Harry huilt nog niet

Harry Potter is meer dan een held voor kinderen. Ouders die vier jaar geleden nieuwsgierig begonnen over de schouders van hun kinderen mee te lezen in J.K. Rowlings 'Harry Potter en de Steen der Wijzen', vechten nu met hun kroost om wie nu het vierde deel van zijn avonturen op Zweinstein, de hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus, mag verslinden. Harry Potter is er in volwassenen-edities en wordt genomineerd voor gerenommeerde literatuurprijzen. De jongen mag zelf dan nog maar dertien jaar oud zijn, hij is allang het kinderboek ontgroeid. Wat is het geheim van Harry Potter?

Dat Harry Potter onder kinderen zijn duizenden verslaat is begrijpelijk. Joanne Rowling verenigt in zich het genie van Roald Dahl, Astrid Lindgren en Lewis Carroll. Harry Potter is Alice in Wonderland en Pippi Langkous ineen. In haar boeken debiteren wijze oude mannen levenswijsheden, jagen griezels de stuipen op het lijf, en doen kinderen alles wat hun ouders verbieden - een heerlijke kindercocktail. Niet alleen aan hun verlangens, ook aan hun angsten wordt tegemoet gekomen. Er wordt op Zweinstein, de toverschool waar Harry vanaf zijn tiende zijn schooljaren doorbrengt, gesmuld en gesnoept naar hartelust, maar de school kent ook haar verboden gangen, geheime kamers en het grote, donkere bos met gevaarlijke dieren. De verplichte boekenlijst bevat opwindende titels als 'Gedaanteverandering. Een Boek voor beginners' en 'Fabeldieren en waar ze te vinden'. De lessen Geschiedenis van de Toverkunst van professor Kist mogen dan saai zijn (de oude, verschrompelde man is alleen nog maar een geest, die niet eens gemerkt heeft dat hij doodging) maar ze gaan wel over heel spannende dingen. En wie is niet jaloers op een schoolhoofd dat zijn slaapverwekkende toespraak bij de opening van het nieuwe schooljaar weet te beperken tot: 'Ik zou graag een paar woorden willen zeggen. En dit zijn ze: Domkop! Blubber! Kleinood! Kriel! Dank u.' (Veel hoogleraren zouden zich aan de opening van het academisch jaar trouwens geen betere decaan wensen.) En heb je je bezeerd, dan is er altijd nog juffrouw Plijster, die je in een mum van tijd er weer liefdevol bovenop helpt. Niet met vieze drankjes, maar met chocola als medicijn.

Kinderhumor en -fantasie kunnen het wereldwijde succes van Harry Potter echter niet alleen verklaren. Potter is meer dan een magische kinderheld: hij is een laat-moderne messias. Dat is een pretentieuze rol die zijn schepper, Joanne Rowling, hem nooit bewust zal hebben toegedacht en die hijzelf ook zal ontkennen. Maar zo gaat het met echte messiassen ook: ze worden het altijd huns ondanks.

Harry Potter is als kind te vondeling gelegd bij de Duffelings, het bekrompenste, kleinburgerlijkste gezin van Londen. Terwijl ze hun eigen zoontje Dirk liefdevol bederven door hem moddervet te mesten en zinloze computerspelletjes cadeau te geven, behandelen ze Harry 'als een hond die in iets smerigs had liggen rollen'. Harry woont in de bezemkast onder de trap - de burgerlijke versie van kribbe en stal - en krijgt een tandenstoker voor zijn verjaardag. Als hij tien is, wordt zijn eendimensionale bestaan echter van gene zijde doorbroken. Ingewijd in de magische dubbelwereld van tovernaars en heksen, wordt zijn ware identiteit onthuld. Zweinstein, de hogeschool voor tovenaarskinderen die Harry Potter bezoekt, is voor gewone stervelingen - 'Dreuzels' - niet weggelegd. Harry heeft deel aan beide werelden; 'waarlijk mens' en 'waarlijk god' heet het van de Christus van Chalcedon; Harry heeft een dreuzelmoeder en een tovervader.

Voldemort, de Heer van het Duister, vermoordde ooit Harry's ouders met een vloek, Harry overleefde. Waarom? Omdat zijn moeder hem met haar lichaam beschermde. Een dergelijke opofferende liefde is sterk als de dood. Maar ook een geheim in Harry zelf lijkt ervoor gezorgd te hebben dat hij de aanslag overleefde. 'Iets aan jou heeft hem de kop gekost!' Ook al is Harry een gewone jongen van onderen, er is in hem iets wat van boven komt. Een bliksemvormig litteken op zijn voorhoofd, dat pijn doet telkens als de kwade machten hem te dicht naderen, is de zichtbare herinnering aan die verschrikkelijke gebeurtenis in zijn prille jeugd. Bij Harry's messiaanse rol hoort ook het lijden.

Weliswaar wordt Harry Potter door de Dreuzelfamilie Duffeling veracht, op Zweinstein wordt hij tot hoeksteen uitverkoren. Het kleine, magere jongetje met groene ogen, piekhaar en een met plakband aan elkaar geplakte bril wordt de spil waarom het magische wereldgebeuren Potter-deel na Potter-deel blijft draaien. De lezer die met Harry Potter op het Londense King's Cross station op perron 9 3/4 in de Zweinstein Express stapt, wordt bewoner van een fantastische, betoverende wereld, waarin zich de ene absurde gebeurtenis na de andere voltrekt. Het ene nodige is een quasi-religieuze daad van overgave: de lezer moet net als Harry met blindelings vertrouwen op het hek dat perron 9 en 10 van elkaar scheidt toelopen, om dan pardoes in een metafysische tegenwereld te belanden, die qua sacrale rijkdom en overdaad het vroegere Rijke Roomse leven verre overtreft. In dit magisch universum is het een gaan en komen van draken, spoken, geesten, kobolden, kabouters, elven, eenhoorns, centaurs, aardmannetjes, feniksen, weerwolven en faunaten. Er is alchemie, sterrenwichelarij, bezemritten, vervloekingen en bezweringen, de toverstok in de aanslag.

Uit orthodox-christelijke kring is daarom verzet tegen Potter aangetekend: Rowling zou met haar duivelskunsten de kinderziel beheksen. Dat Christianity Today, de krant van Billy Graham, aan de boeken van Potter ten slotte toch een nihil obstat meegaf, weerhoudt andere christelijke fatsoensrakkers er niet van om ze uit de schoolbibliotheek te weren: de personages in Potter gehoorzamen hun ouders immers niet en stelen zelfs zelfs een auto! Kijk maar, dat komt ervan als je je met heksen inlaat.

Dreuzels zijn het echter, die daarom Potter de deur wijzen. Bekrompen geesten met een chronisch gebrek aan fantasie. De verhouding van christenen tot heksen lijkt me bovendien historisch zo belast, dat de rollen nu toch wel eens een keer mogen worden omgedraaid. Laat ze nu maar eens naar hartelust hun bezems berijden! In 'Harry Potter en de gevangene van Azkaban' pareert Rowling de kritiek van christelijk rechts op de enige manier waarop je het kunt doen: met ironie. Harry leest daar in zijn 'De Geschiedenis van de Toverkunst': ,,In de Middeleeuwen waren niet magische mensen (beter bekend als Dreuzels) doodsbang voor toverkunst, maar slecht in het herkennen ervan. De weinige keren dat ze werkelijk een heks of tovenaar wisten te grijpen, had de brandstapel bovendien geen enkel effect. De heks of tovenaar sprak een simpele Blusbezwering uit en deed of hij of zij krijste van de pijn, terwijl ze in werkelijkheid alleen een zacht gekietel voelden. Bertha het Buitenbeentje vond de brandstapel zelfs zo lekker dat ze zich, in diverse vermommingen, maar liefst zevenenveertig keer liet verbranden.''

Wat mij betreft wordt Harry Potter verplichte kost op christelijke scholen. Voor de levensbeschouwelijk ingestelde lezer leveren de avonturen op Zweinstein ruim stof voor een vruchtbare meditatie over de Grote Zaken des levens.

De magische wereld lijkt op het eerste gezicht een compleet andere, waarin geen enkele regel geldt die ook in ons gewone bestaan van kracht is. Beide worden ook strikt gescheiden gehouden. In Zweinstein heerst een tegenwereld waarop de wetten van de causaliteit geen vat hebben. Gsm's en radio's werken er niet, want er zit too much magic in the air. Het meest opvallende in de toverwereld is het ontbreken van elke vorm van techniek. De bewoners van Zweinstein vervoeren zich bij voorkeur per bezemsteel, of nemen een snufje Brandstof en vertrekken dan met een licht plofje naar de gewenste bestemming. Brieven worden per uil verzonden. Tijd en ruimte zijn, voor wie handig een toverstok weet te hanteren en goed heeft opgelet bij de lessen Toverspreuken, geen enkel obstakel meer. Techniek, dat is maar behelpen, vinden ze op Zweinstein. 'Echt ingenieus, al die manieren die Dreuzels hebben bedacht om een leven zonder toverkunst toch draaglijk te maken.' Het resultaat is een vermakelijke wereld, waarin mensen niet meer - zoals Francis Bacon het wezen van de techniek ooit omschreef - 'de materie hoeven te gehoorzamen, om over haar te kunnen heersen'.

De wereld van Zweinstein is een antiwereld, die door zijn archaïsch karakter bij de hightech-lezer een veel sterker vervreemdend effect sorteert dan de sciencefiction. Die kan immers geen andere wereld meer bieden, omdat nagenoeg elke fictie inmiddels al gewoon 'science' is geworden.

Toch is de magische wereld ons veel vertrouwder dan we dachten. Is magie zelf ook niet ooit als prille, onbeholpen vorm van techniek begonnen? In Potters wereld blijft de toverkunst wel eens in gebreke en wordt er soms met nauwelijks verholen jaloezie naar roltrappen en telefoons gekeken. Het zich verplaatsen per Toverbrandstof blijkt ook nogal turbulent en weinig comfortabel te zijn, reden waarom Harry moet erkennen dat het 'niet mijn favoriete manier van reizen is'. Post versturen per uil is en blijft een risico, vooral als je uil oud en zwak geworden is, en onder elke verre tocht lijkt te kunnen bezwijken. E-mail is dan toch betrouwbaarder. Wie goed toekijkt, merkt dan ook dat de Potter-magie eigenlijk gewoon de Dreuzeltechniek kopieert, in plaats van zich als soeverein alternatief daarboven te verheffen.

Ook in ander opzicht blijkt Zweinstein bij nader inzien een karikaturale kopie van onze wereld. Kleur- en contrastrijker dan de grijze Dreuzelwereld, dat wel, net als de kleding van de tovenaars en heksen die in felgroen en knalpaars over straat gaan. Maar toch gelden daar dezelfde waarden en normen als bij ons. Goed en kwaad zijn in hun schrille tegenstelling en hun heftige onderlinge strijd in de Potter-wereld meer zichtbaar en voelbaar, maar goed wordt nog steeds 'goed' genoemd en kwaad 'kwaad'. Vriendschap en jaloezie, trouw en verraad, ambitie en ijdelheid - ze spelen een even grote rol in de toverwereld als in de onze. Gladianus Smalhart (die met veel brille zijn nieuwste boek: 'Mijn betoverende ik' presenteert en signeert), de ambitieuze klassenoudste en carrièrejager Percy Wemel, het ijverigste meisje van de klas Hermelien Griffel, de roddeljournaliste Rita Skeeter van de Daily Prophet -, we herkennen ze meteen. En al heet je Harry Potter en heb je met de NIMBUS 2000 een supersnelle bezemsteel: als het geupgrade model NIMBUS 2001 uitkomt, wil je die natuurlijk berijden.

De wereld van Harry Potter is dus geen andere dan de onze. Hij biedt ons ook geen metafysische vluchtroute. Hij leert ons hoogstens de verhoudingen in de gewone wereld scherper te zien.

Ook al vervult Harry Potter in het verhaal een religieuze rol, hij komt niet wonderlijk uit de hemel vallen. Hij is en blijft een moderne messias, een redder 'van onderen'. Zijn magisch universum kent wel spoken en geesten, maar geen goden en engelen meer. De hemel van Zweinstein is leeg. Het komt er op de mens, de mens alleen aan. ,,Er is geen goed en kwaad, alleen macht en mensen die te zwak zijn om die te grijpen.''

VERVOLG OP PAGINA 48

Harry huilt nog niet

VERVOLG VAN PAGINA 47

Ook al lijkt Harry Potter de speelbal van een wirwar aan anonieme krachten en machten, inzet en slachtoffer van een conflict waarvan de regie elders lijkt te worden gevoerd, het is een strijd tussen mensen, en de uitkomst ervan is uiteindelijk van Harry's moed en onverschrokkenheid alleen afhankelijk. Hij is de kinderkampioen van de Verlichting. Het kwaad, gepersonifieerd in de schim Voldemort, wordt door iedereen verhullend en ontwijkend aangeduid met: Je Weet Wel, of met: Hij Wiens Naam Niet Genoemd Mag Worden. Harry daarentegen, is de enige en eerste die hem voluit met zijn naam aanspreekt. 'Je moet de dingen bij de naam noemen'. Achter die mythische gestalte blijkt ten slotte een studievriend van zijn vader schuil te gaan, die hem uit rivaliteit en machtsbelustheid heeft vermoord. Een demonisch mens, dat wel, maar een mens als alle andere. Zijn duivelskarakter blijkt alleen in de verkeerde keuzes die hij maakt en de ambities die hij nastreeft. Voldemort kan het kwaad ook alleen maar 'belichamen' door bezit te nemen van het lichaam van anderen. 'Zelf' stelt hij niets voor. ,,Ik kan uitsluitend vorm aannemen als ik een lichaam kan delen. Maar gelukkig zijn er altijd mensen bereid om mij in hun hoofd en hart toe te laten,'' zegt Voldemort. In de Harry Potter-boeken zijn goed en kwaad geen verzelfstandigde metafysische grootheden, maar kwalificaties van de beslissingen die mensen nemen en van de consequenties die zij met zich meebrengen.

De magische wereld van Zweinstein lijkt op die van Hollywood: een dualistisch universum waarin Goed en Kwaad evenredig om de voorrang strijden. Toch is Harry Potters wereld niet manicheïsch. Het leerstuk van de goede schepping uit het joodse en christelijke erfgoed is uitgangspunt. Of dat geloof, naarmate Harry ouder wordt, kan worden vastgehouden is wel de vraag; het juist gepubliceerde vierde deel eindigt zo apocalytisch, dat de lezer moet vrezen dat in het volgende deel de hel zal losbreken. Maar voor de jonge Harry Potter die we tot nog toe hebben leren kennen, berust de wereld nog op een betrouwbaar, menslievend fundament. Al wordt het goede voortdurend bedreigd, het kwaad is zijn ontkenning achteraf, niet zijn evenredige en gelijktijdige alternatief. Het goede houdt, om het schools te zeggen, het ontologisch a priori boven het kwade. Wie kwaad wil, kan zonder pardon rekenen op verbanning naar Azkaban, het gevangeniseiland waar wezens je ziel leegslurpen en je achterlaten met je ergste herinneringen.

Het kwaad wordt in de toverwereld van het kind Potter, hoe angstaanjagend en bedreigend ook, nog steeds ingesnoerd en binnen de perken gehouden. Het gebinte van de wereld kraakt wel, maar hij staat nog steeds in zijn voegen. Kwaad en goed, donker en licht zijn van elkaar te onderscheiden als dag en nacht. 'Kwaad' staat voor verraad, voor zucht naar roem en rijkdom, voor verraad van vrienden en verwanten, voor vadermoord en het verloochenen van je eigen kinderen. Voor kruiperige onderdanigheid ('Meester Voldemort, ik ben uw trouwe knecht, om u te dienen!') en opportunisme. Voor de heiligverklaring van banden van het bloed en voor racisme. 'Goed' daarentegen staat voor trouw en vriendschap, voor zelfstandigheid en onverschrokken moed. Voor de nobele edelmoedigheid van samen over de finish, respect voor de wijsheid van oudere generaties, vergevingsgezindheid. En vooral voor: het afzien van eigenbelang en het opofferen van jezelf voor anderen. Niet voor niets overleeft Harry Potter de aanslag van Voldemort op zijn leven dankzij zijn moeder, die zich voor hem opwerpt. ,,Als Voldemort iets niet begrijpt, is het liefde. Hij beseft niet dat een liefde die zo sterk is als die van je moeder een teken achterlaat. Geen litteken of iets dat van buiten zichtbaar is. Als iemand zo van je heeft gehouden, blijft dat altijd een soort bescherming geven, ook als die persoon er niet meer is.''

Waar het Voldemort uiteindelijk om te doen is? ,,Je weet wat mijn doel is: de dood overwinnen.'' Voldemort, de man die met slangen spreekt, is als de boze tegenspeler uit het paradijsverhaal in Genesis, die de verleiding om onsterfelijk te zijn, 'als God te zijn' (Gen. 3,5) zijn in de wereld brengt. Harry Potter voegt zich echter in het beleid van de wijze Perkamentus die, wanneer Harry de Steen der Wijzen heeft gevonden die hem eeuwig leven en rijkdom zou kunnen verschaffen, de Steen laat vernietigen. Op Harry's tegenwerping dat mensen dan toch doodgaan, antwoordt hij: ,,Zo'n jong iemand als jij kan zich dat natuurlijk niet voorstellen, maar dan is het net alsof mensen naar bed gaan na een heel lange dag. Voor de goed geordende geest is de dood tenslotte gewoon het volgende grote avontuur. Eigenlijk was die Steen helemaal niet zo fantastisch, weet je. Net zoveel geld en leven als je maar wilt! Precies de twee dingen die de meeste mensen zouden kiezen - het probleem is alleen dat de meeste mensen nou net die dingen kiezen die het slechtst voor ze zijn.''

In deze wereld van macht en ondergang vervult Harry Potter zijn messiaanse rol. Hij is ervoor in de wieg gelegd. Als onschuldig kind in de armen van zijn moeder maakt hij Voldemort krachteloos, door zijn doodsvloek te overleven. Zijns ondanks, want hij weet waarachtig niet waaraan hij die macht te danken heeft. Opgegroeid in het gezin van een kantoormuis op een drilborenfabriek - maar het had ook een timmerman kunnen zijn. ,,Een tovenaar? Hij? Dat was toch onmogelijk? Hij was zijn hele leven afgerammeld door Dirk en gekoeioneerd door tante Petunia en oom Herman; als hij echt een tovenaar was geweest, zouden ze toch direct in wratterige padden zijn veranderd als ze geprobeerd hadden hem op te sluiten in de bezemkast? Als hij de grootste tovenaar ter wereld had verslagen, waarom had Dirk hem dan altijd kunnen schoppen en trappen alsof hij een voetbal was?' De ware status van deze lijdende knecht is echter pas in de ogen van anderen duidelijk. De verschoppeling Dobby, een uitgebuite huis-elf, onderkent met een welhaast jesajaanse retoriek het heil dat Harry heeft gebracht: ,,Als hij eens wist wat hij betekent voor ons, het gepeupel, de slaven, het uitvaagsel van de toverwereld!'' Dobby weet nog goed hoe het was toen Hij Die Niet Genoemd Mag Worden op het toppunt van zijn macht was! ,,Harry Potter bleef leven en de macht van de Heer van het Duister werd gebroken en das was een nieuw begin. Harry Potter was een baken van hoop voor iedereen die dacht dat er geen einde zou komen aan de Donkere Tijden...'' We horen het evangelie (Joh. 15, 13) klinken, als Dobby kreunt: ,,Harry Potter zet zijn leven op het spel om zijn vrienden te redden.''

Nu is Dobby een simpele ziel, die de religieuze volkstaal bezigt. Dat hoor je zelden in Harry Potters geseculariseerde naaste omgeving. Hij vervult daar ook een messiasrol, maar dan herkenbaar voor moderne mensen. Hij is als de Christusfiguur van Immanuel Kant: de belichaming van 'het ideaal van de mensheid'. Hij komt niet als een goddelijke figuur uit de hemel neerdalen, maar neemt als mens van onderop zijn medemensen mee in het zog van zijn moeizaam, maar zelf verworven volmaaktheid. Hij weet van goed en kwaad beide, hij kent de verleidingen van het boze maar al te goed. Maar uiteindelijk overwint hij op eigen kracht het kwaad. Harry Potter is daarom ook zo'n intrigerende figuur, omdat hij niet alleen 'goed' is. Hij is geen heilig boontje, en draagt een fundamentele ambivalentie met zich mee. Hij wordt als nieuweling ingedeeld bij de 'goede' groep Griffioendor, maar had ook net zo goed bij het 'slechte' Zwadderich terecht kunnen komen. Zijn toverstok blijkt uit hetzelfde hout gesneden te zijn als die van Voldemort. En ook Harry verstaat, net als zijn tegenspeler, de kunst om met slangen te spreken. In een van de cruciale confrontaties met Voldemort krijgt Harry dan ook te horen 'dat hij op hem lijkt', en dat Voldemort 'een deel van zijn eigen macht op hem over heeft gebracht'. Harry twijfelt wanhopig aan zijn identiteit, heen en weer geslingerd tussen hel en hemel. Zou hij, net als de jonge Jezus, veertig dagen door de duivel in de woes tijn zijn verzocht, dan stond de uitkomst niet van tevoren vast. Heeft Harry Potter niet evenveel deel aan het kwade als aan het goede? De identiteitsvraag wordt echter modern. Niet de afkomst bepaalt het ik van mensen, maar de levensweg. ,,Uit onze keuzes blijkt wie we zijn, veel meer dan uit onze talenten.'' Niet zijn genen, maar zijn zelfstandig, onverschrokken handelen maakt Harry Potter tot de ideale mens die hij is. Zijn verlossersrol is voorlopig en plaatsbekledend: het is immers de bedoeling dat wij allemaal tenslotte ons net zo mondig door de verschrikkingen van het leven heen slaan als hij.

Harry Potter, een moderne messias. Geen postmoderne. Het relativisme en nihilisme, het in elkaar overlopen van licht en donker dat eigen is aan het postmodernisme, is hem vreemd. De filosoof waarmee we hem vooral kunnen associëren is Kant, niet Nietzsche. In Zweinstein worden we wel voortdurend op het andere been gezet: aanvankelijk licht blijkt later donker, vrienden blijken vijanden, verraders blijken uiteindelijk vertrouwelingen. En omgekeerd. Zo ontpopt de verschrikkelijke gevangene Sirius Zwarts, ontsnapt uit Azkaban, veelvoudig moordenaar en verrader van zijn vader, zich in 'De Vuurbeker' als Harry's geliefde peetvader, die hem bijstaat in nood. De bordjes van waarheid en leugen, werkelijkheid en schijn worden schijnbaar voortdurend verhangen. Dat oogt postmodern. Maar in het Potter-universum mag de waarheid dan niet evident zijn, zij wordt niet, zoals bij Nietzsche, afgeschaft. Aan het eind van elk Potter-deel komt er een ontknoping waarin, als in een heuse detective, even uit de doeken wordt gedaan hoe het werkelijk zit. Dat is dan meestal 'precies andersom' dan we aanvankelijk dachten. De verhoudingen tussen waarheid en leugen worden, als is het maar voor een moment, weer hersteld. Dat houdt Potter modern: ook al tuimelen de werelden over en door elkaar heen, er is uiteindelijk ruimte voor het onderscheid tussen schijn en wezen, dat in het postmodernisme niet meer wordt erkend. De enige manier voor Harry Potter om erachter te komen wat dan precies waarheid en wat schijn is, is nog steeds die van een ouderwetse Verlichtingsfilosoof: je eigen verstand gebruiken. ,,Vertrouw nooit iets wat zelf kan denken als je niet kunt zien waar zijn brein zich bevindt.'' Hij redt het er voorlopig mee.

Harry Potter is nu dertien. Zijn horizon verbreedt zich, de wereld blijkt groter te zijn dan Zweinstein. Harry drinkt nu Boterbier in De Drie Bezemstelen en krijgt oog voor vrouwelijk schoon. Maar behalve vlinders in zijn buik, voelt hij ook steeds meer de pijn van zijn litteken. Hij wordt wijzer, maar het kwaad wordt grimmiger. Er vallen nu ook echt doden onder Harry's vrienden. Voldemort rukt op. De goede schepping kraakt in al haar voegen, apocalyptische tijden lijken aan te breken. ,,Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.'' (1 Petr. 5, 8) Is Harry, geharnast met de uitrusting van de moderne autonome rede, er wel op gebouwd hem op den duur te weerstaan?

'De Vuurbeker' heeft een open einde dat weinig goeds belooft. Zelfs het Ministerie van Toverkunst, tot nog toe het regiecentrum van Harry's toverwereld en, hoe het op Zweinstein ook spookte, de garantie van de ultieme goedheid van zijn schepping, lijkt niet langer betrouwbaar te zijn. De Minister sluit zijn ogen, onderkent de dreiging van het kwaad niet in haar ware proporties. Zelfs in het hart van de verlichte wereld rukt zo het donker op en dreigt het goede te onttronen. De grens tussen het redelijke en het onzinnige, hét geloofsartikel van de verlichte geest, lijkt te vervagen. In 'De Vuurbeker' wordt er opvallend veel aan het gezonde verstand getwijfeld. En een heel slothoofdstuk lang is een waanzinnig geworden Barty Crouch aan het woord. Bij hem is de horizon die waarheid van illusie, goed van kwaad scheidde, als met een spons uitgewist. Nietzsche's toller Mensch lijkt in de Potter-boeken ten slotte toch nog het woord over te nemen van Kants autonome rede. Immanuel Kant mag dan wel over het radikal Bose geschreven hebben, maar heeft hij het ooit recht in het gezicht gezien? ,,Nadert niet steeds meer nacht en nacht?'', lezen we in 'Die frohliche Wissenschaft'. We hadden het ook bij de kinderboekenschrijfster Joanne Rowling kunnen lezen. De Potter-fan moet zijn hart vasthouden. Harry Potter heeft in geen van zijn avonturen tot nog toe gehuild. Hij is flink en verstandig, hij wel. Maar hoelang nog?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden