Haringvliet wordt wellicht weer zilte zeearm

ROTTERDAM - De ingenieurs wisten al geruime tijd vóór de afsluiting van de zeegaten dat de gevolgen ingrijpend, zo niet desastreus zouden kunnen zijn voor de natuur. “Het dynamische karakter van het Deltagebied zal misschien niet geheel, maar dan toch grotendeels verloren gaan”, luidde een waarschuwing op een conferentie over de Deltaplannen in 1955. Maar de marsroute was onomstreden: een muur van Deltadammen voor de veiligheid, met als neveneffect het afweren van de zorgwekkende 'verzilting' van de bodem in laaggelegen Nederland.

HUIB GOUDRIAAN

Zo konden in 1970, na een karwei van twaalf jaar, onder meer de sluizen in de Haringvlietdam worden geopend. Door de zeventien sluisopeningen vloeit sindsdien alleen zoet water naar buiten, naar de Noordzee. De reusachtige deuren blijven bij vloed dicht waardoor paal en perk wordt gesteld aan de vroegere 'zouttong', het gestadig opdringen van brak water in de benedenrivieren en - via bemaling - in de polders.

Van levensbelang was en is dat de Haringvlietdam de veiligheid garandeert als waterkering. Dat was de hoofdzaak na de traumatische ervaring van de watersnoodramp in 1953. Daarnaast functioneerden de sluizen als regelkraan voor de waterstand in de Biesbosch en de benedenloop van Rijn en Maas. Meegenomen was dat door dam en Haringvlietbrug het vroegere eiland Goeree Overflakkee uit zijn isolement werd verlost.

Pas in de jaren tachtig kreeg de samenleving, dus ook Rijkswaterstaat, echt oog voor de gecompliceerde samenhangen in de natuur, voor 'duurzame ecosystemen' die met het Deltaplan verloren gingen. De nadelen van het huidige beheer, in de nu vijfentwintig jaar van de zee afgesloten Haringvliet, begonnen sterker op te vallen:

- zoogdieren, vogels, vissen en planten die leefden op de grens van zoet en zout water zijn verdwenen;

- door het wegvallen van eb en vloed klotst het water steeds op dezelfde plaatsen tegen de oevers met als gevolg oeverafkalving;

- het verdwenen getij veroorzaakte ook enorme hoeveelheden (verontreinigd) rivierslib op de bodem van Haringvliet en Hollandsch Diep.

Het was geen geheim dat Rijkswaterstaat op plannen broedde de Noordzee meer speelruimte te geven. Maar vorige week, op 24 december, alsof de gedachte onder de kerstboom was geboren, liet waterstaat weten dat in de toekomst de sluizen mogelijk veelvuldiger open kunnen, bij eb zowel als vloed. Want de in maart 1997 genomen proef met het inlaten van zout water in het Haringvliet blijkt te zijn geslaagd.

Een milieu effect rapportage (Mer) naar de gevolgen van een herstelde of deels herstelde getijdenbeweging wordt binnenkort verwacht, waarna een inspraak- en voorlichtingsronde begint. Drs. J.C. van Hees, fysisch geograaf bij Rijkswaterstaat in Rotterdam, projectleider van de Mer zegt: “Wij streven naar een estuarium, een riviermonding met het daarbij passende dieren- en plantenleven. In een estuarium zoals het Haringvliet vóór de afsluiting was, heerst een vloeiende overgang van zout naar zoet, een brak waterzone.” De kernvraag voor de Mer-onderzoekers is: wat zijn de effecten van een meer openen van de sluizen voor de natuur én voor betrokkenen als de waterschappen, de landbouw, de recreatie en de drinkwaterwinningsbedrijven? Jos van Hees: “Nu worden de sluizen alleen geopend om zoet rivierwater uit te laten. Maar om de getijbeweging terug te krijgen zullen de sluizen bij vloed open moeten, dus open voor de zee. Dit is de enige manier om duurzaamheid, het natuurlijk systeem van een estuarium terug te krijgen.”

“Door het huidige beheer is de dynamiek van een dagelijks getij op het Hollandsch Diep met een uitstraling tot ver in de Biesbosch weg, evenals de kraamkamer voor de vis. Voor trekvissen als zalm en forel is er nu naast de fysieke barrière van de sluizen, de abrupte overgang van zoet naar zout als de sluizen opengaan. Ze kunnen dan niet acclimatiseren. Vanuit zee kunnen ze niet met een behoorlijk getal naar binnen doordat de stroom zich dan naar buiten beweegt. Dezelfde sterke stroming van de zoetwatergolf naar buiten neemt massa's zoetwatervissen mee. Die kunnen bij sluiting van de sluizen, als de stroom weer binnenwaarts gaat, niet terug en sterven.”

Hield Rijkswaterstaat in het verleden niet wat minder rekening met natuurbeschermings- of ecologische belangen? Van Hees: “In de Derde Nota Waterhuishouding (1989) werd de vraag al gesteld: kunnen we de zeegaten niet verder openzetten? Trouwens, al vóór de uitvoering van het Deltaplan werden de negatieve gevolgen van de afsluiting van de zeegaten onderkend. Maar aan die aspecten is in die tijd minder zwaar getild. Er was daarover minder bekend en het veranderde denken in de samenleving over het milieu kwam pas later, ook bij Rijkswaterstaat. De grote rivieren zijn inmiddels aangewezen als onderdeel van de landelijke groene zone met de naam ecologische hoofdstructuur. Maar nog steeds staat er tussen de zee en de rivieren die barrière, die abrupte overgang zoals achter de Haringvlietsluizen.”

In de bijna afgeronde Mer hebben Jos van Hees en zijn medewerkers de verschillende mogelijkheden voor beheer van de sluizen op een rijtje gezet. “Er zijn vier alternatieven, waarvan we de consequenties met computermodellen in beeld brengen. Twee extreme modellen: het huidige beheer, waarbij de sluizen bij vloed altijd dicht zijn, alleen bij een bepaalde waterstand van de rivieren op zee wordt geloosd; en het zogeheten stormvloedkeringsalternatief. Hierbij fungeren de sluizen als stormvloedkering, staan ze bijna altijd voluit open en gaan ze alleen dicht bij zware storm.” Het Haringvliet is in dit model verzilt en vooral de benedenrivier Hollandsche IJssel kampt met een extra zoutgehalte. “Tussen deze uitersten zijn er twee andere mogelijkheden: het gebroken getij-alternatief en het getemd-getij-alternatief, namen die op zich al iets zeggen. In het eerste geval staan de sluizen ongeveer 40 procent van de tijd voor een gedeelte open, terwijl in het tweede geval de sluizen 95 procent van de tijd gedeeltelijk open staan.”

De Mer-onderzoekers verwachten dat met dit model de oorspronkelijke natuur wordt hersteld, er een 'duurzaam watersysteem' komt. Nadelig is wel dat er dan meer rivierwater via het Haringvliet naar zee zal stromen, en minder via de Nieuwe Waterweg. Als gevolg hiervan kan via de Nieuwe Waterweg de oude vijand, de zouttong, opnieuw opdringen naar de Hollandsche IJssel. En dat terwijl een groot deel van Zuid-Holland op die rivier is aangewezen voor zoet water in de polders. “Voorop staat dat, tot welke aanpak de minister ook besluit, alles in een stappenplan zal gebeuren. Voor die eventuele zouttong zullen oplossingen moeten worden gevonden. Dit probleem heeft toch al onze aandacht, omdat zeespiegelstijging en bodemdaling leiden tot verdere verzilting.”

Het huidige continu meten van het zoutgehalte zal bij meer openen van de sluizen nog worden uitgebreid: naar een (verplichte) monitoring. En de veiligheid, komt die niet in gevaar? “Nee, de Haringvlietsluizen gaan dicht bij storm, zoals de Stormvloedkering Nieuwe Waterweg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden