Hardlopen is verschrikkelijk (leuk)

Na twee jaar blij te hebben rondgerend is Anniek van den Brand, ergens onderweg, de lol in hardlopen verloren. Want ineens moest ze van alles. Hoe vind je het plezier terug?

Wie mij twee jaar geleden had verteld dat ik ooit 16 kilometer zou kunnen rennen, had ik voor gek versleten. Twee jaar later waren niet zozeer die 16 kilometer het probleem, maar was ik ongelukkig omdat ik daar bijna twee uur over deed. Twee jaar geleden zou ik dan hebben gedacht dat ik niet goed bij mijn hoofd was.

En toch was dat precies wat er gebeurde.

Twee jaar geleden las ik een artikel van een journaliste die was begonnen met hardlopen. Ze was verre van sportief, maar wilde graag wat kilo's kwijt en wat meer conditie, en ze was tot het inzicht gekomen dat rennen misschien zo'n slecht idee niet was. Dus had ze een app op haar smartphone gezet met een Amerikaanse bootcampinstructeur die haar met zware stem toeschreeuwde wanneer ze moest rennen en wanneer ze mocht stoppen.

Geheel tegen haar verwachting was ze het leuk gaan vinden. Tot haar verbazing kostte het haar nauwelijks moeite om drie keer per week te trainen. En tot haar verrassing kon ze na acht weken 5 kilometer rennen zonder stoppen.

Dat wilde ik ook.

Ik laadde de app 'Van de bank naar 5 kilometer', maar dan in het Engels. Want hee, als zíj het kon, dan waren de wonderen wellicht de wereld nog niet uit.

Onder in de kast vond ik een sport-bh uit het jaar nul, een T-shirt, een zweetband en een korte broek van mijn man. In mijn oor baste de Amerikaan: "Stop walking, start running!"

Mijn eerste kilometers rende ik blootvoets op de bijna nieuwe hardloopmachine die mijn man ooit voor een prikkie had overgenomen van de buurvrouw, en die ik al jarenlang als wasrek had gebruikt.

Omdat de loopband na een minuut of vijf te warm werd aan mijn voeten, trok ik sokken aan. "Je ziet er heel raar uit", zei mijn zoon, die me na tien minuten transpirerend maar glimlachend op de bank zag vallen.

"See you in a couple of days", had de Amerikaan gezegd.

"See you in a couple of days", zei ik terug. En ik meende het ook nog.

Mijn zus rent, mijn collega's rennen, mijn grote stiefdochter rent - en iedereen rende al veel langer (en dus beter) dan ik.

Ik moest weg van die loopband naast de wasmachine, zeiden ze, ik moest naar buiten. Ik was bang dat ik zou vallen, buiten, want al sinds mijn kinderjaren struikel ik over zowat elke kiezel die voor mijn voeten komt. En inderdaad: de eerste keer ging ik onderuit. Over een putdeksel.

Maar ik vond het ook fijn.

Ik zag bomen en gras, wolken en struiken, ik voelde de wind in mijn haren, mijn voeten op de grond, ik rook aarde en mest, en ik kon me niet heugen dat mijn wangen zo gloeiden. Ik rende. Blij als een kind.

Als ik drie dagen niet had gerend, werd ik narrig: ik wilde de hardloopschoenen aan die ik had gekocht, en hup, naar buiten!

We waren inmiddels een maand of negen verder, de zomer liep op z'n eind, en mijn grote stiefdochter had een plan. We zouden meedoen aan een dameshardloopwedstrijd van 6,4 kilometer, zij en ik. Zo ver had ik nog nooit gerend, maar ik dacht: ach, doe eens gek. Dus ik zei: ik doe mee.

En zo rende ik op een nazomerse zondag met vijfduizend andere dames een rondje door Amsterdam. Ik rende samen met gehoofddoekte islamitische meiden, met meiden die net een chemokuur achter de rug hadden, met vriendinnenclubjes in dezelfde T-shirts, met oude vrouwen, met meisjes, en ik voelde de kracht van dames die allemaal eenzelfde kant op willen. Ik werd gedragen door de klanken van de bands langs de kant, door de aanmoedigingen vanaf bruggen. Ik was ontroerd en gelukkig. Met al die dames, met al die mensen, met mijn gezondheid, met die benen die me droegen.

Voortgestuwd door optimisme liep ik harder dan ik ooit had gelopen. Of beter: ik had daar nooit een gedachte aan gewijd, maar toen ik zag dat ik in een uur 10 kilometer had gerend, was ik trots. Fier hing ik mezelf de medaille om en ging op weg naar huis.

Op het station kwam ik een vrouwelijke collega tegen, van wie ik wist dat ze niet zo heel veel langer hardliep dan ik. Trots liet ik haar mijn medaille zien. Van onder haar trui haalde zij er ook een tevoorschijn. Het was een andere. Zij had niet 6,4 maar 16 kilometer gerend.

Ik kon maar één ding denken: ik moet volgend jaar ook die 16 doen. Moet, ja.

En zo geschiedde.

Afgelopen september stond ik aan de start van de 16 kilometer. Na 7 kilometer dacht ik dat ik ziek werd, en dat gevoel hield een kilometer of 4 aan. De tocht duurde eindeloos. Ik vond de bands langs de kant stom en het publiek niet meelevend genoeg. Het was mijn eer te na om te stoppen maar het liefst had ik dat gedaan.

Toen mijn zus, die een heerlijke wedstrijd had gehad, uitgelaten vroeg of we volgend jaar weer gingen, zei ik: natuurlijk - om de sfeer niet te bederven. Maar ik dacht: ik loop nooit meer, ik stop.

"Hardlopen is een mindfuck", zegt mijn grote stiefdochter als ze terugkomt van haar eerste halve marathon. Ze heeft 'm uitgelopen, maar daarmee is alles gezegd. Het lag niet aan de training, het lag niet aan haar conditie. Een paar weken tevoren had ze nog min of meer per ongeluk bijna 23 kilometer gerend. Ze was gaan hardlopen zonder plan. Het ging lekker. De zon scheen. De vogels floten. Ze dacht: ik pak die bocht nog even mee, en ach, waarom die volgende niet ook. Toen ze thuis kwam, stond er bijna 23 kilometer op haar tellertje.

Maar tijdens de wedstrijd was ze geen moment ontspannen geweest. Ze had haar hoofd niet kunnen stilzetten. Ze had zichzelf ontmoedigd door te denken dat ze 'nog niet eens op de helft' was, of 'pas net erover'.

Ze had zich laten afleiden door mensen die haar voorbij renden.Ze verloor zich in overpeinzingen; ik loop te hard, ik loop niet hard genoeg, ik had in het begin niet zo hard moeten lopen, ik had in het begin meer kilometers moeten pakken.

Marion Meesters loopt al twintig jaar hard, en is instructeur ChiRunning. ChiRunning is een combinatie van hardlopen en Tai Chi, de oude vechtkunst waarbij efficiënt bewegen centraal staat. Bij ChiRunning worden de bewegingsprincipes uit Tai Chi toegepast op hardlopen. Kort en goed komt het erop neer dat Marion Meesters je leert om je aandacht te richten op het enige dat er toe doet als je hardloopt, namelijk: hardlopen.

Dit is, in het kort, wat ik haar mail: ergens onderweg ben ik mijn plezier in rennen verloren. Kun je me helpen?

Op een druilerige winterochtend staat Marion Meesters voor me, aan de rand van de duinen. Ze wil dat ik me voorstel dat er een rechte lijn door mijn lijf loopt, als een satéprikker die bij mijn hoofd begint en die er onder mijn voeten pas weer uit komt. Door het midden van mijn hoofd, mijn bekken, mijn voeten. De prikker is onbuigzaam en houdt de boel bij elkaar. De rest is ontspannen; schouders, billen, rug, benen, voeten. Mijn armen houd ik als een soort kippenvleugeltjes tegen me aan.

Ze wil dat ik me voorover laat vallen, met mijn schouders tegen haar opgestoken handen, strak als die satéprikker waarover ze het had, en dat ik in die val pas een stap maak.

Ze wil dat ik mijn voeten voel, dat ik ze breed maak, dat ik voel hoe ik op zes punten sta, met mijn tenen uit elkaar. En dat ik mijn voeten van de grond losmaak als postzegels van een stickervelletje, en ze zo ook weer neerzet - vloeiend, niet stampend.

Ze wil dat ik de weg niet langer zie als een vijand die ik moet aanvallen en bedwingen, maar als een lopende band die me vooruit helpt. Ze wil dat ik voel dat ik de kracht van de stap die ik zet kan gebruiken voor de volgende stap, hoe ik kan voorkomen dat ik mezelf afrem, elke keer dat mijn voet de grond raakt.

Ze wil dat ik kleine, snelle passen maak, en mijn voeten niet te ver voor me neerzet, maar net onder mijn schouder. Ze wil dat ik luister naar de metronoom die het loopritme aangeeft - tik, tik, tik, tik.

En als het me duizelt, legt ze het me geduldig nog een keer uit.

En als ik mag rennen, als ik dan eindelijk mag rennen, en mijn hoofd recht op mijn romp probeer te houden, en mijn armen goed tegen mijn lijf, en mijn voeten niet te ver naar voren, en de passen klein genoeg, en de satéprikker probeer te voelen, en mijn voeten breed maak, dan voel ik ineens weer de pret opborrelen van onder in mijn buik.

Afstanden, opbouwschema's, finishtijden - daarmee heeft het allemaal niets te maken.

Ik ren, en dat is het enige wat ik doe: rennen.

Met op mijn gezicht een lach van oor tot oor.

Marion Meesters

Marion Meesters schreef het boek 'De kracht van ChiRunning', waarin ze uitlegt wat de hardlooptechniek inhoudt. In het boek staan hardlooptips, aanvullende informatie en uitleg over de training. Het boek kost 15 euro.

Marion Meesters trainde duizenden hardlopers geeft internationale instucteursopleidingen en is runningtherapeut. Je kunt bij haar een- of meerdaagse workshops doen. Een cursusdag van zeven uur kost ongeveer 115 euro. Kijk op www.chirunning.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden