Harde wereld, softe leiding

Groepsleiders worden uitgescholden en voortdurend dreigt geweld. Maar de aanpak van de criminelen in de jeugdgevangenis riekt naar geitenwollen sokken, ontdekte schrijver Willem Oosterbeek. Hij verbleef drie maanden in een jeugdinrichting. „Dit kan niet zo."

’Ik ben geschrokken’, is de eerste reactie van Willem Oosterbeek (54). Krap drie maanden was hij in een jeugdgevangenis in Den Helder. „Ik ging er natuurlijk vanuit dat het geen brave kinderen zouden zijn, maar de werkelijkheid is nog veel rauwer, grover en harder dan ik me had voorgesteld.”

In een Amsterdams café blikt hij terug op de laatste maanden van vorig jaar, die hij doorbracht in De Doggershoek, een van de veertien justitiële jeugdinrichtingen in Nederland. De 144 jongeren daar –84 jongens en 60 meisjes tussen de 12 en 18 jaar– hebben verschillende en vaak zware misdrijven op hun geweten, soms zelfs moord.

’Groepsleiders zien de jongeren als slachtoffer, niet als dader, zij vinden ze zielig’

Ze worden er opgevangen, maar ook heropgevoed. Van dat laatste komt echter „maar in zeer beperkte mate” iets terecht, merkte Oosterbeek, politicoloog, historicus en nu werkzaam als freelance journalist.

Hij werd anderhalf jaar geleden door De Doggershoek benaderd om een boek over de instelling te schrijven. Dat verschijnt deze week. „Het was een unieke ervaring, want ik kreeg alle vrijheid om informatie te verzamelen, mocht overal bij zijn en kon met iedereen praten.”

De jongeren waren in het begin wantrouwend, maar later accepteerden de meesten hem. „Ze konden heel aardig zijn. ’Hé Willem, hoe is het, man.’ Of ze gingen speciaal voor mij koffie zetten. En humor hadden ze ook. Dan vroeg zo’n jongen: ’Hoe oud ben je, Willem?’ ’53’. ’Dan ben je bijna dood, man’.”

Er zijn in De Doggershoek 7 jongens- en 5 meisjesgroepen, die strikt gescheiden leven. Maar ze gaan wel samen naar school en ontmoeten elkaar op dansles of bij het gesprek met de imam. Tussen beide seksen is een voortdurend spel van aantrekken en afstoten gaande. „Jongens behandelen de meisjes alsof het consumptiegoederen zijn. Ze zijn puur op seks gericht en ook in hun uitlatingen ongekend seksistisch.”

De onderlinge haat en nijd in meidengroepen is anders dan bij de jongens, waar vooral continu een fysieke geweldsdreiging heerst en waar geregeld klappen vallen. De meiden spelen eerder gemene en venijnige spelletjes met elkaar. Velen hebben weinig eigenwaarde en laten met zich sollen door de jongens.

Ook tot Oosterbeek zochten meiden toenadering. „Een van die meisjes, vijftien jaar oud, kwam aanlopen met een slipje. ’Vind je deze mooi?’, vroeg ze. Een ander raakte mij bij de eerste kennismaking meteen aan, dat vond ik ook raar.”

De meerderheid van de jongeren is allochtoon. Er is een heldere pikorde in iedere groep, merkte hij. Hij beschrijft de 16-jarige Norman, een Antilliaan. „Norman is de grote baas. Dat gaat heel ver. Niemand kan zich anders gedragen dan Norman wil. Als hij dit of dit op de televisie wil zien, wordt daarnaar gekeken. Als hij wil tafelvoetballen, moeten degenen die daar al bezig zijn meteen opkrassen.”

Maar, constateerde Oosterbeek, ook de groepsleiders zijn niet ongevoelig voor het leiderschap van Norman. „Zo had Norman een fiets. Je mag helemaal geen fiets hebben en je kan er net een rondje fietsen. Maar Norman had er een: hij toonde daarmee zelfs de groepsleiding de baas te zijn.”

Oosterbeek bewonderde de inzet van de groepsleiders, die de heropvoeding „van deze heel lastige gastjes” ter hand moeten nemen. „Ze worden voor ’kankerhoer’ of ’tyfushomo’ uitgemaakt, maar blijven geduldig. Ze worden bijna fysiek bedreigd, maar weten kalmte te bewaren. En ze blijven gemotiveerd aan het werk.”

Maar hij heeft ook kritiek. „Er hangt een geur van geitenwollen sokken. De aanpak is te soft.”

Een voorbeeld. „Op de deur van het kantoortje van de groepsleiding staat ’binnen na kloppen’. Jongeren denderen daar zonder kloppen naar binnen. Daar wordt niets van gezegd. Dan vraag ik me af: Waarom dat bordje dan? Ook het schreeuwen tegen en schelden op groepsleiders wordt niet echt aangepakt.”

In de Doggershoek hanteert men een aanpak van belonen. Door je netjes te gedragen en taken (afwassen, vloer vegen, etc) uit te voeren, verdient de jongere punten. Hoe meer punten, hoe meer vrijheden. Oosterbeek noemt het een prachtige methode. „Maar in de praktijk wordt het belabberd uitgevoerd.”

Dat ligt volgens hem ook aan onderbezetting. Twee groepsleiders zijn aanwezig op een groep van negen tot twaalf jongeren. „Een van die twee is vaak een vrouw en fysiek minder sterk. De jongens zijn vaak enorme beren van kerels. Als die ’nee’ zeggen, doe daar dan maar eens iets tegen. Om de lieve vrede te bewaren en de sfeer in de groep een beetje goed te houden, zijn de groepsleiders vaak inconsequent.”

De jongeren zijn gepokt en gemazeld in hun omgang met jeugdzorg en justitie. „Zoals ze binnenkomen is veelzeggend. Ik wil een tv op mijn kamer, ik wil die en die meteen bellen. Het komt erop neer dat ze alles willen en wel nu meteen en overal.”

Over de misdaden die de jongeren hebben begaan, wordt niet gesproken. „Groepsleiders willen vaak niet weten wat de kids hebben uitgevreten. Dat vertroebelt hun beeld, zeggen ze. Ze zien ze als slachtoffer, niet als dader, zij vinden ze zielig. Maar ik kom uit de wereld, en ik denk: die zitten niet voor niks hier. Ik vind dat ze strenger moeten zijn.”

Er ontstaat een band tussen de leiding en de jongeren in de groep. „Logisch, want ze trekken veel met elkaar op. Maar er wordt vervolgens door de groepsleiding ook flink geslijmd. De vraag is of de jongeren daarmee geholpen zijn.”

Wat de jongeren wel wordt bijgebracht? „Ze leren ’hallo’ zeggen als ze binnenkomen. En ’dag’ als ze weggaan. Dat is al een geweldige prestatie.”

Hij is somber over wat hij heeft aangetroffen. „Ik ben redelijk blanco aan deze opdracht begonnen, ik ben geen deskundige. Maar na drie maanden moet ik zeggen: Dit kan niet zo. Uiteindelijk keert de meerderheid terug in de criminaliteit. Er gebeurt hier te weinig voor hen en het is ook te laat.”

Willem Oosterbeek: Vet vast. Uitgeverij Inmerc; ISBN 9066114703. 18,95 euro

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden