mij nooit afgevraagd waar ik mee bezig was. Ik hou gewoon van die vrouw, wat kon ik daar aan doen? Op een gegeven moment kreeg Mona behoefte aan een kind. Ik heb altijd gezegd: een vrouw moet kinderen krijgen. Ik heb liever een vrolijke vriendin met een baby, dan een gefrustreerde vriendin met abortus. We kregen twee dochters samen. De eerste jaren kon ik het goed geheim houden, maar ik wist dat er een dag zou komen waarop het fout zou gaan. Er werd al een tijdje over geroddeld. Jaloerse buren stuurden anonieme e-mails naar de bladen en mijn leugentjes om bestwil werden niet langer geloofd. Waar rook is, is vuur, zeiden ze. Toen dacht ik: nu moet de kogel maar door de kerk. Natuurlijk, het komt tussen ons nooit meer goed, maar de echtscheiding kan nog altijd zonder advocaten worden geregeld. Dat vind ik toch veelzeggend. En de relatie met mijn dochters heeft hooguit een kwartier onder druk gestaan. Mona is blij dat er een einde is gekomen aan haar geheime leven. Het werd voor de kinderen ook steeds lastiger. De oudste zei op school dat haar vader op televisie was. Ik kon toch niet gebukt met mijn eigen kinderen over straat? Daar heeft Mona veel verdriet van gehad: ik heb mij voor haar kinderen niet zo kunnen inzetten als voor de kinderen van Suze. Nu ik vrij ben, kan ik die schade proberen in te halen. Ik heb ze laatst voor de eerste keer meegenomen naar mijn moeder. Ze vond het niet leuk dat ik Suze pijn had gedaan, maar ze was toch ook heel blij om er ineens twee kleinkinderen bij te hebben. Een moederhart verloochent zich niet. Wat dat betreft vallen mensen mij mee: geconfronteerd met twee kleine kinderen reageren ze toch iets minder verontwaardigd. Daar kan ik op gepaste manier gebruik van maken.''

7. Gij zult niet stelen

,,Nu kan ik het je wel vertellen: ik ben door justitie gechanteerd. Het begon met een zaak over steekpenningen en valse declaraties. Ik zou in 1992 en in 1993 'criminele zaken' hebben gedaan met het aannemingsbedrijf Hillen en Roosen. Daar was helemaal niets van waar. Vanaf dag één was duidelijk dat ik er niets mee te maken had, maar omdat ze bij justitie niet tegen hun verlies konden, stond er in de dagvaarding nog een andere aanklacht: ik had ene mevrouw huppeldepup op de loonlijst van één van mijn BV's staan en ze waren erachter gekomen dat deze vrouw daar niets voor hoefde te doen. Alsof niet iedere bakker, groentenboer en slager zijn vrouw op de loonlijst heeft staan! Maar het ging natuurlijk over iets anders: die vrouw op de loonlijst was Mona, mijn vriendin. Ze hadden duizenden telefoongesprekken afgeluisterd, haar op klaarlichte dag opgehaald -terwijl ze thuis een kleintje had lopen- en haar het hemd van het lijf gevraagd. Zogenaamd over die Hillen en Roosen-zaak. Daar had die schat helemaal niets mee te maken. Schofterig gedrag! Ik was woedend. Ik zei tegen de officier van justitie dat het Gestapo-technieken waren en dat hij erger was dan de grootste SS-er. Gerard Spong, mijn advocaat, zei: 'Als ik jou was, zou ik de zaak schikken'. Ik zei: 'Gerard, ik laat mij niet chanteren! Of mijn vrouw er nu achterkomt, of een jaar later: vroeg of laat komt ze het toch te weten'. Maar Gerard wist mij ervan te overtuigen dat het verstandiger was een ton te betalen om strafvervolging te voorkomen. Als die zaak met Mona niet had gespeeld, was ik met opgeheven hoofd de rechtzaal ingestapt. De rechter zou de vloer hebben aangeveegd met die officier van justitie: hij had werkelijk geen poot om op te staan. Nu denk ik wel eens: had ik het maar gedaan. De rechtzaal zou hebben volgestaan met camera's en het 'schandaal' zou met grote koppen in de krant zijn verschenen, maar ik zou wel mijn gelijk hebben gehaald: ik ben geen dief. En nu weet je dus waarom ik die schikking heb betaald. Het was chantage, rotzakkerij van justitie, niets anders. Waar gebeurd, hier in Nederland. Ik kan je de dagvaarding laten zien, geef me je fax-nummer dan stuur ik hem zo nog even door.''

8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

,,Ik ben een eerlijk man. Honderd procent.''

9. Gij zult geen onkuisheid begeren

,,Maar wat is onkuisheid nou precies? In Afrika lopen ze allemaal in hun blootje rond. Ik heb moeite met homofilie, maar ik zal nooit zeggen dat het onkuis is om een man te zoenen. Ik geef mijn vriend Pim Fortuyn ook wel eens een zoen. Nee, niet op de mond, altijd op zijn kale hoofd en ik veeg het meteen weer af. Pim heeft, in zijn moeilijke momenten, ook wel eens behoefte aan een kusje. Dat begrijp ik best. Maar hij hoeft tegen mij niet te beginnen over dark rooms of SM-clubs want daar snap ik helemaal niets van. Wat hij daar uitspookt, moet hij zelf weten. Als het niet goed is wat hij doet, wordt er boven wel met hem afgerekend. Het staat onze vriendschap in ieder geval niet in de weg.''

10. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

,,Ik verdien nu eenmaal sneller geld dan de meeste mensen waardoor de onwetende buitenstaander zal denken dat ik er op een oneerlijke manier ben aangekomen. Dat is beslist niet zo. Het is een spelletje en ik vind het leuk om het zo goed mogelijk te spelen. Een autocoureur wil toch ook steeds harder? Ik heb het geld niet uitgevonden. Van mij mogen ze morgen weer op schelpen overgaan. Het heeft in ieder geval niets te maken met macht of status. Vier jaar geleden had ik dat imago misschien nog wel. Ik was de man die Pavarotti naar Nederland haalde. Ik werd door Henk van der Meijden in de hoek van de glamourboys gedreven, maar inmiddels weten de meeste mensen wel dat ik een man van brede interesses ben. Ik ben in de loop der jaren heel wat rijke, machtige mensen tegengekomen. En weet je wat mij is opgevallen? Alle grote geesten zijn normaal. Clinton? Normaal. Schwartzkopf? Normaal. Prins Bernhard? Hartstikke normaal. Ze zijn het levende bewijs van mijn relativiteitstheorie: als het goed is, heb je aan jezelf genoeg. Het zijn de mensen van de tweede garnituur, de jongens die niet bij de bel kunnen, die prat gaan op al hun voorname 'vrienden' en het uiterlijk vertoon. Ik? Ik ben ook normaal. Ik ben voor iedereen dezelfde, ik speel geen rol. Als iemand tegen mij op wil kijken, begrijp ik dat best. Ik heb goed gepresteerd. Op eigen kracht. Zonder opstapjes. Een self-made man. Maar ik ben nog lang niet klaar, ik heb nog een hoop te doen. Bovenaan mijn lijstje staat: oud worden. Ik was 17 toen mijn vader stierf. Veel te jong. Mijn jongste dochter is pas 2, dus ik moet nog jaren mee.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden