Hapsnapmuziek in kameroperaatje 'Zeus und Elida' van Stefan Wolpe

AMSTERDAM - In de jaren twintig van deze eeuw prikkelde de jungle van de grote stad veel kunstenaars tot nieuwe artistieke daden. In hetzelfde jaar dat Alfred Döblin aan zijn grote-stads roman 'Berlin Alexanderplatz' schreef, componeerde de van origine Berlijnse componist Stefan Wolpe de muziek voor het kameroperaatje 'Zeus und Elida'.

Niet op de Alexanderplatz, maar een paar pleinen verderop, op de Potsdamer Platz, daalt in dit verhaal de Griekse oppergod Zeus vanuit zijn zetel op de Olympus neer om een geliefde te zoeken. Hij zoekt de klassieke Europa, maar vindt een hoertje uit de frivole Berlijnse jaren twintig.

In het Transformatorhuis op het terrein van de Westergasfabriek speelde zich zaterdagavond de première af van dit kameroperaatje uit 1928 van Stefan Wolpe (1902 -1972). Op gezag van het Holland Festival ging Werner Herbers, artistiek leider en dirigent van de Ebony Band door met zijn speurtocht naar vergeten, maar levensvatbare muziek uit het Interbellum.

Dat hij, met zijn voorkeur voor jazz-achtige muziek, hierbij ook ooit bij Wolpe moest belanden, mag niet verwonderen: reeds van jongs af aan had Wolpe een open oog voor de vermenging van de serieuze muziek met de amusementsmuziek.

Ook in historisch opzicht is Wolpe een belangwekkende figuur. In zijn Amerikaanse tijd - hij verliet Duitsland in 1933 om via Moskou, Wenen en Palestina in 1938 in Amerika te belanden - bleek hij een begenadigd leraar. Zo onderwees hij daar prominente avantgardisten als Charles Wuorinen, David Tudor en Morton Feldman.

Met vocale solisten als Harry van der Kamp, Romain Bischoff en Hans Aschenbach en bijgestaan door leden van het koor Capella Amsterdam, bracht de Ebony Band voor de pauze twee andere korte stukken van Wolpe. Na een schrijnende aanklacht tegen zinloos geweld en slaafse religiositeit in het door zes heren gezing-zegde gedicht 'Stimmen aus dem Massengrab' op tekst van Erich Küstner, volgde een reeks veel lichtvoetiger 'Schöne Geschichten' op tekst van Wolpe zelf.

Waar de muzikale omlijsting van het eerste werk niet zoveel om het lijf had, ontpopte Wolpe zich in deze bijdrage tot een van de zeldzame componisten die twaalftoonsmuziek met amusementswaarde wist te schrijven. De teksten, door Wolpe verzamelde voorbeelden van straathumor en -wijsheid, bleven qua niveau bij de interessante muziek ten achter. De drie solisten slaagden er evenwel voortreffelijk in de hier vereiste droogkomische toon te treffen.

In 'Zeus und Elida' was de beperkte podiumruimte omgevormd tot een klein stukje Potsdamer Platz, met dirigent Werner Herbers op een soort vluchtheuvel tegen een achterwand van affiches en een lichtkrant, waarop de tekst in het Duits mee te lezen was. Michael Kraus (Zeus), maar vooral Franziska Hirzel (Elida) wisten wel raad met de semi-concertante vormgeving van hun rol.

Ondanks hun bijdrage, de werklust van ensemble en koor en de aardige, maar beperkte enscènering, bleek de bijgecomponeerde muziek te hap-snap, zonder bij Zeus passende olympische hoogten, en de verhaallijn te pover en te zeer achterhaald om bij mij warme reacties of spontante herkenning op te wekken. De benaming 'Zeitoper' voor dit genre lijkt me dan ook juist getroffen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden