Happen naar adem in trein door Cevennen

Met de TGV vanuit Parijs ben je in drie uur in Marseille. Voor de liefhebbers van het langzame landschap is er de dieseltrein tussen Clermont-Ferrand en Nîmes.

Marijn Kruk

Voor het gefortificeerde stadje op de heuveltop dat voor ons opdoemt, heeft machinist Serge nu even geen tijd. Op de bok van zijn diesellocomotief blikt hij geconcentreerd over het enkelspoor. „Het wemelt hier van de bochten en de tunnels en ik moet mijn snelheid voortdurend aanpassen”, zegt hij.

Het loopt tegen drie uur in de middag. De besneeuwde vulkanen van de Auvergne liggen alweer een tijdje achter ons en trein baant zich een weg omhoog door de snel nauwer wordende kloof. Schuin beneden ons glinstert de Allier, een arm van de Loire.

De reis begon die ochtend 600 kilometer noordwaarts. Op het regenachtige perron van het Gare de Lyon in Parijs zucht een groepje conducteurs bij de aanblik van mijn meegebrachte fiets. Fietsen meenemen op interregionale treinen is in Frankrijk tegen betaling toegestaan, maar een zestal moutainbikes neemt de beschikbare ruimte volledig in beslag. Het eersteklas kaartje maakt gelukkig indruk.

„Vooruit dan maar”, zegt de perronchef en even later kijkt een handjevol passagiers belangstellend toe hoe de fiets hun sjieke coupé wordt in gehesen. Zonder uitzondering lezen ze Le Figaro, het ochtendblad van conservatief Frankrijk. Het gezelschap blijkt met hun oude vader op weg te zijn naar Vichy, de voormalige zetel van het met de Duitsers heulende regime van maarschalk Pétain, befaamd vanwege zijn bronnen en nog steeds een populair kuuroord.

Gele koolzaadvelden trekken voorbij, spoedig gevolgd door het lieflijke heuvellandschap van de Nièvre. Echt spectaculair zal de reis pas worden vanaf Clermont-Ferrand. Daar begint de trein aan een klim tot aan de bron van de Allier om vervolgens een afdaling door het Nationale Park van de Cevennen te ondernemen.

Een korte overstap blijkt noodzakelijk. Aan de overkant van het perron op het station van Clermont-Ferrand staat de trein van machinist Serge warm te draaien. Scholieren, arbeiders en een verdwaalde Japanse toerist verdringen zich om een plekje bij het raam.

„Nog niet zo heel lang geleden was dit een directe verbinding van Parijs naar Marseille”, legt Serge uit in zijn cabine. Zijn achternaam wil hij liever niet in de krant. Hij vreest de toorn van zijn chef, die niet wil dat hij mensen meeneemt in zijn locomotief. De kloof waar de trein doorheen ploegt is nog smaller geworden en een groepje kajakkers laat zich de rivier afzakken. Tunnels wisselen elkaar in hoog tempo af.

Le Cévenol heette die directe trein van Parijs naar Marseille tot voor kort. Ruim tien uur deed hij over het 863 kilometer lange traject. Maar de TGV, die reizigers in drie uur van Parijs in Marseille brengt, maakte de verbinding overbodig. Consequentie was dat de Cévenol werd opgesplitst: elektrisch van Parijs tot Clermont-Ferrand, diesel voor het onherbergzame tracé tussen Clermont-Ferrand en Nîmes, weer elektrisch voor het resterende stuk naar Marseille. „De trein heeft nu gaan naam meer, maar een nummer.” Serge zegt het zonder een spoor nostalgie. „C’est comme ça.”

De Cévenol begon in 1870 te rijden. De lijn was aanvankelijk bedoeld voor het transport van wijn uit de Languedoc, de grootste wijnproducerende regio van Frankrijk. Maar ook kolen en staal uit de mijnen rond Alès werden over de lijn vervoerd. Tegenwoordig is ze vooral van lokaal belang. De Cévenol mag in naam niet meer bestaan, Serges trein volgt het oude tracé. Cevennenlijn wordt ze lokaal genoemd en is vanwege het adembenemende landschap populair onder toeristen.

We klimmen gestaag. Veertig kilometer per uur gaat het. Het loofbos heeft plaatsgemaakt voor statige dennenbomen en de Allier is veranderd in een woeste bergbeek. Boven het spoor hangen stalen netten om vallende rotsblokken op te vangen. Op 1024 meter bereikt de trein bij La Bastide-Puylaurent zijn hoogste punt. Buiten het zicht van de uitstappende scholieren, houdt Serge een plaspauze tegen de voorkant van zijn locomotief.

Aan de andere kant van de bergrug loopt het tracé van de Transcévenol, het doodgeboren broertje van de Cévenol. Werk aan deze lijn, die de stadjes Aubenas en Puy-en-Velay met elkaar verbinden moest, begon in 1906. Tunnels werden gegraven, viaducten aangelegd, maar rijden deed de trein er nooit. Tegenwoordig is het tracé vooral in trek bij wandelaars en mountainbikers.

De daling is ingezet. Voor ons strekt zich de woestenij van Cevennen uit. „De Cevennen bieden niets dan rots en scherpe leisteen”, schreef de negentiende-eeuwse historicus Michelet in ’Tableau de la France’ (1861). „Je voelt er de menselijke strijd, zijn halsstarrige arbeid, zijn buitenissige gevecht tegen de natuur.”

Camisards, protestanten uit Alès, die na de herroeping van het Edict van Nantes opgejaagd werden door de troepen van Lodewijk XIV, hielden zich er destijds schuil en trokken huizen op van graniet en leisteen. Nog altijd spreekt het ruige gebied, gedomineerd door de Mont Lozère (1702 meter), tot de verbeelding. Al was het maar door de gevarieerdheid van die natuur: er komen beren voor en vale gieren; meer dan 2200 plantensoorten groeien er.

Spectaculair is de passage over het viaduct van Chamborigaud, het hoogste stenen viaduct van Frankrijk en meer dan 400 meter lang. Dennebomen hebben plaatsgemaakt voor steeneiken. Rond de stationnetjes die de trein passeert duiken vijgenbomen op. Op de vierkanten daken nu geen leisteen meer maar oranjegele pannen.

Na Alès – officieuze hoofdstad van de Cevennen en voormalig bolwerk van protestants verzet – snelt de trein het laatste stuk door de vallei van de rivier de Gard naar Nîmes. Op een steenworp van het station staat de zonovergoten stierenvechtarena, middelpunt van de grote pinksterferia. Dit is het echte zuiden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden